Algemene oriëntatie
deel 2

Samenvatting van de functie, inhoud en werkwijze van de UG

 

A inleiding

De omvang van de UG

Wie zich in de UG wil verdiepen, belandt daarmee in 'Niemandsland'. Want hoewel de UG zeer nauw aansluit bij de wereld- en mensbeschouwing van de esoterie en zich gelijktijdig baseert op de modernste wetenschappelijke inzichten, is deze werkwijze zo onbekend, dat die nergens aansluit bij het bestaande. En dat niet alleen. De denk- en werkwijze van de UG gaat dwars in tegen alles wat men in deze tijd als vaststaand aanneemt. Als gevolg daarvan kan en zal men deze theorie negeren, niet serieus nemen of bestrijden als een fantasievol product van een idealistische zwever. Maar zelfs dan zal men moeten erkennen dat de UG door zijn uitgangspunten geen onderwerp uitsluit en daarmee de meest omvangrijke fantasievolle kosmologie is. We kunnen het verwachtingspatroon naar de toekomst toe ook omdraaien en er vanuit gaan dat er ooit een tijd komt dat alle mensen hebben geaccepteerd dat de denkwijze en de uitgangspunten van de UG wel juist zijn. Dan zijn de consequenties van dat nieuwe wereld- en mensbeeld in vergelijking met het huidige niet te overzien. Er zijn dan bijvoorbeeld geen verschillen meer tussen de godsdiensten, omdat alle dogma's zijn vervangen door de universele inzichten van één alomvattende kosmologische wijsbegeerte waarin de dienst aan God en de wetenschap zijn verenigd.

De schets van deze tegengestelde verwachtingen heeft geen ander doel dan erop te wijzen dat er maar twee opties zijn. Ofwel de uitgangspunten van de UG zijn onzinnig en alle kritieken zijn al bij voorbaat juist. Ofwel de UG is in de kern alomvattend en met betrekking tot de onzichtbare werkelijkheid allesverklarend. Een tussenoplossing is er niet. Daarmee wordt er natuurlijk niet gesteld dat de UG zoals die hier wordt gepresenteerd foutloos is. Dat zou werkelijk onzinnig zijn, omdat de UG gebaseerd is op de inzichten van de schrijver en daarbij ook nog eens een product is van deze tijd. Er wordt alleen gesteld dat de werk- en denkwijze van de UG uniek is. En als die juist wordt toegepast, verdwijnt vanzelf het onderscheid tussen de godsdiensten en de wetenschap, waarbij er onvoorstelbare inzichten ontstaan die op een andere manier niet verkregen kunnen worden. De UG toont dat allemaal aan en werkt dat ook uit.

Omdat de UG hier in een notendop wordt behandeld, is het onmogelijk om in een keer een goede indruk van de hele omvang te krijgen. De kans is daardoor niet denkbeeldig dat de lezer al gauw afhaakt en zijn/haar interesse verliest, of het idee krijgt dat hij/zij dat nooit zal kunnen begrijpen. Dat risico neem ik, omdat andere lezers het juist op prijs stellen om een algemene indruk te krijgen voordat men ervoor kiest om zich in deze theorie te gaan verdiepen. Bovendien stel ik met nadruk dat de opbouw in het vraag en antwoordspel zodanig is, dat een en ander heel geleidelijk wordt opgebouwd.

Kosmologie

Het woord kosmologie betekent 'kennis van de kosmos' en wordt in deze tijd gedefinieerd als de wetenschap die de globale structuur en de evolutie van het heelal bestudeert. Als we ons dan afvragen hoe die bestudering plaatsvindt, moeten we onderscheid maken tussen de moderne kosmologie die een tak is van de natuurkunde, de wijsgerige kosmologie uit de oudheid en de UG. De wetenschappelijke kosmologie (1) heeft de big bangtheorie ontwikkeld en bestudeert de uitdijing van het heelal. Het tweede begrip (2) verwijst niet naar de kosmologie die in het oude Griekenland tot ontwikkeling was gekomen. Want die wordt algemeen beschouwd als de eerste poging van de mensheid om na te denken over de schepping en de wereld waarin wij leven. Daarmee wordt uitsluitend gedoeld op de nooit geopenbaarde universele leer waarvan het bestaan niet wordt erkend, terwijl de uitgangspunten daarvan strijdig zijn aan de opvattingen van de huidige evolutieleer. De UG (3) neemt daar tussenin een geheel eigen plaats in.

Deze drie te onderscheiden kosmologieën moeten hierna in 't kort met elkaar worden vergeleken, omdat de werkwijze van de UG zo uitzonderlijk is. Die heet namelijk deductief (= logisch redenerend), terwijl de wetenschap empirisch ofwel onderzoekend te werk gaat. Daarbij ligt de volle nadruk op het experiment en de waarneming, hoewel de wijsbegeerte daarop een uitzondering is. Ook die tak van de wetenschap beschrijft de deductieve methode en maakt daar volop gebruik van, in welk opzicht er dus geen enkel verschil is tussen de UG en de wijsbegeerte. Dat verschil ligt voornamelijk in het feit dat de moderne wijsgeer alleen nadenkt over de denkende mens, waarmee de wijsbegeerte een mensbeschouwing is en geen kosmologie. Geen filosoof zal het standpunt van de UG accepteren dat men nieuwe inzichten kan krijgen in het wezen van God, de aard van de schepping en het universum plus het wezen van de mens, als we daarover logisch nadenken. En omdat de UG dat juist wel pretendeert, is dat  het essentiële verschil tussen de wetenschappelijke wijsbegeerte en de UG. Maar als we dat verschil even opzij zetten, is het op deze beide manieren (logisch redeneren en onderzoek) mogelijk om kennis te verwerven. Daarnaast pretendeert de esoterie dat men ook over kennis kan beschikken die gebaseerd is op het schouwen. De UG onderschrijft dat, in welke visie er in totaal drie manieren zijn om kennis te verwerven:

de deductieve methode, de empirische methode en het schouwen

Als we die mogelijkheden naast elkaar zetten, maakt de wetenschap alleen gebruik van de eerste en tweede methode. De werkwijze van de grondleggers en de latere vertegenwoordigers van de universele leer was echter volledig. Want die was gebaseerd op het schouwen (hoger bewustzijn), en op het onderzoek (empirisch) en op de logische doordenking van verbanden (deductief). Die volledigheid geldt niet voor de UG. Want de UG maakt ten eerste volop doch selectief gebruik van de wetenschap en hoeft daarom zelf geen onderzoek te doen. Ten tweede maakt de UG volop doch selectief gebruik van de esoterische kennis, maar beoordeelt die wel op zijn waarde. En dat is alleen mogelijk omdat de UG een geheel eigen wijze van deductieve doordenking heeft ontwikkeld.

 

laat u niet weerhouden

Het nadeel van de UG

Dat deze benadering van de werkelijkheid voor een aantal mensen nadelig kan uitwerken, laat ik hierna zien. In de visie van de UG is de mens niet meer en niet minder dan een schakel in de structuur van de hele kosmos. En zoals het onmogelijk is om een schakel van een ketting te onderzoeken zonder iets van de ketting te weten, is het onmogelijk om het wezen van de mens te onderzoeken als we zijn plaats en functie in de kosmos niet kennen. Daarbij wordt er in de UG zoals gezegd gebruik gemaakt van een denkwijze die volledig afwijkt van wat wij gewend zijn. Een en ander heeft tot gevolg dat deze theorie niet uit het hoofd kan worden geleerd zoals dat in ons moderne onderwijs gebeurt. Men zal zich stapje voor stapje in deze denkwijze en de resultaten daarvan moeten inleven, wil dat tot enig resultaat leiden. En daarbij gaat het veel minder om de passieve opname van kennis die begrepen wordt omdat die goed aanvoelt, dan om het actief verwerven van nieuwe inzichten. Die kunnen pas  ontstaan als men zelf gaat nadenken over de opgeworpen vraagstukken en daarna een aha-erlebnis krijgt in de stijl van: "Ooooohhhhh ja, nu begrijp ik het". En met die insteek wijs ik op het nadeel. Als iemand alleen iets wil weten van een paar interessante onderwerpen en de drang mist om op een breder vlak over de dingen na te willen denken, heeft de UG hem of haar weinig tot niets te bieden. In de oudheid kon men zich slechts op enkele plaatsen in de wereld in de universele leer verdiepen, wat een zeer grote inzet vergde, omdat men dan moest leren schouwen. De Grieken gingen daartoe jarenlang naar Egypte, terwijl men in de 6e eeuw v.Chr. levenslang kon worden opgenomen in de leefgemeenschap van Pythagoras. De eerste jaren mocht  men dan geen vragen stellen, omdat men eerst moest leren nadenken. Nu is het mogelijk om die denkwijze eigen te maken, liggend in een luie stoel en knabbelend aan wat lekkere noten. Maar veel gemakkelijker dan toen kan het niet zijn om tot gelijkwaardige inzichten te komen. Wat hier als een nadeel wordt beschreven, is natuurlijk erg betrekkelijk. Want niemand zal ooit iets werkelijk begrijpen op een gebied waar geen echte interesse bestaat en waar geen echte vragen zijn.

Voordelen van de UG

De voordelen van de UG zijn reëler. Want als de waarde van deze denkwijze eenmaal is begrepen, is er geen weg meer terug, aangezien elke andere werkwijze de logica mist waarop de UG is gebaseerd. Daarbij gaat het niet alleen om deze denkwijze, want de UG werkt ook een aantal modellen uit die alles kunnen verklaren. "Alles" is natuurlijk een zeer betrekkelijk begrip. Maar ik heb nog nooit meegemaakt dat cursisten een vraag stelden over het wezen van de mens en alles wat daarmee samenhangt, zonder dat die vraag op een begrijpelijke, logisch verklaarde en overzichtelijke wijze in kaart gebracht kon worden. Daarmee stel ik bijvoorbeeld dat het onmogelijk is om het reïncarnatieproces te doorgronden, als men niet begrijpt hoe het universum tot ontwikkeling is gekomen. De UG beschrijft dat proces inclusief het leven na de dood echter in detail, wat een voorbeeld is van de opmerking dat de UG alleen iets kan betekenen voor mensen die een brede interesse hebben.

ter introductie

Deze pagina is een relatief korte samenvatting van de UG, waardoor het onvermijdelijk is dat heel veel van deze samenvatting niet direct begrepen kan worden. Daar staat tegenover dat men aan het einde van deze pagina kan doorschakelen naar de theorie zelf. En die wordt zodanig besproken, dat de lezer van deze inleiding niets begrepen hoeft te hebben. Laat u daarom niet ontmoedigen als deze samenvatting soms of veel vaker niet begrepen wordt. Lees gewoon verder en laat alleen tot u doordringen wat wel duidelijk is. Deze inleiding is tenslotte niet meer dan een eerste kennismaking die kan bepalen of u zich wel of niet door de UG voelt aangesproken.

Ter introductie van de UG  behandelen we in eerste instantie de (goddelijke) bron waaruit alles tot wording is gekomen en de daarop volgende ontwikkeling van de mensheid. Dat is nodig om iets van die ketting te begrijpen waarvan de mens een schakeltje is. Daarbij wijkt de visie van de UG niet af van 'De Geheime Leer' van Blavatsky. Maar waar het de leringen zelf betreft, zijn er wel degelijk verschillen tussen de UG en de esoterie (theosofie, antroposofie en rozenkruisersleer). Misschien wel het belangrijkste verschil is de wijze waarop de UG en de esoterie zich presenteren. De esoterische leringen zijn primair gebaseerd op het schouwen en kunnen daarom in deze tijd alleen nog maar op basis van een goed gevoel worden aangenomen. De UG is primair gebaseerd op de logica van het gezonde verstand en kan alleen op basis van een goed gevoel steeds beter en actiever worden begrepen. In deze introductie wordt de bodem gelegd van de visie dat er in de oudheid mensen hebben geleefd die veel hogerontwikkeld waren dan de rest. De (geleidelijke) acceptatie van die visie is namelijk van essentieel belang. Want alleen in dat perspectief kan de UG worden beoordeeld als een eigentijdse vertaling van de universele leer aller tijden.

Hierna beschrijf ik enkele kernpunten van de UG, die duidelijk maken dat de UG geen ander beginpunt kan hebben dan de vraag wat God wel/niet is. Want alleen op basis van het juiste inzicht in die vraag is het mogelijk om met behulp van de regel van Hermes 'zo boven zo beneden' iets meer te begrijpen van de grondstructuur van het universum en daarmee ook van de mens. Deze kernpunten zijn meteen het meest complexe gedeelte van deze inleiding.

 

B     enkele kernpunten van de ug

het goddelijke

Om verschillende redenen is het niet logisch om aan te nemen dat het heelal eeuwig is. Tijd en ruimte zijn namelijk betrekkelijke begrippen, waardoor dit universum niet eeuwig lang bestaat en evenmin eeuwig lang zal blijven bestaan. Dat betekent dat dit heelal is ontstaan en weer zal vergaan.

  1. Voordat dit universum tot wording kwam, was er geen tijd en geen ruimte, waardoor er in dat opzicht dus niets was. En als dit universum verdwijnt, is er weer niets.

  2. Dit heelal kan zichzelf onmogelijk uit dat niets tot wording hebben gebracht, waardoor er een bron moet zijn waaruit dit universum is ontstaan. Omdat die bron niet gelijk kan zijn aan het universum, moet die bron van een hogere orde zijn. In dat opzicht mag die bron 'God' worden genoemd, in welke vergelijking God absoluut is en het universum betrekkelijk.

