verantwoording vAN DE INHOUD

De ontwikkeling van de Universele Gestalttheorie is het resultaat van een gelukzalige obsessie die mij dertig jaar heeft beheerst, maar nu is uitgewoed. In 1957, ik was toen veertien jaar oud, ontmoette ik iemand die vertelde dat hij de reïncarnatie was van Rembrandt. Ik wist toen nog niet wat ik daarvan wel of niet moest geloven, maar de opvatting van de wedergeboorte opende een wereld van perspectieven waarvan ik geen afstand meer heb gedaan. Nadat ik mijn onderwijzersopleiding had afgerond en onderwijzer werd, ging ik de theosofie bestuderen en bekwaamde mij in de astrologie. Ik raakte toen erg onder de indruk van de wijsheid van de Tibetaans-boeddhistische monniken Moria en Koot Hoomi, die Blavatsky de kennis gaven die zij in de vorm van de theosofie naar het westen heeft gebracht. Hun kennis werd voor mij zelfs onbetwijfelbaar, toen ik tot de conclusie kwam dat hun inzichten van een andere orde zijn dan de kennis van de wetenschap, of de kennis die door helderziendheid wordt verkregen. Omdat ik mij daarnaast op mijn vakgebied wilde ontplooien, studeerde ik pedagogiek. Daar ontdekte ik bij mijn docenten en medecursisten een diepgewortelde afkeer tegen de wijsgerige vraagstukken die mij zo intens bezighielden. En zo leerde ik mijn interesse in het wezen van de mens te verbergen, waarmee ik net op tijd het oordeel ontliep een zonderling te zijn.

Door mijn specifieke interesse waren er buiten de theosofie weinig kennisgebieden die mijn werkelijke belangstelling hadden. Maar ook de theosofische beweging trok mij niet, omdat men daar wel de boeken bestudeerde maar geen onderzoek deed. Mijn situatie veranderde in 1978 toen de niet meer bestaande Vereniging voor Educatieve en Experimentele Hypnose, de VEEH, werd opgericht. Daar beoefenden we in werkgroepen het hypnotiseren, waarna ik al gauw zelfstandig onderzoek deed naar de waarde van de herbeleving van vorige levens. Dat leidde ertoe dat ik me in mijn vrije tijd ging bekwamen als regressie-reïncarnatietherapeut, waarna ik in 1983 docent werd bij het eerste instituut waar men op H.B.O.-niveau het vak van hypnotherapeut kon leren. In die tijd functioneerde ik als hoofd van een lagere school. Veel meer ruimte en tijd kreeg ik in 1985, toen ik onderwijzer werd aan mijn eigen school en jaar na jaar in deeltijdfunctie meer uren vrijwillig ontslag nam. In 1999 verliet ik het onderwijs om te kunnen werken aan de ontwikkeling van deze theorie die in 2011 werd gepresenteerd.

Door mijn contacten als docent raakte ik bevriend met enkele helderzienden die mijn therapeutische begeleiding wensten, terwijl ik als wederdienst met hun mediamieke mogelijkheden kon experimenteren. Al doende kreeg ik steeds meer inzicht in het verloop van het reïncarnatieproces, wat er uiteindelijk toe leidde dat ik in een zeer lastig parket terechtkwam. Dat deed zich voor toen ik tot het inzicht kwam dat enkele uitspraken van de eerder genoemde Tibetaanse leermeesters van Blavatsky niet kloppen. Maar ondanks mijn toenmalige opvatting dat zij als representanten van esoterisch boeddhisme op geestelijk gebied het hoogste gezag vertegenwoordigden, hield ik me toch aan de theosofische leus ‘Geen lering boven de waarheid’. Dat bracht mij na een zware innerlijke strijd tot het onvermijdelijke inzicht dat de theosofische leer niet alleen zeer onvolledig, maar zelfs gedeeltelijk vervormd en soms onjuist is overgebracht. Zonder de steun van mijn vrouw Sam, was ik op dat punt nooit verder gekomen, omdat ik niet kon twijfelen aan de inzichten van mensen die konden schouwen.  

Dit nam niet weg dat het boek ‘De Geheime Leer’ van Blavatsky mijn kijk op het verleden grondig had veranderd. Zo was ik tot het inzicht gekomen dat er in de oudheid een besloten kennisgebied heeft bestaan dat zo geheim was, dat die kennis in de loop der tijd op enkele brokstukken na verloren is gegaan. Daarmee bedoel ik dat de grootste wijsgeren uit de onbekende oudheid het wezen en de structuur van de mens onwaarschijnlijk veel beter begrepen dan de moderne psycholoog of wijsgeer. Met betrekking tot die verloren gegane inzichten voelde ik me vooral aangetrokken tot de regel van Hermes die luidt ‘zo boven zo beneden’. Daarnaast was de figuur Plato voor mij belangrijk. Nadat hij in Italië een geschrift van Pythagoras in handen had gekregen, vermeldde hij in zijn boek ‘Timaios’ dat de schepping ‘zo boven zo beneden’ een structuur heeft die we in enkele wiskundige figuren tegenkomen. Ook dat inzicht sprak mij aan, maar de vijf wiskundige (Platonische) figuren die hij in dat verband vermeldde zeiden mij niets.