  3. Die goddelijke bron was er al voor het ontstaan van dit universum, toen er nog geen tijd, geen ruimte, geen energieën, geen vormen en geen bewegingen waren. In dat opzicht bestaat God dus niet in de tijd, heeft God geen plaats in de ruimte, is God geen energie in de tijdruimte, heeft God geen vorm in de tijdruimte en verplaatst God zich niet in de tijdruimte.

  4. De meest ultieme consequentie daarvan is dat God niets kan, want 'kunnen' is een vermogen dat alleen bestaat in de tijdruimte, terwijl God van een hogere orde is dan de tijdruimte. God gaat daarmee boven alles uit wat iets kan. Wie eigenschappen toekent aan God, hoe geweldig en verheven die almachtige eigenschappen ook worden voorgesteld, verlaagt God daarmee tot een product van dit universum.

  5. Dat maakt het onzinnig om te zeggen dat God bestaat, terwijl het even onzinnig is om te zeggen dat God niet bestaat. We kunnen daarom alleen zeggen dat God HET ZIJNDE IS. God IS eeuwig, maar bestaat niet in de tijdruimte. Het woordje 'in' roept immers een tijdruimtelijke beperking op.

  6. Dit universum is uit God tot wording gekomen, terwijl God in tijdruimtelijk opzicht niets is. Het is echter niet logisch om te zeggen dat dit universum uit niets tot ontwikkeling is gekomen. We moeten daarom zeggen dat God in tijdruimtelijk opzicht NIETS is, terwijl God als de bron van dit universum ALLES is. God is zodoende NIETS en ALLES tegelijk. Dat klinkt nogal tegenstrijdig. Maar er is geen andere manier om God in verbinding te denken met het universum. Dat komt omdat God absoluut is, terwijl het universum in vergelijking met God betrekkelijk is.

  7. God is ALLES en NIETS. Als de bron van alles is God ALLES, maar in vergelijking met het universum is God NIETS. Deze tegenstrijdigheid maakt het onmogelijk om God als de schepper voor te stellen. Want bij het woord 'schepper' denken we meteen aan de schepping, waarbij er sprake is van een tweetal: de schepper en de schepping. En als we dat zeggen, maken we God in zekere zin gelijk aan de schepping. Een schepper handelt en heeft vorm, terwijl de begrippen handelen en vorm alleen van toepassing zijn op iets dat in de tijdruimte bestaat en daar weer vergaat. In dat opzicht is God niet de schepper van de schepping.

  8. Ook deze uitspraak is onvolledig. Want als we concluderen dat God geen vorm heeft, kan God onmogelijk van het universum worden gescheiden. Alleen de dingen en vormen in het universum kunnen van elkaar worden gesepareerd. In dat opzicht moeten we dus aanvaarden dat God gelijk is aan het universum. Aldus wordt met deze conclusie de volgende tegenstelling zichtbaar. Enerzijds is God als de bron van het universum van een volstrekt andere orde, waardoor God en het universum gescheiden zijn. Anderzijds heeft God geen vorm, en kan daarom niet van het universum worden gescheiden, zodat God en het universum gelijk zijn. Hieruit volgt dat de schepper niet naast de schepping bestaat, maar de schepping is.

  9. Steeds blijkt dat elke uitspraak over God tweeledig is. Als we zeggen dat God eeuwig IS, zeggen we direct dat God tijdelijk bestaat als er een universum is. Als we zeggen dat God NIETS is, zeggen we direct dat God ALLES is. En als we zeggen dat God niet de schepper is van de schepping, zeggen we direct dat God de schepping ZELF is. Deze schijnbaar tegenstrijdige constructie kennen we alleen in de gestalttheorie die zegt dat het geheel meer is dan de som der delen. Een huis is meer dan alle onderdelen samen. En toch is dat huis gelijk aan die onderdelen. Een auto is meer dan de optelsom van alle onderdelen die nog in de garage liggen opgestald. Gelijktijdig is die auto hetzelfde als die onderdelen, want zonder die onderdelen is er geen auto. Als we die gedachte doortrekken, zegt de UG dat God meer is dan alle delen waaruit het universum bestaat, terwijl God ZELF het universum is. Deze gestaltmatige verhouding tussen God en het universum (God is meer dan en tevens gelijk aan het universum) vinden we volgens de regel van Hermes overal terug in het universum, waardoor deze theorie de naam 'Universele Gestalttheorie' heeft gekregen.

Een enkele overweging

De voorgaande analyse lijkt misschien vrij onschuldig, maar zou de wereld volledig op zijn kop zetten als die op grote schaal als correct zou worden beoordeeld. Alleen al de naamgeving van deze theorie (God is meer dan en gelijk aan het universum) pretendeert dat de godsdienst en de wetenschap niet te scheiden zijn, wat in deze tijd op louter gevoelsmatige gronden niet geaccepteerd kan worden. Indirect zegt de UG daarmee dat het atheïsme en het materialisme gevoelsmatige niet doordachte anti-stromingen zijn. En verder zegt de UG daarmee ook nog dat alle godsdiensten onwijsgerig zijn, omdat God geen instantie is waarin geloofd kan worden. De vraag of God bestaat, kan zelfs niet beantwoord worden. Want God bestaat wel en niet. Daarmee gaat de ware dienst aan God alle persoonlijke behoeften te boven. Wie zuiver godsdienstig wil zijn, denkt vol eerbied na over de vraag wat God IS en waarom God niet kan worden begrepen. Men vraagt zich dan af wat het betekent dat God NIETS is en ALLES? Men onderzoekt voor zichzelf wat het betekent dat God eeuwig is en niet bestaat? Men wil leren begrijpen hoe dit universum uit NIETS en ALLES tot ontwikkeling kan zijn gekomen? Men accepteert dan dat alles in het universum goddelijk is, maar lang niet altijd zo ervaren kan worden. Dergelijke overwegingen vallen samen met het zoeken naar de zingeving van het leven, waarbij men zich realiseert dat God niet met de mens kan communiceren, terwijl de mens niet met God kan praten. De mens kan wel proberen om in contact te komen met de goddelijke bron in zichzelf. Wij zijn immers in al onze aanzichten een stukje van God en daarmee wel en niet gelijk aan God. Na deze overweging verlaten we het goddelijke "plan" en richten onze blik op het heelal, het universum ofwel de kosmos in al zijn gekende en ongekende aspecten.

het universum

  1. Wie zich afvraagt hoe dit universum tot ontwikkeling is gekomen, mag zeggen dat dit uit NIETS en Niets tot ontwikkeling is gekomen. De uitspraak dat dit universum uit NIETS is ontstaan, verwijst eenzijdig naar de goddelijke bron. De uitspraak dat dit universum uit Niets tot ontwikkeling is gekomen, negeert het goddelijk-onbevattelijke en beperkt zich tot het wordingsproces van dit universum zoals de mens dat ervaart. Die tweeledigheid is de enig juiste benadering voor de wetenschap, waarmee de vraag is opgelost hoe dit universum is ontstaan.

  2. Er is een essentieel verschil tussen het universum en het universum zoals de mens dat ervaart. Het universum is voor de plant anders dan voor het dier, het universum is voor het dier anders dan voor de mens, terwijl het universum voor de mens weer totaal anders is dan voor het bewustzijn van de stelsels in de ruimte. We kunnen zelfs zeggen dat het universum op elk denkbaar niveau bestaat. In die betekenis ervaart de steen het universum op "steenniveau". Het dier ervaart het universum op dierlijk niveau en de mens ervaart het universum op menselijk niveau. De aarde ervaart het universum op het veel hogere planetaire niveau, en God "ervaart" het universum als één gestaltmatig geheel.

  3. In deze benadering van de werkelijkheid zijn er vele te onderscheiden niveaus van bewustzijn, terwijl elke eenheid alleen de dingen van zijn eigen werkelijkheid kent. In dat opzicht is er lager en hoger bewustzijn, waardoor ook het menselijke bewustzijn begrensd is. Toch wordt die begrenzing nooit ervaren, omdat de mens in staat is om elke grens te verleggen. In dat opzicht zijn er geen mysteriën die nooit begrepen kunnen worden. Wat nu nog als een mysterie kan worden opgevat, is over een miljoen jaar zelfs geen vraag meer. En zo zal het altijd doorgaan zolang de mens zich ontwikkelt. Maar let op, want ook nu weer gaan we uit van een tegenstrijdigheid. Eerst erkennen we dat het menselijk bewustzijn begrensd is, omdat er vormen van lager en hoger bewustzijn zijn. Onmiddellijk daarna nemen we aan dat de mogelijkheden van het wetenschappelijk onderzoek onbegrensd zijn. Deze schijnbare tegenstrijdigheid komen we in de UG voortdurend tegen als het 4e axioma en wordt daar de onbepaalbare begrenzing genoemd. Dat 4e axioma zegt dat er in veel situaties sprake is van een begrenzing die onbepaalbaar is. Vergelijk dat met de halvering van het getal 1. We krijgen dan 1/2, 1/4, 1/8, 1/16, 1/32, 1/64 en kunnen zo onbepaalbaar lang ofwel eindeloos doorgaan zonder de grens te vinden. Toch is de grens heel duidelijk, want de 0 zal nooit worden bereikt. Vergelijkbaar daarmee is het bewustzijn van de mens begrensd binnen het grotere geheel, terwijl wij die grens nooit als een begrensd eindpunt zullen ervaren.

  4. Los hiervan is de afzonderlijke mens in allerlei verschillende opzichten zijn eigen beperking. Ik illustreer die beperking door mijn mening te uiten dat de hiervoor besproken regels voor zichzelf spreken en dus vanzelfsprekend zijn. De lezer is het daar misschien gedeeltelijk mee eens en gedeeltelijk ook niet. Dat kan terecht zijn of onterecht, waarbij het denkbaar is dat we elkaar niet kunnen overtuigen. Als er echter iemand is wiens bewustzijn veel verder is ontwikkeld dan het onze, kan hij die regels zodanig verbeteren en nuanceren, dat onze standpunten worden verenigd. Maar als hij dat probeert terwijl u en ik blijven protesteren, houdt die ander wijselijk zijn mond. Hij ziet dan in dat wij zijn inzichten niet kunnen bevatten. En wij protesteren omdat wij zijn inzichten niet kunnen peilen. Met deze schets verkondig ik de mening dat de ene mens meer begrijpt dan de andere, terwijl daar tegenover staat dat alles in dit universum begrepen kan worden.

  5. Wie daarentegen kan schouwen weet dat alle begrippen beperkt zijn, omdat het denkend en wetend bewustzijn van een lagere orde is dan het schouwend bewustzijn. Maar ondanks het feit dat de mens het in zich heeft om op een hoger niveau bewust te zijn, is de mens toch in staat om alles te onderzoeken en alles te leren begrijpen waarop hij zich richt.

  6. Op basis van dit uitgangspunt gaan we terug naar het oerbegin en nemen we aan dat dit universum op een logisch verklaarbare wijze tot ontwikkeling is gekomen. Daarbij weet iedereen dat iets alleen uit Niets kan ontstaan, als er een tegenstelling ontstaat. Stel dat iemand geen geld heeft, dan kan hij geld krijgen als hij wat geld leent. Op dat moment is er een bezit en een even grote schuld die met dat bezit in evenwicht zijn. De regel van Hermes zegt dan dat dit uitgangspunt ook daar boven van toepassing moet zijn, waardoor er in het oerbegin een splitsing was in twee polen. Enerzijds zijn die polen tegengesteld, anderzijds heffen ze elkaar op als ze weer samenvallen aan het einde van dit universum.

  7. Het beginpunt van onze zoektocht naar de grondstructuur van het universum is nu gevonden, maar daarmee zijn we er nog niet. Zo moet er sprake zijn geweest van een krachtveld dat in staat was om die beide polen te verdelen en daarna met elkaar in evenwicht te houden. De regel van Hermes zegt dan dat dit drietal (twee polen en een krachtveld) in structureel opzicht de grondslag vormt van het universum in al zijn verschillende aanzichten. Die stelling wordt bevestigd door de 'Geheime Leer', terwijl veel godsdiensten uitgaan van een drievoudige godheid. De eerste christelijke bisschoppen hebben dat overgenomen en construeerden daarmee het kunstmatige drietal van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. De hindoes kennen de triade Brahmâ, Vishnu en Shiva, waarbij het in wezen gaat om de indeling in geest, ziel en stof. Geest en stof zijn dan polair tegengesteld, terwijl de ziel het verbindende krachtveld is.

  8. Dat oerdrietal moet verder zijn opgesplitst in 3 drietallen wat een 9-tal gevormd moet hebben. Die conclusie sluit niet aan bij de esoterie, omdat daar steeds gesproken wordt van een 7-tal, welk getal zo universeel is, dat het is overgenomen in het aantal dagen van de week. Hier stuiten we dus op de eerste fundamentele confrontatie tussen de esoterie en de UG. De esoterie kent niet anders dan het 7-tal en begrijpt de structuur daar niet van, wat het zinloos maakt om gebruik te maken van dat universele getal. In tegenstelling daarmee laat de UG een model zien waarbinnen het 9-tal, het 7-tal en het 12-tal aan elkaar gelijk zijn. Daarbij is het 7-tal in structureel opzicht een verkorte samenvatting van het 9-tal, terwijl het 9-tal een verkorte samenvatting is van het 12-tal.

  9. Het meest oorspronkelijke 9-tal werd in de oudheid gesymboliseerd door de swastika, welke figuur wij voornamelijk kennen als het Duitse hakenkruis. Blavatsky heeft het belang en de betekenis van dat kruis als eerste benadrukt. In haar tijd was de swastika bekend als een gelukssymbool. Maar toen de Nazi-leiders dat meest heilige teken uit de oudheid hebben overgenomen, werd het ingelijfd in de ariosofie, de verderfelijke misvorming van de theosofie; zie de eerste foto.

In de universele leer verwees het draaiende kruis (tweede foto) nog als een symbool naar de dynamiek, waarbij we kunnen denken aan het pompende hart dat bestaat uit 2 kamers en 2 boezems. In de diepste kern staat de swastika echter symbool voor het assenkruis, zie de derde tekening. We zien daar de vier wieken van de draaiende molen ACBD, waarbij de molenwieken rondom de as EF draaien. In dat opzicht verwijst het assenkruis naar het in punt 7 genoemde oerdrietal dat hier wordt gesymboliseerd door de assen AB, CD en EF, terwijl elke as op zich ook weer een drietal vormt. Denk daarbij aan de beide uiteinden en de as zelf. Aldus krijgen we 6 uiteinden en 3 assen. In dat verband verwijs ik terug naar bladzijde 9 van de Algemene Oriëntatie waar de Atlantisring wordt genoemd; zie de vierde foto. Daarop zien we 3 groepen van 3 strepen, terwijl de drie middelste strepen 2x zo groot zijn als de zes andere strepen. De lezer kan daaruit afleiden dat de Atlantisring op een verborgen wijze aangeeft dat het 9-tal indirect verwijst naar het 12-tal, waarbij we denken aan de astrologische elementen vuur, aarde, lucht en water die bij de 12 astrologische tekens van de dierenriem 3x worden herhaald.  

Tot zover

Omdat het assenkruis in wiskundig opzicht het grondmodel is van de opbouwstructuur van het universum, kom ik daarop uitgebreid terug. Zowel in deze pagina als in de UG. Maar eerst wil ik aannemelijk maken dat de mensheid heel anders tot ontwikkeling is gekomen dan de wetenschap verkondigt. Bij die uitleg volg ik het bijbelse scheppingsverhaal, dat mits goed gelezen enkele belangrijke en zeer bruikbare aanwijzingen geeft. Mocht u niet in de bijbel geïnteresseerd zijn en zich afvragen waarom dat boek er zo nodig bijgehaald moet worden, dan wijs ik erop dat het eerste hoofdstuk Genesis (= wording) enkele opzettelijk vervormde restanten bevat van de universele leer. In dat opzicht is iedere vorm van weerstand tegen dat eerste bijbelboek een vorm van weerstand tegen de universele leer en de UG. Het gaat niet om het bijbelse scheppingsverhaal zoals dat wordt begrepen door de joden en de christenen, maar om de verborgen boodschap die buiten de esoterie niet bekend is. En zelfs daar is het heel grondig zoeken als we wat bruikbaar materiaal willen vinden.

 

C     de mensheid in ontwikkeling

DE goddelijke bron

Nadat we hebben besproken dat God meer is dan het universum en als de schepper daaraan gelijk is, gaan we naar een veel lager niveau en komen terecht bij de scheppende macht(en) van de aarde. In de meeste godsdienstige overleveringen wordt dat "goddelijke" onderscheid tussen de schepper van het universum en de aarde niet gemaakt. De UG doet dat wel, omdat die verschillen noodzakelijkerwijs in kaart gebracht moeten worden. Voor ons inlevingsvermogen is dat verschil niet relevant, omdat het goddelijke in alle gevallen zo ver boven ons bevattingsvermogen uitgaat, dat ons beeld van de schepper even primitief is als het beeld dat een kat van zijn baasje heeft. Dit gezegd hebbende gaat het hierna alleen over de schepper van de aarde, waarbij het de vraag is of de schepper 1 wezen was (monotheïsme), of een hele groep van scheppende machten (polytheïsme). De joods-christelijke godsdienst en de islam zijn monotheïstisch, maar de naam van de schepper suggereert iets anders. In de bijbel wordt er gesproken van God (Elohim) en de Here God (Jehovah), waarbij het woord Elohim vertaald kan worden als een schare van mannelijke en vrouwelijke (him) goddelijke (Eloa ofwel Allah) machten. Oorspronkelijk ging het zodoende om een hele groep, waardoor we in Psalm 82 lezen dat God staat in de vergadering der goden en gericht houdt te midden van de goden. Binnen die elohistische groep die in de kabbala de Sephiroth wordt genoemd, was Jehovah (de Here God) een lagere macht die de stoffelijke mens heeft gevormd. En nadat de joden Jehovah tot hun stamgod hadden gemaakt, werd hij al gauw belangrijker dan de goden van alle andere stammen, waarna hij uiteindelijk de enige God werd. Bij die naam ging het overigens alleen om de letters J - H - V/W - H die de getallen 10 (J), 5 (H), 6 (V of W) en 5 (H) vertegenwoordigden. In de kabbalistische geheimtaal was de Here God zodoende hetzelfde als de codering  10-5-6-5. En in de tijd dat de joden de betekenis daarvan niet meer begrepen, werd Jehovah tot de Here God verheven en gelijk gemaakt aan de Elohim.

Binnen die elohistische groepering waren (zijn) er ook machten die veel verder waren (zijn) ontwikkeld dan Jehovah en daarom geen stoffelijke vormen meer konden scheppen. Zij waren de scheppers van het bewustzijn. Deze hoogontwikkelde machten hadden verschillende namen, waarbij we weten dat sat-an in het Sanskriet de hoogste goddelijke wijsheid is. De christenen hebben dat nooit begrepen en geloven nu dat de aartsengel Michaël de aanvoerder is van de hemelse legerscharen, waar hij strijdt tegen de duivel die zich heeft verzet tegen God, als gevolg waarvan de hel werd gecreëerd. Dat was het spannende verhaal voor het volk. Maar in de oude leer was de sat-an zo'n hoge macht, dat die geen stoffelijke lichamen kon creëren. Dat "werk" was voorbehouden aan de lagere goddelijke machten zoals Jehovah ofwel Jahweh. En zo werd een geheime leerstelling uit de universele leer eerst geopenbaard, daarna niet meer begrepen en vervolgens gebruikt om de mensen bang te maken voor de duivel, opdat ze beter naar God (alias de kerkelijke leiders) zouden luisteren.

 

 De wordende mensheid

De evolutie­theorie van Darwin stelt dat de mensheid in de loop der tijden steeds verder is ontwikkeld en waarschijnlijk nog wel enige tijd zal doorontwikkelen. In essentie wordt die evolutionaire opvatting door de UG onderschreven, in die zin dat alles in dit universum (niet alleen de mens) steeds verder doorontwikkelt naar een hoger niveau. De wetenschap beperkt haar visie tot het aardse bestaan en de ontwikkeling van dit heelal en vraagt zich niet af wat er daarvoor gebeurd kan zijn en wat er daarna zou kunnen gebeuren. Dat doet de UG wel, waardoor de UG in de uitwerking van de evolutietheorie tot conclusies komt die grondig afwijken van de evolutie­theorie van Darwin. De esoterie in het algemeen, de godsdiensten die de wedergeboorte verkondigen en de UG verkondigen niet alleen dat de individuele mens leven na leven sterft en weer opnieuw geboren wordt, maar stellen dat hetzelfde geldt voor de hemellichamen, de zonnestelsels, de melkwegstelsels en de heelallen. Die volgen elkaar schier eindeloos op, maar niet eeuwig en altijd. Als gevolg daarvan waren er al mensen op de vorige aarde, terwijl er opnieuw mensen zullen zijn op de volgende aarde. Dat betekent dat er in het begin van de aardse ontwikkeling al zeer hoog- en zeer laagontwikkelde mensen waren. Daarnaast waren er goddelijke machten die niet meer konden verstoffelijken. En verder waren er goddelijke machten die dat tijdelijk nog wel konden in de fase dat de mensheid op aarde een stoffelijke vorm kreeg. Alleen in dat perspectief kan het eerste bijbelboek Genesis worden begrepen.

Adam

Wat het ontstaan van de mensheid betreft, maakt de bijbel onderscheid tussen twee verschillende Adams. De 'Geheime leer' en in navolging daarvan de UG werkt dat verschil uit door een fundamenteel onderscheid te maken tussen de Mens Adam (Kadmon) voordat Eva uit zijn rib werd gehaald en de mens Adam die met Eva samenleefde in het paradijs. In die vergelijking staan Adam en Eva symbool voor de wordende mensheid, terwijl Adam Kadmon geen gewoon mens was. Die Adam was er namelijk al voordat er planten en dieren waren.

Genesis 2:4-7

Ten tijde dat de Here God hemel en aarde maakte

er was nog geen enkel veldgewas op de aarde

toen formeerde de Here Gods de Mens uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus.

Gen. 2:18-21

En de Here zei: Het is niet goed dat de Mens alleen is. En de Here formeerde uit de aardbodem al het gedierte des velds en al het gevogelte des hemels en bracht het tot de Mens om te zien hoe deze het zou noemen.

Pas daarna bouwde de Here God een vrouw uit zijn rib.

Gen. 2: 20-25

Voor zichzelf vond Adam Kadmon geen hulp die bij hem paste. Toen deed de Here God een diepe slaap op de Mens vallen en nam een van zijn ribben en bouwde daaruit een vrouw en bracht haar tot de Mens.

ADAM KADMON

De eerste Adam heeft in de kabbalistische Zohar de naam Adam Kadmon, welke naam volgens de 'Geheime Leer' is opgebouwd uit de stukjes ad-am-ak-ad-mon en in die samenhang vertaald kan worden als "de enige Zoon van God de Vader". Daarmee werd oorspronkelijk bedoeld dat het bewustzijn van alle levensvormen uit één en dezelfde oerbron tot ontwikkeling was gekomen. Daarmee was de eerste Adam de bron waaruit alles is ontstaan, wat het begrijpelijk maakt dat Adam in sommige oude geschriften als een goddelijke macht wordt beschreven.

adam en eva

In een veel latere fase kwamen uit die oerbron (Adam Kadmon) de eerste mensen tot ontwikkeling die gesymboliseerd werden door de mannelijke Adam en de vrouwelijke Eva. Zij leefden aanvankelijk in de Hof van Eden, het paradijs, in welke fase van de evolutie de wordende mensheid nog niet stoffelijk was geworden. Daarom staat er in de bijbel dat zij naakt waren en zich niet schaamden. In werkelijkheid werd daarmee bedoeld dat de wordende mensheid nog niet leefde zoals de planten leven, terwijl ze ook geen stoffelijk lichaam hadden zoals de dieren. Maar dat ging spoedig veranderen, want in het midden van de Hof stonden de boom des levens en de boom van de kennis van goed en kwaad. Daarvan mochten zij niet eten, wat ze volgens het verhaal wel deden, omdat ze anders eeuwig in de Hof waren gebleven en niet op aarde tot ontwikkeling waren gekomen. Daarom verleidde de slang (het symbool van de evolutie) ze om van de vrucht van de levensboom te eten, waarmee bedoeld werd dat de mens zou gaan leven zoals de planten leven. De bijbel zegt daarvan dat hun ogen werden geopend, waardoor ze zich wel schaamden voor hun naaktheid. Om die reden hechtten ze vijgenbladeren aaneen en maakten er schorten van, wat betekent dat de vegetatieve (belevendigende) functies van de wordende mensheid tot ontwikkeling kwamen (Gen.3:7).

 

Gen. 3:20

En de Mens Adam noemde zijn vrouw moeder, omdat zij de moeder van alle leven was geworden.

Die vijgenbladeren waren natuurlijk niet voldoende, omdat de mens meer is dan een levend wezen. Wij bewegen ons ook voort zoals de dieren dat doen, waardoor het verhaal verder gaat. De Here God werd loeiend kwaad omdat Adam en Eva niet naar zijn verbod hadden geluisterd en vervloekte de slang (de evolutie kwam nu echt op gang). Daarna zei hij dat de mens op aarde zou moeten gaan zwoegen.

 

Gen. 3:16

Tot de vrouw zei hij: Ik zal zeer vermeerderen de moeite van uw zwangerschap; met smart zult ge kinderen baren en naar uw man zal uw begeerte uitgaan.

De man op zijn beurt moest op de vervloekte aardbodem gaan werken. Al  zwoegend zult gij daarvan eten zolang gij leeft. In het zweet des aanschijns zult gij brood eten totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen bent. Want stof zijt ge en tot stof zult ge wederkeren.

 

Dat werd allemaal mogelijk omdat de animale functies en vermogens (zintuigen, motoriek) in die fase van de evolutie tot ontwikkeling kwamen. Dat verklaart de tekst dat de Here God klederen van dierenvellen maakte (Gen.3:21) en ze daarmee bekleedde. En nog was dit niet voldoende, omdat de dierlijke mens was voorbestemd om een mens ofwel goddelijke macht te worden. Daarom zei de Here God:

 

Gen. 3:22

 Zie de mens is geworden als Onzer (wij allemaal) door de kennis van goed en kwaad. Nu laat hij dan van de boom des levens nemen, zodat hij in eeuwigheid zou leven.

Wie dit verhaal niet al te letterlijk neemt en de geheimtaal probeert te doorgronden, ziet in dat de planten, de dieren, de dierlijke mens en de goddelijke mens volgens de bijbel allemaal uit Adam Kadmon tot ontwikkeling zijn gekomen.

DE INVLOED VAN DE GODEN OP AARDE

goden en mensen

Adam en Eva kregen drie kinderen, eerst Kaïn en Abel en wat later Seth. De landbouwer Kaïn doodde al vrij gauw zijn broer Abel. Het geestelijke bewustzijn uit het paradijs ofwel Abel (= Adem) verdween en de mens ging de stoffelijke aarde bewerken. Na die moord vertrok Kaïn naar het land Nod ten oosten van de Hof van Eden. Tegenwoordig ligt dat gebied in Irak tussen de rivieren de Eufraat en de Tigris. Maar als we de aangegeven jaartallen uit de bijbel letterlijk nemen wat nooit de werkelijke bedoeling is geweest, leefden er een eeuw na de schepping al overal mensen op aarde. Dat waren overigens  geen gewone mensen, want in die tijd was de mens reusachtig, terwijl dat al evenzeer gold voor de goden die op de aarde leefden.