Daarover nadenkend ontdekte ik dat de drie elementen van de bol, zijnde het middelpunt, de middellijn en de cirkelomtrek, een onderlinge verhouding hebben die we overal terugvinden in de structuur van de wereld. En daarmee was ik verkocht. Want voor mij was dat de herontdekking van een oeroud verloren gegaan inzicht, op basis waarvan ik in staat was de wereld in al zijn zichtbare en onzichtbare aanzichten op een geheel nieuwe manier te bestuderen. De niet te remmen drang van het meer-willen-weten bracht mij daarna onophoudelijk naar een volgend punt van inzicht, dat ik zonder die dwangmatige stuwing nooit bereikt zou hebben. Vele aaahhh’ssss en ooohhh’sss volgden elkaar in die tijd bijna dagelijks op.

Omdat ik wel begreep dat de bol uit meer elementen bestaat dan deze drie, ging ik verder met mijn analyse en ontdekte dat de bol als universele kosmologische figuur in negen fasen ofwel stappen is opgebouwd. Dat leidde ertoe dat ik ging spreken van Puntland (1e dimensie), Vlakland (2e dimensie), en Bolland (3e dimensie), welke “landen” in drie subniveaus zijn verdeeld. En deze negen subniveaus bleken een integraal zevenvoud te vormen. Met de vestiging van deze “landen” en hun subdimensies had ik de ingang gevonden, waarmee ik al mijn vragen kon beantwoorden op een manier die voortdurend pijnlijke correcties aanbracht in mijn persoonlijke opvattingen.

Zo kwam ik tot het inzicht, dat het absoluut onmogelijk is om de samenhang van leven en dood te begrijpen, inclusief het proces van de wedergeboorte, als we geen gebruik maken van deze zeer eenvoudige wiskundige vergelijking. Zelfs het godsvraagstuk bleek alleen op deze manier opgelost te kunnen worden. Daarbij aansluitend bracht ik in de naam Universele Gestalttheorie (UG) mijn visie tot uitdrukking, dat het universum volgens de oud-Egyptische regel van Hermes ‘zo boven zo beneden’ een volmaakt gestructureerd en definieerbaar karakter heeft. Dat deze visie op de werkelijkheid volledig nieuw lijkt, kan ik niet ontkennen. Maar wie het boek ‘De Geheime Leer’ van Blavatsky leest, kan met mij tot de conclusie komen dat ik onmogelijk iets nieuws kan bedenken. De grootste wijzen uit de oudheid hadden zoveel meer overzicht en inzicht dan wij ons kunnen voorstellen, dat wij in deze tijd slechts in staat zijn om een klein gedeelte van de oudste leringen te reconstrueren en in kaart te brengen. Maar omdat wij meer gericht zijn op de analyse dan vroeger, kunnen wij die oeroude inzichten veel gedetailleerder uitwerken dan ooit eerder het geval is geweest.

De door mij gevolgde werkwijze kunnen we begrijpen door in gedachten een puzzel te leggen. Op het moment dat we twee stukjes verbinden, zijn we er nog niet zeker van dat ze werkelijk bij elkaar horen. Maar als we op die manier verder gaan en steeds meer stukjes bij elkaar passen, ontstaat er uiteindelijk een overzicht dat door geen scepticus teniet gedaan kan worden. Die blijft misschien tot het einde van zijn leven herhalen dat we niet kunnen bewijzen dat de samenstelling van die puzzelstukjes klopt, maar de door hem gewenste bewijsvoering is hier niet van toepassing. De legging bewijst zichzelf, doordat het plaatje van de puzzel steeds groter, duidelijker en overzichtelijker wordt. Maken we daarentegen een foute verbinding, en hoe vaak deed ik dat niet bij de opbouw van de Universele Gestalttheorie, dan kan het model door aanvullende vergelijkingen net zolang gecorrigeerd worden, totdat er niets meer vastloopt. Dat is de kracht van deze werkwijze.