 

Genesis 6:1-4

Toen de mensen zich op de aarde begonnen te vermenigvuldigen, zagen de zonen Gods dat de dochters des mensen schoon waren en zij namen zich daaruit vrouwen die ze maar  verkozen." De reuzen waren in die dagen op de aarde en ook daarna toen de zonen Gods tot de dochters der mensen kwamen en zij kinderen baarden. 

De meest oorspronkelijke tekst lezen we in het boek ‘Henoch’ dat geen deel uitmaakt van de bijbel.

 Toen de mensenkinderen zich vermenigvuldigden, werden er mooie lieflijke dochters geboren. Toen de engelen, de zonen des hemels, hen zagen verlangden zij naar hen en zeiden tot elkaar: “Wij willen ons vrouwen uit de mensenkinderen kiezen en kinderen bij hen verwekken.” Hun aanvoerder Semiaza sprak tot hen: “Ik vrees dat jullie dit niet durven uitvoeren en dan moet ik alleen de straf voor die grote zonde betalen.” De anderen antwoordden hem: "Wij zullen allemaal een eed zweren en ons met wederzijdse vervloekingen verplichten dit plan niet op te geven maar het door te zetten.” Het waren er tweehonderd in getal die in Jareds dagen naar de top van de berg Hermon afdaalden.”

Volgens de bovenstaande tekst daalden de goddelijke zonen des hemels vanuit een hemelse dimensie naar de aarde af en werden daarmee in zekere zin gelijk aan de mensen. De verborgen achtergrond van dit seksueel getinte verhaal kan als volgt worden begrepen. De wereld (eigenlijk de aarde) werd zoals gezegd niet door 1 God geschapen, maar door een totaliteit van scheppende machten. Al die machten hadden verschillende functies, terwijl het de "taak" van deze groepering was om de scheppingskracht te "implanteren" in de stoffelijk wordende mens. En die scheppingskracht was de seksualiteit, omdat de mens nog niet echt kan scheppen. Alleen op basis van de voortplantingsdrift kon de menselijke soort zich ontwikkelen. Deze goden leefden overigens niet alleen in Nod, het land van Kaïn, maar ook in het Himalayagebergte. Want als we die naam vertalen vanuit het Sanskriet, de oeroude taal van de brahmaanse priesters in India, dan betekende die naam oorspronkelijk 'de  woonplaats van de niet-sterfelijke (alaya) goden'. Let daarbij op het woordje him dat overeenkomt met de elo-him. In dat opzicht is er dus maar weinig verschil tussen de him-alaya en de eloah-him.

Bijna alle mythologische verhalen vermelden dat de goden in de oertijd op aarde leefden. We interpreteren dat als mooie verhalen als we lezen dat de Griekse hoofdgod Zeus met zijn familieleden Poseidon en anderen op de berg Olympus leefde. In totaal waren er twaalf goden: Zeus, Hera, Athena, Poseidon, Demeter, Apollo, Artemis, Hermes, Aphrodite, Ares, Hephaestus en Hestia. Daarvan zegt men dat die  Grieken nog niet beter wisten. Want tegenwoordig weet iedereen dat er geen goden leven op een bergtop, terwijl ze ook niet  ergens op de zeebodem verblijven.

Ik draai het om. Wij begrijpen de achtergrond van die verhalen niet meer. De priesters die deze volksverhalen hebben bedacht, hadden daarmee een duidelijke bedoeling. Alle Grieken kenden de berg Olympus en de zee, waardoor de in het geheim doorgegeven geschiedenis van de mensheid zodanig werd aangepast, dat de gewone mensen daarvan een voorstelling konden maken. Met die bedoeling werden de goden geplaatst op de hoogste berg die de Grieken kenden, ver verheven boven de mensenwereld. En de zee die van oudsher het symbool was van de levensbron waaruit alles is ontstaan, werd de woonplaats van de zeegod Poseidon. Het water van de zee had in die tijd een heel andere betekenis dan wij eraan geven, aangezien dat water hoorde bij de elementen vuur, lucht, water en aarde. En die hadden een zuiver wiskundige betekenis die niet meer bekend is, maar in de UG wordt verklaard. (De letters A, B, C en D van het assenmodel symboliseren die vier elementen). Bij die mythen ging het zodoende niet om kinderlijke fantasieën, maar om een eigentijdse poging om de mensen duidelijk te maken dat er een onmiskenbaar verband is tussen de mensen en de goden die enige tijd op de aarde hebben geleefd.

 

GODEN, HALFGODEN EN KONINGEN (HELDEN)

Hoewel het aantal goddelijk bewuste mensen gering moet zijn geweest (hun aanvoerder Semiaza sprak van 200), was hun kennis over de hele aarde verspreid. Zij konden immers schouwen en gaven hun inzichten steeds weer aan anderen door, waaronder ook de weten-schap hoe alles op de aarde tot ontwikkeling was gekomen. De goden gaven dat in de loop van onheuglijke tijden door aan de halfgoden, de halfgoden aan de koningen, en die weer aan de verst ontwikkelde mensen. Dat deze indeling in goden, halfgoden en koningen nog in de Oud-Egyptische en Oud-Griekse tijd bekend was, blijkt onder anderen uit een tekst in de tempel van Seti I in de boven-Egyptische stad Abydos. Deze farao uit de 19e dynastie regeerde van 1306-1290 v.Chr. In die tempel bevindt zich de beroemd geworden koningslijst die Seti 1 aan zijn zoon Ramses II toont.

 “Kijk mijn zoon”, zegt hij, “hier vind je de lijst van alle Egyptische koningen die begint bij Menes, de eerste koning van het dynastische Egypte”.

Die chronologie hebben de Egyptologen overgenomen, maar de tekst op de muur daarnaast wordt steevast genegeerd, terwijl daar geschreven staat dat lang vóór Menes de goden en halfgoden over Egypte regeerden. De Egyptologen die de oeroude door zeer lange tussentijden onderbroken Egyptische beschaving in een paar duizend jaar hebben geperst, geloven nu dat Menes de eerste farao was. Maar de hogepriester Manetho uit Heliopolis (3e eeuw v.Chr.) vermeldde dat er eerst goden en halfgoden in Egypte hebben gewoond, waarna er een serie koningen zonder naam was gevolgd. Die groep werd opgevolgd door een reeks Emphitische en Thynitische koningen. En pas helemaal aan het eind kwam het koningschap der dodengeesten en godenzonen. Dat waren de farao's uit de ons bekende Egyptische tijd, waardoor Menes niet 3000 v.Chr. leefde, maar vele honderdduizenden jaren geleden, zo niet nog veel langer.

Ook de Grieken maakten dat onderscheid tussen goden, halfgoden en koningen, met dit verschil dat de koningen in dat militair strak georganiseerde land als krijgers en helden werden voorgesteld. De twaalf (symbool van de complete eenheid) goden van de Olympus waren onsterfelijk, omdat zij zelfs in de beginperiode van de aarde geen stoffelijke vorm hadden. Daarvoor waren zij te ver ontwikkeld. De halfgoden vermengden zich in de oertijd met enkele vrouwen (als dat werkelijk zo is gegaan) en waren volgens de Griekse mythologie sterfelijk zoals de figuren Achilles en Ajax. Volgens een groot aantal andere overleveringen waren ze uitzonderlijk begaafd en hadden ze de mensen bekend gemaakt met de astrologie, de kosmologische wiskunde waar Plato naar verwees, de landbouw, de schrift enzovoorts enzovoorts. Als voorbeeld daarvan vermeldden oude Tibetaanse stanza’s dat Pesh-Hun alle sterrenkundige en kosmische cyclussen van de toekomst had berekend en vastgelegd, waarna hij deze wetenschap had onderwezen aan de eerste onderzoekers van het sterrengewelf. De hindoes noemen hem Narada. En van Asuramaya zegt men dat hij al zijn astronomische boeken op die aantekeningen heeft gebaseerd, en dat hij de duur van alle vroegere geologische en kosmische perioden en de lengte van alle toekomstige cyclussen tot het einde van deze planeet had vastgesteld. De berekeningen van de brahmaanse ingewijden aangaande de ouderdom van dit universum zijn daarop gebaseerd. Volgens die berekeningen bestaat de aarde in totaal ruim 4 miljard jaar, terwijl dit heelal 311.040.000.000.000 jaar bestaat, dat wil zeggen 20.000 maal zo oud als het nu is berekend door de wetenschap. 

Na deze halfgoden kwamen de koningen, van welke laatste groep één naam nog steeds bekend is. Dat is Hermes Trismegistos, de driewerf Grote. Driewerf omdat hij koning, priester en wijsgeer was.  Van hem is de regel van Hermes overgeleverd. In Egypte was zijn naam Toth. Dat hij de god was van de schrijfkunst, kan betekenen dat hij ooit een nieuw schrift heeft ontwikkeld. Dat Hermes-Toth ook de bewaker was van de goddelijke orde en de geheime kennis, blijkt weer uit de regel van Hermes 'zo boven zo beneden', waarvan de toepassing zelfs niet in de esoterie bekend is. Daarnaast kennen we ook het gezegde dat iets hermetisch is gesloten, totaal verborgen. Uit verschillende overleveringen blijkt dat deze koning geleefd moet hebben in een tijd dat Atlantis door zeer wijze koningen werd bestuurd. En vlak vóór de grote zondvloed (vele honderdduizenden jaren geleden) zou deze Hermes volgens Arabische overleveringen de bouwer zijn geweest van de grote piramide in Gizeh.

Dat de evolutie in deze visie totaal anders is verlopen dan wij nu denken, werd destijds bevestigd door Plato die daarover het een en ander had vernomen van zijn voorouder Solon. Die staatsman had destijds de wetten van de stadstaat Athene vastgelegd en was daarna naar Egypte gegaan. De priesters uit dat land hadden hem toen het volgende gezegd:

GEHEIMHOUDING

n latere tijden toen de geestelijke leiders niet meer van nature schouwden maar dat moesten leren, werd de goddelijke kennis op sommige plaatsen in het geheim opgeschreven op kleitabletten en koeienhuiden of gegraveerd in metaal. Daarnaast werden die teksten mondeling en soms zelfs zingend overgedragen en daarbij opgetekend in de vorm van symbolen. Pas veel later in de Griekse tijd werden brokstukken van die verhalen geopenbaard en in tekst opgeschreven, vaak aangevuld met latere gebeurtenissen uit Atlantis. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de kleine David die de reus Goliath versloeg. Dat bijbelse verhaal symboliseert de verdwijning  van de reuzen waarna de mensheid veel kleiner werd. In bepaalde tijdperken en gebieden was die kennis zo geheim, dat men ter dood werd veroordeeld als men daarover sprak. De Griekse mythologie vertelt in het schitterende verhaal over Tantalus dat hij door Zeus was uitgenodigd om bij de Olympische goden te eten. Zeus openbaarde hem toen een reeks goddelijke geheimen die Tantalus weer aan zijn vrienden vertelde. Daarnaast stal hij nectar en ambrozijn, het godenvoedsel dat het geheim van onsterfelijkheid bevatte. Als straf daarvoor werd hij eeuwig veroordeeld tot het verblijf in de onderwereld. Daar stond hij tot aan zijn kin het water, maar als hij wilde drinken zakte het water omlaag. Boven zijn hoofd hingen rijpe ruchten, maar de wind waaide ze steeds weg. De lezer zal nu wel begrijpen wat de meest oorspronkelijke betekenis van dit verhaal is geweest. Middenin zien we Sisyphus en rechts Ixion die allemaal iets hadden verraden en daarmee tegen de wil van Zeus waren ingegaan. 

Veel milder waren de sigalions, die in verschillende Egyptische tempels stonden. Dat waren beeldjes van de god Harpocrates die altijd met een vinger naar zijn mond wees om de lippen als het ware geheimvol te sluiten. Tot zover een inleidende schets van de ontwikkeling van de mensheid, welke schets aannemelijk wil maken dat er in de oudheid mensen hebben geleefd die veel verder ontwikkeld waren dan wij ons in de verste verte kunnen voorstellen.

de geheimhouding verdwijnt

Tot besluit van dit gedeelte herhaal ik wat al eerder is gezegd. De Grieken waren de laatste zoekers die nog in het oude Egypte konden worden ingewijd, waarna de wereld werd afgesneden van de universele leer en daarmee volledig aan zichzelf werd overgeleverd. Dat proces was natuurlijk al lange tijd daarvoor in gang gezet. Toen de joden bijvoorbeeld uit de Babylonische ballingschap werden bevrijd (539 v.Chr.), hebben enkele mensen waaronder Ezra en Nehemiah zich grote moeite getroost om allerlei overleveringen te verzamelen, waaronder de thora (= wet). Aanvankelijk bestond de thora alleen uit de eerste vijf bijbelboeken, de wetboeken van Mozes. Maar later werden daar de andere boeken (Profeten en de Geschriften) aan toegevoegd, waarmee de joodse Tenach ontstond, het Oude Testament van de christenen. Die toevoeging ging niet vanzelf, omdat er in die periode grote meningsverschillen waren tussen de verschillende groeperingen. Enerzijds waren er de kabbalisten die de oorspronkelijke betekenis van de thora streng geheim hielden.

 

Daarnaast waren er in Palestina groeperingen die geen geheimhouding kenden en betrekkelijk weinig of zelfs helemaal niets meer van de kabbala wisten. Als u daarover iets wilt weten, dan leest u dan de tekst hieronder.

Onenigheid is er altijd geweest. Daarop wil ik nu niet wijzen. Hier gaat het alleen om de gedachte dat men grofweg na de 4e eeuw v.Chr. niet meer konden worden ingewijd in Egypte. Daardoor brak er voor het eerst in de evolutie een fase aan waarin de verbinding tussen de universele leer en de leiders van het volk volledig was doorgeknipt. Dat bedoelde ik hiervoor met de opmerking dat het volk toen in godsdienstig opzicht volledig aan zichzelf was overgeleverd.

 

D     christendom, wetenschap en esoterie

Godsdienst

Die situatie leidde ertoe dat eerst de joden, daarna de christenen en nog weer later de mohammedanen hun eigen godsdiensten gingen creëren op basis van een aantal brokstukken van de universele leer, overleveringen die aan de geheimhouding waren onttrokken en niet meer goed begrepen werden. Daarbij gaat het niet alleen om Adam, Eva, Abraham, Mozes, Aaron  en vele anderen, maar zelfs om de figuur Jezus die werd vergoddelijkt tot de Zoon van de Vader.

 

    In de loop van een paar concilies werden allerlei brokstukken van de universele leer plus enkele overgeleverde niet meer begrepen uitspraken en gelijkenissen van Jezus tot heilige dogma's verheven, waarna de mensheid gedwongen werd om daarin blindelings te geloven. Het geloof werd daarmee de hoogste waarde onder het mom dat het anders na de dood slecht met ons afloopt, omdat de duivel je dan in de greep krijgt. Was Paulus nog echt begeesterd, de latere kerkleiders hongerden vaak naar macht en misbruikten toen de visie van Plato in hun persoonlijke voordeel. Plato had in zijn verhaal van de grot gesproken van het gewone en het goddelijke bewustzijn dat schouwt (zie hieronder).

     De latere bisschoppen vertaalden dit mooie verhaal zodanig in hun voordeel, dat het goddelijke bewustzijn alleen gevonden werd bij de kerkleiders, die daardoor blindelings gehoorzaamd moesten worden. In die trant schreef de “verlichte” paus Pius X nog maar een eeuw geleden (1906) dat het volk geen ander recht heeft dan te aanvaarden dat het geleid wordt, waardoor een ieder met onderwerping de bevelen moet volgen van Rome.

Wetenschap

Paus Pius X mocht een eeuw geleden nog de illusie hebben gedroomd dat hij de plaatsvervanger was van Jezus op aarde, al vier  eeuwen voor die tijd waren de meest vooruitstrevende mensen zich gaan realiseren dat de mens het vermogen heeft om onderzoek te doen en daarbij in staat is om zelfstandig over de dingen na te denken. De beroemde filosoof Descartes ondernam toen een eerste poging om het goddelijke en de wereld te scheiden. Zijn uitgangspunt was de constatering dat de mens kan denken, wat ertoe leidde dat de mens kon gaan bepalen wat de werkelijkheid is. Enige tijd daarna kwam het positivisme tot ontwikkeling, welke richting de wereld zodanig wilde onderzoeken, dat de natuur zelf op onze vragen een zinnig antwoord geeft. Als gevolg van dat uitgangspunt werd alle filosofie, theologie, normatieve kennis en ethiek afgezworen. Het daarop aansluitende materialisme vond zijn oorsprong in de ontdekking van Mayer dat de aan de materie ten grondslag liggende energie eeuwig behouden blijft. Vormen gaan weliswaar in elkaar over, maar dat leidt niet tot vermeerdering of vermindering van die energie. Daardoor leek de stof eeuwig uit zichzelf te bestaan, in plaats van door God geschapen te zijn. En hoewel deze standpunten al aardig gerelativeerd zijn, wordt de filosofie over het goddelijke nog steeds afgezworen en zelfs onmogelijk geacht.

Esoterie

In reactie op het atheïstisch-materialisme van de wetenschap werd de theosofie rond 1875 gegrondvest door de Russin Blavatsky en haar Amerikaanse helper Olcott. In het begin kwam die beweging op een uiterst positieve wijze tot ontwikkeling, waarna de onvermijdelijke problemen optraden die zich vooral op de persoon Blavatsky richtten. Na haar dood kwam er nog meer kommer en kwel, mede waardoor de theosofische beweging in verschillende takken uiteenviel. Gelijktijdig maakte de antroposofie (= de leer van het menselijke) zich onder de bezielende leiding van Rudolf Steiner in Duitsland los van de moederbeweging, terwijl de bijna gestorven rozenkruisersleer door al deze ontwikkelingen nieuw leven werd ingeblazen. Hoe dramatisch die versnippering was van de universele leer, blijkt wel uit de kleine rozenkruisersbeweging die in nog meer groeperingen uiteenviel dan de theosofie. De eenheid die op dat esoterische gebied wordt nagestreefd, is zodoende een wonderschone schijn die op schitterende zeepbellen is gebaseerd. Wat dat betreft is het typerend dat de Tibetaanse leraren va Blavatsky dat uiteenvallen hadden voorspeld. Het was zodoende misschien wel terecht dat de brahmaanse priesters in India die nog over enige geheime kennis beschikten, de westerlingen van de 19e en 20e eeuw mlechcha’s ofwel barbaren noemden. Dat laatste kunnen we in ieder geval niet ontkennen waar het ging om de ariosofie [= de wijsheid der Ariërs] die uit de theosofie tot ontwikkeling kwam en in Oostenrijk en Duitsland ontspoorde in de verachtelijke leer van de Nazi’s. Door die leer werd in Oostenrijk en Duitsland de haat tegen de joden gelegaliseerd, omdat zij in Atlantis al een mislukt volk zouden zijn geweest en 2000 jaar geleden Christus hadden gekruisigd.

Als wij deze ontspoorde tendens negeren, vertegenwoordigen de theosofie, de antroposofie en de rozenkruisers in het westen de voorheen verborgen esoterische leringen.  En dat beoordeel ik als een groot probleem dat zelden als zodanig wordt herkend. Want los van de vaagheid die niet meer bij deze tijd hoort, doet zich het bijna onoverkomelijke probleem voor dat de meeste informatie is gebaseerd op de waarnemingen van helderzienden die meer vermogend waren dan wij. Daardoor kan die informatie niet geverifieerd worden, zodat er niet veel anders overblijft dan de bestudering van de esoterische leerstellingen op basis van het goede gevoel en blind vertrouwen.

       Blavatsky          Leadbeater        Besant

Dat zou misschien nog een optie zijn geweest als die helderziende personen allemaal tot dezelfde conclusies waren gekomen. Maar dat was niet het geval, wat met een groot aantal voorbeelden kan worden aangetoond. Zo heeft Blavatsky onder leiding van haar Tibetaanse leraren altijd gezegd dat het onmogelijk is om na de dood met de overleden persoonlijkheid in contact te komen. Dat ligt niet zozeer aan de beperkte kwaliteiten van de meeste helderziende waarnemers, maar primair aan de situatie dat de mens na de dood niet meer dezelfde is. Volgens de UG vindt er dan een desintegratieproces plaats, dat ertoe leidt dat de mens in één opzicht naar een hoger gebied gaat en in een ander opzicht opnieuw geboren wordt. Dat heeft tot gevolg dat de overledene door niemand meer kan worden waargenomen, en al helemaal niet  in dezelfde toestand verblijft waarin die op aarde was. Haar opvolgers Leadbeater en Besant hebben dat nooit goed begrepen, wat onder anderen blijkt uit het feit dat ze wel met overleden mensen konden communiceren. En dan gaat het niet in de eerste plaats om de vraag wie er gelijk had, maar om het inzicht wat er na de dood gebeurt. Want alleen op basis van dat inzicht kan er een zinvol standpunt worden vertolkt. Daarbij ontstaat de vraag hoe we dat inzicht kunnen verwerven als we niet helderziend zijn? En veel algemener luidt de vraag: "Hoe kunnen we ons op een verantwoorde eigentijdse wijze gaan verdienen in al die vraagstukken die nergens worden beantwoord, zelden serieus worden genomen, welke vraagstukken men veelal esoterisch noemt?"

E     de grondgetallen van de ug

patstelling of UITweg?

Op de vraag: "Is er sprake van een onoplosbare patstelling of een uitweg?" kan niemand een bevredigend antwoord geven die zich niet weet te bevrijden van alle belemmeringen die er schuilgaan in het huidige door vrijwel iedereen aanvaarde wereld- en mensbeeld. Wie daar geen afstand van kan/wil nemen en daarbij ook geen behoefte heeft om dat kritisch te beoordelen, zal nooit uit zichzelf tot het inzicht kunnen komen dat het huidige wereld- en mensbeeld een vicieus in zichzelf besloten karakter heeft. Daarmee bedoel ik dat het binnen de uitgangspunten van de moderne wereld- en mensbeschouwing ten ene male onmogelijk is om een groot aantal onopgeloste vragen op te lossen, in welk opzicht er sprake is van een niet herkende en daardoor niet erkende mondiale patstelling. Naar mijn inzicht kan (en zal) die vicieuze patstelling alleen worden doorbroken door reeksen nieuwe wetenschappelijke inzichten die het huidige wereldbeeld stapje voor stapje ondergraven. Niemand zal willen ontkennen dat allerlei ontwikkelingen razendsnel verlopen. Maar hier gaat het niet alleen om meer kennis, het gaat hier om een mondiaal bewustwordingsproces dat bepaalde inzichten simpelweg nog niet kan assimileren. Die ontwikkeling verloopt zo traag, dat we nog heel lang kunnen wachten op een toenadering tot de uitgangspunten van de universele leer. In dat opzicht biedt de UG een uitweg aan iedereen die de voorgaande visie onderschrijft.

een vast verdelingspatroon

De denk-en werkwijze van de UG is gebaseerd op het uitgangspunt dat alles in het universum volgens een vast concept is opgebouwd. De wetenschap heeft ontdekt dat de kleinste deeltjes in dit universum zijn verbonden tot grotere deeltjes, waardoor er een opbouwreeks bestaat van subatomaire deeltjes, atomen, moleculen, cellen en lichamen, waarna die reeks lijkt te stoppen, maar daarna gewoon verder gaat met de hemellichamen, de zonnestelsels, de melkwegen en dit heelal. De UG werkt in dat verband een model uit waarin die opbouwreeks nergens is onderbroken en vloeiend doorloopt vanaf de minst ontwikkelde eenheid tot aan het universum als één geheel. In die visie bestaat er ook nog een onzichtbare niet stoffelijke werkelijkheid die op exact dezelfde wijze is opgebouwd. Toch is er wel verschil. Want de stoffelijke werkelijkheid kan worden onderzocht, terwijl dat niet mogelijk is met betrekking tot de onstoffelijke werkelijkheid. Gelukkig kan die wel heel goed in kaart gebracht worden, omdat het universum volgens een vast herhalingspatroon uit NIETS en Niets is ontstaan. Als gevolg daarvan zijn de stoffelijke en de onsterfelijke werkelijkheid op dezelfde wijze gestructureerd en integraal met elkaar verbonden. Daarbij zeggen de universele leer, Pythagoras, Plato en de logica van de UG dat het universum uit God is ontstaan. En omdat God in niets gelijk is aan het universum, zegt de UG dat het universum volgens alle berekeningen uit Niets is ontstaan.

Pythagoras

In de 6e eeuw v.Chr. vertelde Pythagoras (die grondig was ingewijd in Egypte) aan zijn leerlingen dat de goddelijke bron wordt weergegeven als het op zichzelf staande getal 1. Daarmee bedoelde hij dat de 1 zonder andere getallen geen getal is, omdat je er dan niet mee kunt tellen. In dat opzicht vergeleek hij God de schepper met het op zichzelf staande getal 1 en sprak daarbij van de monade (één, uniek). Toen de monade (God) zich openbaarde, werd hij de scheppende dyade, de tweevoudigheid van het mannelijke en vrouwelijke beginsel. En uit die verbinding kwam de triade te voorschijn, de essentie van de drievoudige wereld der tijdruimtelijke verschijnselen. Tot besluit symboliseerde de tetrade (viervoud) de schepping van de stof in vier fasen door de elementen vuur, lucht, water en aarde. Daarbij schijnt hij gezegd te hebben dat wie tot 4 kan tellen, alles begrijpt. Dat klinkt absurd, maar in essentie had hij gelijk, wat hierna vanzelf duidelijk wordt. 

De lezer zal misschien begrijpen dat zijn benadering van de goddelijke Monade (de eenheid die niet geteld kan worden) in essentie niet afwijkt van de opvatting dat God NIETS en ALLES tegelijk is; zie de kernpunten 6 en 7 van het goddelijke. Zowel het op zichzelf staande getal als NIETS en ALLES kunnen niet worden geteld en vallen daarmee buiten de wereld der verschijnselen. Pythagoras gaat daarna verder en stelt dat de schepping uit de monade is ontstaan door een delingsproces, waarbij hij spreekt van een mannelijk en vrouwelijk beginsel. Wat hij daarmee bedoeld moet hebben, wordt duidelijk als we de monade vervangen door het woord mens en daarbij denken aan het getal 1. Er bestaat immers maar 1 mensheid. Daarna realiseren we ons dat de mensheid in polair opzicht geslachtelijk is, ofwel mannelijk en vrouwelijk, waardoor het getal 2 bij de geslachtelijkheid hoort. De bijbel doet dat ook. Want de mens Adam waaruit alles is ontstaan komt dan overeen met de eenheid die niet geteld kan worden, terwijl Adam en Eva daaruit zijn ontstaan. Het grappige is dat Adam en Eva drie kinderen kregen, terwijl Pythagoras het 3-voud (triade) laat ontstaan uit het 2-voud (dyade).In ons voorbeeld kunnen we zeggen dat de mensheid zou uitsterven als er alleen mannen en vrouwen zouden zijn. Daarom gaan die mannen en vrouwen een verbinding aan opdat er kinderen kunnen komen. Daaruti kunnen afleiden dat de polariteit man-vrouw statisch is, terwijl de drie-eenheid van het gezin (vader, moeder, kind) een levensgemeenschap is, waardoor de begrippen vruchtbaarheid, leven en ontwikkeling bij het getal 3 horen. Toch zou de mensheid ook dan nog uitsterven, waardoor de kinderen evenals de ouders verdeeld moeten worden in de mannelijke jongens en de vrouwelijke meisjes. Pas dan kan de mensheid doorontwikkelen, in welke vergelijking Pythagoras sprak van vuur (vader),  lucht (jongen), water (meisje) en aarde (moeder). Bij het getal denken we dan ook aan evolutie, ontwikkeling, wat in de oudheid werd weergegeven door de wieken van de molen, de swastika. Omdat dit verdelingspatroon voortdurend werd herhaald, ontstonden in eerste instanatie het 7-voud en 12-voud uit dit 4-voud, waarna uiteindelijk het universum tot wording kwam. Daarom: "wie tot vier kan tellen, begrijpt alles".