Mijn uitwerking en presentatie van de Universele Gestalttheorie (UG) stel ik volledig ter discussie, omdat die door anderen aangevuld en verbeterd zal moeten worden. Maar als theorie is de UG geen hypothese, omdat deze benadering van de werkelijkheid een kwestie is van “to see or not to see”. Dat standpunt maakt mijn positie kwetsbaar, omdat niemand het in zijn hoofd zal halen om een theorie zo te presenteren. Als ik er daarom niet volmaakt zeker van was dat de UG is gebaseerd op de universele leer die in alle eeuwigheid heeft bestaan, durfde ik dat nooit te zeggen. Noch zou ik daartoe de behoefte voelen.

In het eerste hoofdstuk van dit boek verkondig ik in navolging van Fritjof Capra de mening dat wij in een zeer bijzonder tijdperk leven. In mijn visie vereist de tijdgeest namelijk dat alle wetenschappen in de loop der tijd vernieuwd worden op basis van een volstrekt nieuw wereld- en mensbeeld. Die transformatie gaat echter niet vanzelf en zeker niet zo snel als veel idealisten hopen. Het tweede hoofdstuk verklaart de noodzaak van die transformatie vanuit een historisch perspectief. Het derde hoofdstuk wijst op de fundamentele tekorten en fouten van het materialisme dat hoogtij viert in de wetenschap, terwijl het vierde en vijfde hoofdstuk daarvoor een alternatief bieden. Telkens gaat het bij deze beschouwingen om de samenhang van de wetenschap, de godsdienst en de theosofie. In dat verband beschrijft hoofdstuk 6 een totaal ander zicht op de ontwikkeling van de mensheid dan we horen van de wetenschap. Daarbij wordt de menselijke ontwikkeling in Lemurië en Atlantis besproken, waarbij wordt aangetoond dat er vroeger mensen waren, die veel diepere inzichten hadden en over meer kennis beschikten dan wij kunnen bevatten. In hoofdstuk 7 bespreek ik een paar belangrijke vondsten, waarna in hoofdstuk 8 de leer van Plato wordt behandeld. Omdat Plato een ingewijde was, heeft men de essentie van zijn ideeënleer nooit goed begrepen. Daarop ga ik dieper in, vooral omdat zijn ideeënleer verwijst naar het goddelijke bewustzijn van de ingewijden. Bij de bespreking van zijn leer toon ik aan dat de UG en de leer der ingewijden tot in de kleinste details gelijk zijn.

Omdat de UG een visie verkondigt die de wetenschap, de godsdienst en de esoterie op één lijn brengt, zal de lezer in beginsel bereid moeten zijn om afstand te doen van alle materialistische, dogmatische en antireligieuze standpunten die in deze wereld als onwrikbaar gelden. En toch gaan die allemaal, zonder enige uitzondering, tegen de logica van het gezonde verstand en deze theorie in. Bij dat soms moeilijke loslatingsproces en de doordenking van de door mij aangegeven vraagstukken wens ik de lezer evenveel leesplezier, frustratie en nieuwe inzichten als de ontwikkeling van de UG en het schrijven van dit boek mij hebben gegeven.

-           Hierna kort ik de Universele Gestalttheorie af als UG, terwijl het boek ‘De Geheime leer’ van Blavatsky als ‘de GL’ wordt weergegeven.

-           Vrij vaak komt in dit boek het begrip universum aan de orde. Voor de broodnodige variatie maak ik daarom afwisselend gebruik van de namen heelal, kosmos of het Hele Al. Waar ik alleen doel op het zichtbare stoffelijke heelal, wordt dat vanzelf duidelijk. In alle andere gevallen doel ik op het universum in al zijn aspecten naar geest, bezieling en stoffelijke vorm.

-           Gemakshalve schrijf ik ‘hij’ waar zij/hij of hij/zij hoort te staan.

Tot besluit vermeld ik mijn dank aan mijn vrouw Sam(mie), die mijn werk door haar unieke kwaliteiten op (on)juistheden kan beoordelen en dat ook heeft gedaan. Zij kan schouwen wat in deze tijd zeer zeldzaam is en nog nooit in een boek is beschreven. Informatie die door helderziendheid wordt verkregen, kan uitermate subjectief gekleurd zijn. Maar wie schouwt is op dat moment niet persoonlijk bewust maar collectief bewust, waardoor de aldus verkregen informatie zuiver en niet gekleurd is door persoonlijke opvattingen. Daar staat als “nadeel” tegenover dat het vrijwel onmogelijk is om de geschouwde indrukken zonder hulp om te zetten in begrippen. Het schouwen ofwel lezen in de akashakronieken en onze samenwerking bij de verwoording van die indrukken wordt in hoofdstuk 8 besproken. Zonder onze samenwerking en haar inzichten had de UG nooit het niveau bereikt dat het nu heeft, waarbij ik het aan de lezer overlaat om de waarde en het niveau van deze theorie te beoordelen.

 
   Hoofdstuk 1
   Overzichtspagina