Plato

De school van Pythagoras in Crotona (Italië), had een geheel ander doel dan de academie van Plato in Athene, de eerste academie ter wereld. Pythagoras die zo'n anderhalve eeuw voor Plato leefde, wijdde zijn leerlingen in die hun hele leven bij elkaar bleven wonen in dezelfde gemeenschap. Ook echtparen. Daarbij leerden zijn leerlingen te schouwen, wat hij epifaneia noemde, de verschijning van het goddelijke bewustzijn. Plato noemde dat epopteia, overpeinzing ofwel begripsaanschouwing. Maar in tegenstelling tot zijn voorganger, wijdde Plato niet in en vertelde zelfs niets van de leer der ingewijden. Hij besprak en doceerde alleen de aspecten van die leer die hij kon openbaren. Dat wij zodoende niets weten van zijn meest diepzinnige inzichten, blijkt uit het volgende.

Toch blijkt uit alles dat zijn leer niet afweek van de wiskunde van Pythagoras. Met grote moeite was hij er bijvoorbeeld in geslaagd om een boekje in handen te krijgen dat afkomstig was van de school van Pythagoras, wat er waarschijnlijk toe heeft geleid dat hij in de openbaarheid vrij uitgebreid is ingegaan op de samenhang van de getallen 1, 2, 3 en 4.

de getallen, 1, 2, 3 en 4

Volgens Plato is het vrijwel onmogelijk om de maker en de Vader van de kosmos te ontdekken, terwijl de grondstructuur van het universum wel met de denkende geest doorgrond kan worden. Dat uitgangspunt sluit niet aan bij de hedendaagse opvatting, maar wordt wel door de UG onderschreven en uitgewerkt. Plato zegt daarna dat het universum uit de polariteit  vuur - aarde is ontstaan, terwijl Pythagoras sprak van mannelijk (vuur) en vrouwelijk (aarde). Tijdens de volgende stap werd deze tegenstelling verbonden door een middelaar, waarmee het 3-voud ontstond, de triade van Pythagoras. En daarna blijkt dat er in de 3-dimensionale ruimte sprake is van een dubbele middelaar die uit lucht en water bestaat, de tetrade van Pythagoras. Daarmee krijgen we weer het gezin dat uit een vader (vuur), een moeder (aarde), jongens (lucht) en meisjes (water) bestaat. Hieruit kunnen we afleiden dat ook Plato indirect verwees naar de swastika, terwijl niemand kan ontkennen dat Plato er heel goed in is geslaagd om zijn ware bedoelingen geheim te houden. Niemand gelooft immers nog in de waarde van die indeling in elementen. Hetzelfde geldt voor de geheimhouding van de bijbel. In de 12e eeuw schreef Maimonides, de belangrijkste joods-kabbalistische denker uit de middeleeuwen: “Wie de ware zin van Genesis ontdekt, behoort zorg te dragen die niet te onthullen, en wel voor alles ten aanzien van het werk der zes dagen.” Welnu, ook dat is gelukt, want geen christen realiseert zich dat het scheppingsverhaal pure astrologie is. 

De eerste dag zei God: Er zij licht en er was licht.                      

vuur

 

De tweede dag zei God: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren en God scheidde de wateren die onder het uitspansel waren van de wateren die boven het uitspansel waren.

lucht en water

 

De derde dag zei God dat de wateren onder de hemel op één plaats samenvloeien en het droge worden. En God noemde het droge aarde.

aarde

 

Hieruit blijkt dat de leer van Plato exact overeenkomt met het scheppingsverhaal uit de bijbel.

Men mag dan denken dat de bijbelse volgorde vuur, lucht, water, aarde niets te maken heeft met de astrologische volgorde van de elementen vuur, aarde, lucht en water, maar dat is wel zo. Vergelijk de volgorde vader (vuur), zoon (lucht), dochter (water) en (moeder), maar eens met de volgorde vader (vuur), moeder (aarde), zoon (lucht) en dochter (water).  Plato vermeldde beide volgorden, en niet zonder een duidelijke bedoeling. Maar hoe het ook zij, mede dankzij de leer van Pythagoras en Plato ben ik erin geslaagd om iets meer van de ware zin van Genesis te ontdekken en de bijbel met de UG te verbinden. Dit viertal bestaat uit twee polariteiten die in structureel opzicht de grondslag vormen van het universum. Enkele voorbeeldden daarvan zijn het hart (1) dat bestaat uit boezem en kamer (2), terwijl er 2 boezems zijn en 2 kamers (4). Ons lichaam (1) bestaat uit armen en benen (2), terwijl er een linker- en een rechterarm is, een linker- en een rechter been (4). Heel gemakkelijk vindt u zelf wel 20 andere voorbeelden waar we dagelijks zo onnadenkend aan voorbij gaan. Een simpel voorbeeld: ons lichaam bestaat uit hoofd, romp en ledematen (3), terwijl de romp bestaat uit de buik en de borst (4). 

Als we dan willen begrijpen hoe dit viertal tijdens het eerste moment van de schepping uit niets is ontstaan, denken we zoals gezegd weer aan iemand die geen geld heeft (0) en toch aan geld  kan komen als hij dat gaat lenen. We moeten vuur dan vergelijken met het geleende geld (+), terwijl de aarde overeenkomt met de schuld (-). Gelijktijdig zei Plato dat vuur en aarde door een derde factor ofwel middelaar zijn samengevoegd, terwijl de UG stelt dat er in energetisch opzicht sprake was van een krachtveld dat in staat was om die beide polen te verdelen en daarna met elkaar in evenwicht te houden; zie de kernpunten van het universum aan het begin van deze pagina. Die middelaar van Plato komt in die vergelijking dus met dat krachtveld overeen. En wat het geld betreft, zouden we die middelaar ofwel dat krachtveld kunnen vergelijken met de acties die iemand gaat ondernemen met dat geleende geld. We hebben dan een triade die bestaat uit bezit, schuld en acties, terwijl we een tetrade krijgen als we die acties verdelen in geld uitgeven en geld ontvangen. En zo begint het steeds duidelijker te worden. De scheppingsverhalen uit de bijbel en de overleveringen van Pythagoras en Plato vertellen iets van de grondstructuur van de schepping en het universum.

Vooruitlopend op wat er nog wordt besproken, wijs ik erop dat de 3-voudige oerindeling overeenkomt met de indeling in geest, ziel en stof. De geest is namelijk zuiver bewustzijn (eenmakend) terwijl de stof vorm geeft (scheidend). De ziel is de bemiddelende krachtbron die alles in dit universum doet bewegen, ontwikkelen en evolueren. Daarom geloven de hindoes in hun 3-voudige godheid Brahmâ (zuivere geest),  Shiva (de bron van de stof) en Vishnu, de bezielende kracht in dit universum. Maar zoals de christen niets van het scheppingsverhaal begrijpt, weet geen hindoe waarom er drie goden zijn. Ook dat hebben de priesters enkele duizenden jaren geleden bedacht om het volk enig houvast in handen te geven.

De getallen 7, 9 en 12

Na deze inleiding waarbij we de bekende paden hebben gevolgd, moeten we zelf de weg gaan uitzetten. Want als de schepping niet verder was gekomen dan dit 3-tal en 4-tal, was er nooit iets ontstaan. Daarom onderzoeken we nu hoe hieruit de getallen 7 en 12 zijn ontstaan. De esoterie is immers gebaseerd op de gedachte dat er buiten de stoffelijke werkelijkheid nog 6 andere dimensies zijn, terwijl het 7-tal als heilig werd beschouwd en ook in tal van andere situaties wordt genoemd. Zo kende men in de oudheid 7 planeten, terwijl het aantal dagen van de week daarvan is afgeleid. Denk daarbij aan de zon-dag, de maan-dag, dinsdag (Martis = Mars), woensdag (Wodan = Mercurius), donderdag (Donar = Jupiter), vrijdag (Freia = Venus) en zaterdag (Saturnus). Verder is de dierenriem van de astrologie gebaseerd op het getal 12,  waaruit we zouden kunnen afleiden dat het 3-tal en het 4-tal op hun beurt werden onderverdeeld in drie stukken, waarbij er een 9-tal en een 12-tal is ontstaan. Dat 12-tal klopt wel, omdat de dierenriemtekens bestaan uit 3 vuurtekens, 3 aardetekens, 3 luchttekens en 3 watertekens, maar het 9-tal is geen 7-tal. Toch is dat wel zo, omdat mij uit een verdere analyse is gebleken dat er een onbekend verband is tussen het 7-tal en het 9-tal, welk verband een geheel nieuw en onbekend inzicht geeft in de grondstructuur van het universum. Natuurlijk is er uiterlijk een verschil tussen het 9-tal van het 7-tal. Maar in structureel opzicht zijn ze gelijkwaardig, met dit verschil dat het 9-tal een verband laat zien dat in het 7-tal verborgen gaat. Wat ik daarmee bedoel kunt u heel gemakkelijk begrijpen als we het 3-tal en het 4-tal vergelijken. De indeling in vader, moeder en kinderen (3) is dezelfde als de indeling in vader, moeder, zoon en dochter, terwijl er toch een verschil is, omdat de kinderen in jongens en meisjes worden verdeeld. Hetzelfde doet zich voor als we het 7-tal en het 9-tal naast elkaar zetten, in welk opzicht het 9-tal dus iets verder is uitgesplitst. En zoals het 4-tal uit het 3-tal is ontstaan, is het 12-tal uit het 9-tal ontstaan. Daardoor gaat er in het 9-tal een verband verborgen dat alleen in het 12-tal zichtbaar is. Aldus blijkt het mogelijk te zijn om van elk 7-tal in de natuur een 9-tal te maken, terwijl we daarvan weer een 12-tal kunnen maken. En in omgekeerde zin kunnen we van een 12-tal een 9-tal maken, en daarvan weer een 7-tal, met dien verstande dat er daarbij steeds wat informatie verloren gaat.

Die verborgen verbanden worden nu niet besproken, hoewel de creatieve lezer misschien in staat is om de 7 kleuren van de regenboog te verdelen in 3 groepen van 3 kleuren en daarna in 12 kleuren. Verder weten we dat er 7 tonen zijn in een octaaf, terwijl de piano voor elk octaaf 7 witte toetsen en 5 zwarte toetsen heeft. Kijken we alleen naar de witte toetsen dan zijn er 7; kijken we naar alle toetsen dan zijn er 12 per octaaf. Ook deze muzikale samenhang is volgens de regel van Hermes afgeleid van de meest oorspronkelijke deling tijdens de schepping. Zie hieronder de verborgen samenhang van deze getallen:

1      2     3                 vader   -        kind     -      moeder

1    2-3    4                vader-   jongen/meisje-   moeder

 

1         2         3         4        5          6         7

1         2       3-4        5       6-7        8         9

1       2-3      4-5      6-7      8-9    10-11    12

Hoe nu verder, want er bestaat geen enkele aanwijzing waaruit afgeleid kan worden hoe dat delingsproces werd voortgezet. Gelukkig zegt het gezonde verstand ons dat die delingsprocessen op dezelfde wijze moeten zijn doorgegaan, waardoor ik ben gaan puzzelen en uiteindelijk een model vond dat getoetst kon worden aan de werkelijkheid waarin we leven. Toen dat mogelijk bleek te zijn en zelfs tot verrassende inzichten leidde, begreep ik dat er in totaal 3 delings/verbindingsprocessen zijn geweest. Daarmee bedoel ik dat het 9-tal nog een keer verder werd verdeeld, waarna de grondstructuur van dit universum was ontstaan, die vervolgens nog weer verder werd onderverdeeld toen alles tot ontwikkeling kwam. En zo gaat het altijd weer om het getal 3. In feite om de getallen 3 en 4.

F     De wiskunde van de UG

Wiskunde en wiskunde

Nadat we deze getallen hebben gevonden, komen we niet verder als we daarmee doorgaan. We kunnen het getal 9 in drieën verdelen en krijgen dan 27, terwijl we 36 krijgen als we het 12-tal verdelen. Maar als we zo verder gaan, levert ons dat geen nieuwe inzichten meer op. Er is maar één mogelijkheid om verder te komen. We moeten nu gaan nadenken over de vraag wat de functie was van de wiskunde in de oudheid. In dat verband is het opvallend dat de ingewijden altijd wiskunde bestudeerden. Daarbij noem ik de drie voorbeelden, waarbij ik volledigheidshalve vermeld dat de druïden de ingewijde priesters waren van de Kelten, het volk dat hier leefde voordat de Romeinen heel Zuid- en Midden-Europa in hun greep kregen. Deze druïden waren deelwijze nog in het bezit van de universele leer, waarbij hun kennis van het verleden terugging naar ontwikkelingen die vele miljoenen jaren terugliggen. De Romeinen en de christenen zijn erin geslaagd om die cultuur met wortel en al uit te roeien.

De Keltische priesters kenden drie standen:        barden, ovaten en druïden
Zij bestudeerden:                                                   wiskunde, geneeskunde, kosmologie en astronomie

 

Pythagoras kende drie opleidingsgraden:             toehoorders, innerlijken en volmaakten  
Hij onderwees:                                                       wiskunde, rekenkunde, muziek en astronomie

 

Plato onderscheidde:                                             boeren, soldaten en wijsgeren

Hij onderwees                                                        wiskunde, filosofie, retorica en biologie

 

En altijd was dat viertal gebaseerd op de elementen vuur, aarde, lucht en water.

Van Pythagoras kennen we de stelling van Pythagoras en van Plato weten we dat hij boven de ingang van zijn academie de volgende tekst had geplaatst: "Wie geen aanleg heeft voor de meetkunde, trede hier niet binnen". Op zich is dat wel begrijpelijk, want ook in deze tijd gaan we geen wiskunde studeren als we daarvoor geen aanleg hebben. Veel belangrijker is echter het essentiële verschil tussen de wiskunde van de ingewijden en de moderne wiskunde. Tegenwoordig bestudeert men de wiskunde alleen om op basis daarvan allerlei berekeningen te kunnen maken. Maar in die tijd was er geen enkel verschil tussen de wiskunde, de wijsbegeerte en de godsdienst, waardoor men die wiskunde alleen bestudeerde om meer inzicht te krijgen in de goddelijke planning. En als wij voor ons doel het goddelijke weglaten, gaat het om de structuur en de functies van alle eenheden waaruit de kosmos bestaat. 

De wiskunde van Plato

In concreto weten we van Plato dat hij vijf symmetrische figuren heeft beschreven en die had verbonden met de vier elementen. Dat was dan ook de enige reden dat ik jarenlang heb getuurd naar de onderstaande figuren.

 

                  Vuur

                 Aarde 

           Lucht

                    Water

                 Ether

Voor mij waren die Platonische figuren belangrijk, omdat hij ze had verbonden met de elementen vuur, aarde, lucht en water, terwijl de vijfde figuur met de ether was verbonden. De koppeling van die symmetrische figuren met de vier respectievelijk vijf elementen maakt in deze tijd bepaald geen indruk, omdat wij geloven dat Plato daarmee niet anders bedoelde dan de natuur. Daarvan zegt men bijvoorbeeld dat er ook plasma bestaat naast de gassen, vloeistoffen en vaste stoffen, waarmee men erop wijst dat de ouden nog niet veel van de natuur konden begrijpen. Voor een deel is dat juist. Maar wie dat zo gemakkelijk zegt, toont daarmee aan dat hij Plato niet heeft gelezen. Hij schreef namelijk heel duidelijk dat dit vuur geen echt vuur is, dat deze aarde geen echte aarde is, terwijl dat ook geldt voor deze lucht en dit water. Die elementen verwijzen wel naar de stoffelijke werkelijkheid, maar stonden in feite symbool voor veel meer dan dat alleen. En dat meerdere wilde ik weten, terwijl de diepere betekenis ervan maar niet tot mij doordrong. Ik wist wel dat de gulden snede erin voorkomt, maar dat was slechts bijzaak. Het belang ervan moest veel groter zijn. Mijn onwetendheid, pure wanhoop en frustratie leidden er uiteindelijk toe dat ik die figuren losliet, waarmee ik gedwongen werd om mijn eigen weg te gaan, nooit twijfelend aan de verborgen waarde van deze wiskundige benadering.

De grondslag van de oudste wiskunde ter wereld

Het enige figuur die overbleef en waaraan ik steeds dacht was de bolvorm van de aarde en alle andere hemellichamen. En dat bleek voor mij de juiste ingang te zijn. Iedereen weet dat een bol bestaat uit drie elementen, het middelpunt, de straal en de bolomtrek, terwijl we op papier een cirkel tekenen in plaats van een bol. In die figuur herkende ik het getal 3, terwijl er zelfs sprake is van een 4-tal. Zie de tekening en het rijtje hieronder. Daarom vermoedde ik dat deze figuur de basis was van de wiskunde der ouden, terwijl de regelmatige figuren waarnaar Plato heeft verwezen een paar stappen complexer zijn. Een verdere uitwerking als het ware. En dat bleek juist te zijn.

middelpunt             verbindingslijn          omtrek

middelpunt            straal - middellijn       omtrek

Toen ik over deze basisfiguur nadacht, drong het tot me door dat het middelpunt wel getekend wordt, maar in feite niets is. Een punt heeft immers geen dikte en neemt daarom geen ruimte in. Wie dit niet direct begrijpt, wijs ik erop dat het middelpunt bij alle berekeningen wordt genegeerd. Alleen de straal bepaalt de doorsnede van de cirkel. En omdat de maataangevende straal het middelpunt met de omtrek, verbindt, blijft er niets over voor het middelpunt en de omtrek. Het middelpunt stellen we ons voor als een heel klein bolletje. Maar in werkelijkheid mogen we niets eens zeggen dat het oneindig klein is. Want omdat het geen maat heeft, bestaat het niet eens. En als we dan naar de omtrek kijken, tekenen we die als een lijn. Maar omdat die lijn geen dikte heeft, mogen we niet zeggen dat hij oneindig smal is. Hij bestaat niet eens. Daarmee zijn het middelpunt en de omtrek beginselen die de ruimte begrenzen en niet in de ruimte bestaan. Deze verhouding is zo opvallend, dat het ineens tot mij doordrong dat het middelpunt volgens de regel van Hermes 'zo boven zo beneden' een afschaduwing moet zijn van het NIETS-aanzicht van God. En de niet in de ruimte bestaande bol die alles omvat kan niet anders zijn dan het ALLES- aanzicht van God. De straal die het middelpunt (NIETS) verbindt met de omtrek (ALLES) vertegenwoordigt zodoende de ruimtelijke werkelijkheid. En met die vondst besefte ik dat het verband tussen de wiskunde, de godsdienst en de wijsbegeerte was herontdekt. De grondslag van de UG was gevonden. Gelijktijdig drong het tot mij door dat deze kennis in de oudheid supergeheim was, omdat dit soort inzichten zuiver gehouden moesten worden. En nu kan dit gewoon worden opgeschreven, zonder dat men het serieus kan nemen. Geen enkele godsdienst kan dit accepteren, en de wetenschap is er nog niet aan toe om dit te accepteren. Toch is dat de enige plaats waar er ruimte kan ontstaan om de niet inschatbare waarde van dit verband tussen de wiskunde, de godsdienst en de wijsbegeerte te overwegen.  Zoals ik al eerder heb opgemerkt, heeft het geen enkele zin om daarop te wachten. Ook al omdat we heel gemakkelijk verder kunnen. Om te beginnen is het niet zo erg moeilijk om de juiste elementen erbij te plaatsen (in de astrologische volgorde). 

middelpunt           straal            middellijn             omtrek

   vuur                   aarde              lucht                  water

andere dimensies

Dit opent voor het eerst de mogelijkheid om de waarde van de astrologie op een wiskundige wijze te onderzoeken. Stelt u zich eens voor. Deze vergelijking zegt dat het teken ram, stier, tweeling en kreeft zich verhouden als het middelpunt, de straal, de middellijn en de omtrek. Hetzelfde geldt dan de leeuw, de maagd, de weegschaal en de schorpioen, respectievelijk de boogschutter, de steenbok, de waterman en de vissen. En deze drie groepen moeten zich daarbij dan verhouden als de 1e, 2e en 3e dimensie, wat nu moet worden uitgelegd.

In de praktijk van het leven onderscheiden we de lengte, de breedte en de hoogte. Bij een wedstrijd hoogspringen meten we met 1 maat, de lengte. Want dan willen we alleen weten hoe hoog iemand springt. Dat is de 1e dimensie. Wie een muur moet schilderen, berekent met de lengte en de breedte de oppervlakte van die muur en weet dan hoeveel verf men moet kopen. Dat is de 2e dimensie. En als iemand een zwembad laat aanleggen, meet die persoon de lengte, de breedte en de hoogte en berekent daarmee de inhoud om te weten hoeveel liter water er in gaat. Altijd heeft men zich hieraan gehouden, totdat Einstein ontdekte dat de tijd en de ruimte onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, waarna hij sprak van de 4e dimensie, het tijdruimtecontinuum. Dat is een zuiver theoretisch concept, terwijl men nu al spreekt van veel meer dimensies. De UG benadert dat anders en zegt dat het universum zoals wij dat zien 3-dimensionaal is, terwijl het 9-dimensionaal ofwel 12-dimensionaal is in een ruimer verband. En in dat ruimere verband is het teken ram 1e dimensie van het menselijke gedrag, het teken vissen is de 12e dimensie.

Bij die benadering die universeel en dus op alles kan worden toegepast is het uitgangspunt uiteraard totaal verschillend. De wiskunde zoals wij die kennen gaat uit van de lengte, de breedte en de hoogte, en plakt daar een aantal theoretische verbanden ofwel dimensies aan vast die van een geheel andere orde zijn. Daar is niets mis mee, want die werkwijze is zeer bruikbaar. De UG daarentegen baseert zich alleen op de dimensionale indeling die de natuur zelf aangeeft en gaat daarmee uit van de punt, de lijn en de de omtrek. We zien dan op deze tekening dat het middelpunt 1 punt is. De straal en de middellijn zijn lijnen die getrokken worden tussen 2 punten. En de plaats en de grootte van de cirkel wordt bepaald door 3 punten. Dat laatste zal niet direct door iedereen worden begrepen. U moet dan maar aannemen dat u ergens op een papier 3 punten kunt zetten, waarna er maar 1 cirkel door die punten getrokken kan worden. Hieruit leidde ik af dat de punt, de lijn en de omtrek zich onderling verhouden als de 1e dimensie, de 2e dimensie en de 3e dimensie van de natuur. Dat de punt in de moderne rekenkundige wiskunde geen dimensie is, komt omdat een punt geen maat heeft. Maar in deze wiskunde is dat wel zo, omdat het middelpunt wel degelijk een functie heeft. En zo begreep ik dat de eerste oerdeling wordt gesymboliseerd door de bol met zijn 3 ofwel 4 elementen.

God die meer is dan het universum is NIETS en ALLES tegelijk.

Maar toen God het universum werd, werden NIETS en ALLES gescheiden en creëerden daarmee de beide polen van het bestaan. Daarmee ontstond de volgende triade:  

Niets     -               de verbinding tussen Niets en Alles               -     Alles.

                                             1e dimensie                                     2e dimensie                                     3e dimensie

                                              middelpunt                                   straal/middellijn                                       omtrek  

              In deze verhouding vertegenwoordigde Niets evenals het middelpunt de 1e dimensie van het tot ontwikkeling komende universum. Alles vertegenwoordigde in vergelijking met de omtrek de 3e dimensie van het wordende universum. En de "verbindingslijn" vertegenwoordigde in vergelijking met de straal en de middellijn de 2e dimensie van het oerbegin. Die eerste fase komt overeen met de figuur hiernaast. Het blijkt dan mogelijk te zijn om de geest te vergelijken met de omtrek, aangezien de allesdoordringende geest 3-dimensionaal is van aard. De stof vergelijken we met het middelpunt, wat betekent dat de materie in deze verhouding 1-dimensionaal is van aard. Dat vinden wij vreemd, omdat onze ogen ons vertellen dat de stof de hele ruimte inneemt. Maar dat is slechts schijn. Ons lichaam bestaat uit niets anders dan cellen, de cellen bestaan uit niets anders dan moleculen, de moleculen bestaan uit atomen, en de atomen bestaan uit subatomaire golfdeeltjes die geen vorm hebben. Gaan we zo door, dan mogen de oerdeeltjes  vergeleken worden met het middelpunt dat er wel is, maar niet in de ruimte bestaat. En als die oerdeeltjes geen ruimte innemen, doet de materie dat ook niet. De materie zoals wij die zien, bestaan dan ook alleen in ons bewustzijn. Blijft over de ziel die we vergelijken met de straal en de middellijn, waardoor de ziel in deze vergelijking 2-dimensionaal is van aard. Dit was de oersituatie daarboven, terwijl we hier beneden dezelfde verbanden moeten zien als de regel van Hermes klopt.

We gaan nu een stap verder en verdelen dit drietal in een negental. In wiskundig opzicht krijgen we dan de bol met de drie assen AB, CD en EF, terwijl de drie assen zelf ook weer zijn onverdeeld. Zo bestaat de AB-as uit de punten A en B, waartussen de lijn is getrokken. Er zijn dan 6 punten, A,B,C, D, E, F en de drie middellijnen. In een andere benadering zijn er 6 punten en het middelpunt, welke benadering in het bijbelse scheppingsverhaal is weergegeven. Elke punt is 1 dag, er zijn twee groepen van drie tegenover elkaar liggende punten en het middelpunt is de stilstaande as waaromheen de swastika draait. De rustdag. Dit basispatroon kan ook op een andere wijze worden weergegeven en dan krijgen we de kubus aan de rechterkant. Dan verdelen we de lengte, de breedte en de hoogte in drieën, waarmee de figuur veel complexer wordt. Er ontstaan dan als het ware 3 opeenvolgende dimensies in de lengte, 3 opeenvolgende dimensies in de breedte en 3 opeenvolgende dimensies in de hoogte, waardoor er 27 verschillende functies ontstaan. Gaan we nog een stap verder, dan krijgen we de volgende figuur, een kubus met 9 dimensies die in werkelijkheid 12 dimensies zijn. Het aantal functies is dan al 9x9x9= 729. En als we nog een stap verder gaan, zijn er 27 ofwel 36 dimensies met 27x27x27= 19683 functies. Bij mijn berekeningen bleek we het universum op deze wijze in dimensies en functies moet verdelen, als we onderscheid willen maken tussen de gassen, vloeistoffen en vaste stoffen, of tussen de planten, dieren en mensen.

 

Wat komt er in die vakjes te staan?

Misschien vraagt u zich vertwijfeld af wat het voor nut heeft om te weten dat het universum 19683 verschillende aanzichten heeft die allemaal met elkaar samenhangen? Moet het nu werkelijk zo ingewikkeld worden gemaakt en kan het niet veel eenvoudiger? Dat kan inderdaad, maar hoe eenvoudiger het wordt, hoe meer informatie er verloren gaat. Toch is het relevant om te beginnen met de meest eenvoudige indeling, waarna we steeds een stap verder gaan. Daartoe bespreken we hier alleen de functie van de AB lijn die symbool staat voor de stof.

De AB lijn

Deze lijn laat zien op welke wijze de kosmos is opgebouwd. Wanneer we op die as van links naar rechts gaan, worden de eenheden steeds groter. Dat betekent dat we stap voor stap van de allerkleinste eenheid naar de grootste eenheid gaan, het universum als één geheel. Daarbij laat de kubus zien dat er in totaal 27 niveaus zijn, noem het dimensies zo u wilt, waarbij elk vakje aan de rechterkant een grotere eenheid is dan de vakjes aan de linkerkant. Die opbouw is zodanig, dat de eenheden aan de rechterkant gestalten zijn die uit delen bestaan die we aan de linkerkant vinden. Dat kan als volgt worden begrepen. We zoeken ergens de plaats van het atoom en zien daarnaast de molecule die als gestalt meer is dan alle atomen samen waaruit hij bestaat. Een stap verder naar rechts stuiten we ergens op een cel die als gestalt meer is dan alle moleculen samen waaruit hij bestaat. En nog weer naar rechts stuiten we  een lichaam dat meer is dan alle cellen waaruit dat lichaam is opgebouwd. Een paar stappen verder komen we bij de aarde die een gestalt is van alles waaruit de aarde bestaat en zo gaan we door tot het meest rechts vakje, dat symbool staat voor het universum als één geheel.   

Hierna laat ik zien hoe de verschillende vakjes ingevuld kunnen en moeten worden. De swastika en  de kubus met drie hokjes op elke zijde staan symbool voor de indeling naar geest, zien en lichaam. En als we dan de zijde nemen die onderaan van links naar rechts loopt, de zijde van de materie, kunnen we die verder verdelen tot de stoffelijke werkelijkheid in 27 niveaus is verdeeld.  Hieronder staan die 27 blokjes in drie groepen verdeeld, terwijl elke groep weer uit een 3-tal bestaat.

 □□□ │□□□ │□□□ █ □□□ │□□□ │□□□ █ □□□ │□□□ │□□□

   A1      A2       A3        B1       B2       B3        C1       C2      C3  

Niveau A (A1, A2 en A3) verwijst naar de subatomaire werkelijkheid. Dat zijn de kleinste deeltjes die geen stoffelijke vorm hebben en in dat aanzicht onderstoffelijk genoemd mogen worden. Niveau B (B1, B2, B3) verwijst naar de planetaire werkelijkheid, ofwel de wereld waarin wij leven. En niveau C (C1, C2, C3) verwijst naar de ruimtelijke werkelijkheid die in de Griekse oudheid etherisch werd genoemd. De stof van dat hoogste niveau kunnen wij niet zien, omdat we er dwars doorheen kijken en alleen de stoffelijke maan, de stoffelijke planeten, de stoffelijke zon en de andere sterren zien. Maar op dat hoogste niveau zijn de zonnestelsels en melkwegen dankzij die ether net zo massief als ons lichaam. De wetenschap kent dit niveau natuurlijk niet, want is wel op ontdekkingen gestuit die verwijzen naar een andere dimensie die er wel  is maar niet gemeten kan worden. Daarom spreekt met nu van het nulpuntveld.

We gaan een stap verder, waarbij er 9 niveaus zijn.

 -     Wat de niveaus A1, A2 en A3 aangaat, is alleen de wetenschap in staat om de 1e subdimensie (A1), de 2e subdimensie (A2) en de 3e subdimensie in te vullen. 

-     Niveau C kunnen we zelf invullen. Want niveau C1 verwijst naar de zonnestelsels; niveau C2 verwijst naar de melkwegstelsels en niveau C3 verwijst naar de opeenvolgende heelallen.

-     Als we ons daarna richten op niveau B, zijn we ook in staat om de subniveaus B1, B2 en B3 te vinden.

De aardse aura

Niveau niveau B1 komt namelijk overeen met het onzichtbare energetisch veld rondom de aarde. De wetenschap kent daarvan de gordels van van Allen die de straling van de zon opvangen en zichtbaar maken in de vorm van het poollicht. Maar daarnaast kennen we nog veel meer verschijnselen van dat eerste niveau. Denk daarbij aan de aardstraling die gemeten kan worden door een wichelroedeloper. En verder kennen we de leylijnen die bekend waren aan de druïden en in Engeland nog steeds bekend zijn. Ongetwijfeld herbergt de werking van dit systeem nog vele geheimen. Maar het is niet zo erg moeilijk om te begrijpen dat deze levensstromen in functioneel opzicht overeenkomen met het onzichtbare energieveld van alle levende wezens. Onze aura komt bijvoorbeeld overeen met het noorder- en zuiderlicht en de gordels van Van Allen, terwijl die leylijnen  overeenkomen met de meridianen waarin de acupuncturist zijn naalden zet. En wat voor de mens prâna is, is die stroom van elektronen en protonen voor de aarde.

De aardse materie en de levensvormen

Niveau B2 verwijst naar de materie, terwijl de drie vakjes verwijzen naar de gassen, de vloeistoffen en de vaste stoffen. Niveau B3 verwijst naar de levensvormen, ofwel de planten, de dieren en de mensen. Maar die indeling vereist dat we nog verder onderverdelen waardoor er in totaal 27 vakjes komen. Die zijn wel weergegeven in de tekening maar niet van een nummer voorzien.

wat hebben we hieraan?

Een deel van deze vakjes kunnen we invullen omdat we ze kennen, terwijl alles volgens de UG in drietallen verdeeld moet worden. Maar wat hebben we daaraan? Wat levert dat inzicht ons op als het bij deze indeling zou blijven? Wat hebben we eraan om te weten dat alle eenheden en hoofdfuncties in de hele kosmos samen opgeteld 19683 zijn? Daarmee begrijpen we immers nog niets. Dit probleem illustreer ik met de opmerking dat iedereen weet dat er planten, dieren en mensen zijn. Maar ik vraag me nauwelijks af hoeveel mensen precies weten wat de wezenlijke verschillen zijn. Wie deze vraag stelt, zal horen dat er grote verschillen zijn tussen een boom en een chimpansee. Maar omdat de mensen uit de dieren zijn ontstaan, is er in lichamelijk opzicht amper verschil tussen een chimpansee en een mens. Zo is het nu eenmaal en daarmee is er dus geen enkel probleem. De UG zegt dan dat er net zoveel verschillen zijn tussen een plant en een dier, als er zijn tussen een dier en een mens. Vergelijk dat met het feit dat er evenveel verschil is tussen een gas en een vloeistof als er verschillen zijn tussen een vloeistof en een vaste stof. Daarom herhaal ik de vraag waarom wij zo gemakkelijk accepteren dat er zeer grote verschillen zijn tussen een boom en een hond, terwijl er veel minder verschillen zijn tussen een hond en zijn baas. Een boom is van hout en staat vast in de grond, terwijl een hond bestaat uit vlees en bloed en overal heen kan lopen. Maar als we dei hond vergelijken met zijn baas, zijn ze allebei van vlees en bloed en kunnen ze samen overal heen lopen, in welk opzicht de hond en zijn baas zelfs gelijk zijn.

Wat deze vraagstelling betreft, zijn er naar mijn inzicht drie mogelijkheden om daarop een antwoord te geven. Conform de uitgangspunten van de wetenschap is het universum niet door God geschapen en heeft het zichzelf zonder enig plan vooraf tot ontwikkeling gebracht. Volgens die opvatting zijn er dus toevallig planten, dieren en mensen tot ontwikkeling zijn gekomen. Misschien zijn er op andere planten ook planten, dieren en/of mensen, maar er kunnen ook adewrle, ewre, sade, sdfwrel en wero9eed zijn, dat wil zeggen vijf verschillende soorten wezens die wij niet kennen en waarvan wij waarschijnlijk niets kunnen begrijpen. In die wetenschappelijke toevalligheids-benadering zijn er planten, dieren en mensen, terwijl de mensen amper van de hoogstontwikkelde apen verschillen. Zo is het nu eenmaal en daarmee basta. De tweede mogelijkheid heeft een religieus karakter, omdat we dan geloven dat het universum door God is geschapen. En omdat niemand Gods plannen kent, is alles mogelijk. Alleen onze ogen en oren kunnen ons duidelijk maken wat God tot ontwikkeling heeft gebracht. In feite zijn die beide mogelijkheden aan elkaar gelijk. We moeten dan maar afwachten wat het onderzoek ons leert. En wat we niet zien, kunnen we ook niet begrijpen, ofwel het bestaat niet.

Blijft over de derde mogelijkheid van de esoterie die zegt dat alles planmatig tot ontwikkeling is gekomen. De UG voegt daaraan toe dat het universum een gestalt is die uit delen bestaat, terwijl elk deel op zichzelf ook weer een een gestalt is die uit delen bestaat. En zo is het universum gestaltmatig opgebouwd vanaf het kleinste deeltje tot de grootste eenheid. In die benadering is de indeling in plant, dier en mens planmatig ontstaan, terwijl er evenveel verschil moet zijn tussen een gas een een vloeistof, als er is tussen een vloeistof en een vaste stof. Ook moet er evenveel verschil zijn tussen een plant en een dier, als er is tussen een dier en een mens. Dat laatste klopt echter niet, waardoor we bereid moeten zijn om de mogelijkheid te overwegen dat de mens nog niet meer is dan een doorontwikkeld dier, terwijl de mens als zodanig van een hogere orde is die wij niet kennen. Wat is dan het probleem om te overwegen dat die andere orde in de oudheid heeft bestaan en later goddelijk werd genoemd? Dan is er namelijk wel evenveel verschil tussen de planten en de dieren als er is tussen de dieren en de goden. De planten zijn 1-dimensionaal levende wezens en staan vast in de grond, wat vergelijkbaar is met het middelpunt dat we zien omdat het door een passer in het papier is geprikt. De dieren en mensen zijn 2-dimensionaal levende wezens, wat wel blijkt uit het feit dat zij zich op het vlak van de aarde verplaatsen zoals een lijn dat aangeeft. En de ware ofwel goddelijke mens is een 3-dimensionaal levend wezen die zich niet verplaatst, maar overal gelijktijdig kan zijn.

Deze visie vinden wij zo vreemd, dat het bijna te gek is voor woorden. Maar kunnen we het ook omdraaien en zeggen dat het te gek is voor woorden dat er geen filosoof is die daarover heeft nagedacht? Waarom zijn er planten, dieren en mensen? Gewoon, omdat ze er zijn? Wordt het niet tijd dat we daarover gaan leren nadenken? Waarom ervaren we verschil tussen het verleden, heden en de toekomst? Gewoon, omdat het nu eenmaal zo is? Waarom zijn er gassen, vloeistoffen of vaste stoffen? Gewoon, omdat het niet anders kan? Waarom bestaat een atoom uit elektronen, neutronen en protonen? Gewoon, omdat er anders geen atomen zijn? Als de aarde van een hogere orde is dan de mens, wat is dan de functie van de aarde binnen het zonnestelsel? Dat weet niemand, dus hoeven we daar gewoonweg niet over na te denken. De melkweg is van een hogere orde dan een zonnestelsel? Wat kunnen we daarvan begrijpen? Gewoon, helemaal niets, want dat kunnen we niet zien. En zo kunnen we nog dagenlang doorgaan. We weten het allemaal niet, terwijl de UG stelt dat er maar 1 manier is om daar iets meer van te begrijpen. En die enige manier is de wiskunde van de oudheid. En als we dan begrijpen welke groepen als een drie-eenheid bij elkaar horen, verhouden ze zich altijd als een punt, een lijn en de cirkel. En op ieder niveau werkt dat anders uit. De doordenking daarvan, ook op de lijn van de ziel en de geest, geeft net zoveel inzicht als wij zoeken en kunnen begrijpen. Op die manier kunnen we nog vele vele vele eeuwen verder.

afronding

De lezer die dit allemaal ineens begrijpt, is een zeer begenadigd mens. Mij heeft het 40 jaar gekost om zo ver te komen, dat wil zeggen al mijn vrije tijd ofwel vele tienduizenden uren zelfstudie. En al die tijd bestond de UG, die hier naar mijn inzicht vrij logisch is gepresenteerd, uit honderden losse brokken die dankzij honderden kleine inzichten tot een complete puzzel aan elkaar gelijmd konden worden. Om die reden begint de uitleg hierna helemaal van voren af aan. In de tijd dat ik deze theorie in enkele studiegroepen heb uitgedragen, ging het om 2 boeken met in totaal 700 bladzijden. En in deze cursus probeer ik alles nog eenvoudiger uiteen te rafelen. Succes als u daarin nog steeds interesse hebt.

   Overzichtspagina