HOOFDSTUK 1 WERELD OP DE HELLING

inleiding

In dit eerste hoofdstuk bespreek ik mijn opvatting dat we in een zeer bijzondere tijd leven. Enerzijds wordt het onmogelijke steeds vaker mogelijk, waarbij er verworvenheden ontstaan die we niet graag meer willen missen. Anderzijds groeit er een steeds grotere onvrede met de wijze waarop het er in de wereld aan toe gaat. Velen hopen daarom op een betere wereld die snel aanbreekt, terwijl anderen denken dat geweldige rampen alles gaan vernietigen. Deze tegenstelling tussen idealisme en pessimisme is naar mijn mening een uitdrukking van de polariserende tendens die het kenmerk is van de huidige tijdgeest. In dat verband werk ik in dit boek de gedachte uit dat de evolutie van de mensheid niet aan het toeval is overgeleverd, maar een cyclisch patroon volgt dat zich ontwikkelt in de polariteit van geest en stof. Na iedere zeer langdurige golfbeweging waarin de focus op de materiële aspecten van het bestaan wordt gericht, komt er een tegengestelde ontwikkeling waarin de focus op de geestelijke aspecten van het bestaan ligt. Momenteel wordt dat golfpatroon gekenmerkt door een overgangsfase van het materiële naar het spirituele, welke omwenteling zo fundamenteel is, dat die zich onmogelijk snel en geruisloos kan voltrekken. Wie het sterkst is gericht op de materiële waarden van het leven, zal steeds meer verstrikt raken in de problematiek dat allerlei processen op een groter wordende schaal onbeheersbaar worden. Agressie, zinloosheid, nihilisme en destructie gaan in dat veld zodanige vormen aannemen, dat een toenemend aantal mensen meer en meer op zichzelf wordt teruggeworpen. Wie daarentegen meer is gericht op de geestelijke waarden van het leven, leert van iedere tegenslag dat er meer eenheid ontstaat in de mate dat men zich daar bovenuit werkt. Naarmate deze polariteit van isolatie en verbinding zich herkenbaarder gaat manifesteren, wordt het duidelijker welke kant een ieder uitgaat. Want hoe de wereld zich ook mag ontwikkelen, ieder individu creëert daarbinnen toch zijn geheel eigen wereld. Dat aannemelijk te maken in deze verwarrende tijd is de zin van dit eerste hoofdstuk, terwijl het doel daarvan duidelijk wordt in het tweede hoofdstuk. Daarin leg ik verband tussen de kenmerken van deze overgangsfase en de wedergeboorte van verloren gegane geestelijke kennis die vroeger bij de inwijding hoorde en daarmee strikt geheim was voor de wereld. De reconstructie van die onbekende leer op basis van bestaand materiaal is het doel en de functie van de Universele Gestalttheorie.

Aan de vooravond van een hoger bewustzijn

We leven in een wonderlijke en in mijn opvatting zelfs unieke tijd. Enerzijds is er op verschillende gebieden nog nooit zoveel kennis geweest, waardoor we in dat opzicht aan de top staan. Anderzijds wordt deze kennis toegepast op een manier die soms van weinig wijsheid getuigt. Ik denk dat het woord vèr-stand duidelijk aangeeft op welke ver-weg-staande wijze zoveel vèr-standelijke mensen in de wereld staan. In deze tijd waarin het onmogelijke mogelijk wordt, het gekste niet gek genoeg is en de rechten meer nadruk krijgen dan de plichten, draait een deel van de mensheid dol in de onbevredigbare drang naar het meerdere van wat men al heeft. Gelijktijdig worden talloze vraagstukken genegeerd die betrekking hebben op de immateriële waarden van het leven. Zelfs de machtigste landen houden betrekkelijk weinig rekening met het algemene belang en denken primair aan hun eigen voordelen. Dat gedrag is soms zo destructief ten opzichte van de aarde en haar talrijke levensvormen, dat we mogen verwachten dat er in deze tijd weinig interesse bestaat in het spirituele. In werkelijkheid neemt de belangstelling daarvoor echter hand over hand toe.

Talrijke zeer vèr-standige mensen zijn ernstig bezorgd over de spirituele opleving die in het laatste kwart van de 20e eeuw is ingezet en in deze eeuw zijn vervolg vindt. Want die tendens vatten ze op als een terugkeer naar de tijden van weleer toen het bijgeloof nog welig tierde. Zij zijn daarin zelfs zo vèr-standig, dat ze weigeren hun oor te luisteren te leggen bij al diegenen die dankzij die spirituele ontwikkeling een diepere zingeving in hun leven hebben gevonden. Aan de ene kant wil een toenemend aantal vèr-standelijke mensen de wereld in positieve zin veranderen, terwijl zij daarvan in hun onuitputtelijke goedbedoelende regelzucht een steeds grotere puinhoop maken. Aan de andere kant probeert een klein maar toenemend aantal mensen niet de wereld maar zichzelf te veranderen. Deze wonderlijke tegenstelling vindt plaats in een periode waarin de menselijke ontwikkeling op een keerpunt lijkt te staan.

Veel is daarover geschreven door mensen die aan die ommekeer een eigen invulling geven. Zo voorziet Bill Gates een mooie toekomst waarin de computer de wereld gaat beheersen. Hij baseert zijn visie op de mogelijkheden van de techniek, maar het lijkt mij toch iets logischer om te verwachten dat andere factoren dan zijn software de komende ontwikkelingen bepalen. Mijn opvattingen sluiten wat dat betreft iets beter aan bij de socioloog Alvin Toffler, die in ‘De derde golf" zijn verwachting weergeeft dat er na de agrarische en industriële revolutie van de vorige eeuwen een derde golf komt die een nieuwe maatschappijvorm inzet. Wat meer affiniteit voel ik met betrekking tot de opvattingen van Jim Lovelock die in zijn voorwoord op Fritjof Capra’s boek ‘Het keerpunt'het volgende schrijft. "Aan de voornaamste vraagstukken van onze tijd, kanker, misdaad, vervuiling, inflatie en het energietekort ligt één en hetzelfde krachtenspel ten grondslag. We leven in een tijd van verandering die dramatisch en vol gevaren is, een keerpunt voor onze planeet als geheel. We hebben een nieuwe visie nodig, die het mogelijk maakt dat de krachten die de wereld omvormen, samenstromen in een positieve beweging voor sociale verandering." Daarbij aansluitend schreef professor van Praag (V) in zijn voorwoord op ‘De Aquariussamenzwering'van Marilyn Ferguson: "Een machtig netwerk is bezig om radicale veranderingen teweeg te brengen in alle lagen van de bevolking. Zij hebben gebroken met bepaalde grondbeginselen van het westers denken en misschien zelfs met het verleden. Dit netwerk, de aquariussamenzwering, is een geest die al veel mensen voor zich gewonnen heeft. Of de huidige onrust naar een allesomvattende sociale ineenstorting leidt, of dat er een doorbraak komt naar een volgende fase in de evolutie van de mens, hangt voor een groot deel af van deze aquariussamenzwering."

Op dat punt wijkt mijn visie duidelijk af. Ik ben het eens met de stelling dat het bij al die vraagstukken gaat om één en hetzelfde krachtenspel, want dat krachtenspel is de uitdrukking van de tijdgeest. Maar diezelfde tijdgeest maakt ons ook duidelijk dat de volkeren der aarde zich niet laten besturen door een aantal zeer goedwillende mensen die bereid zijn hun eigen belang ondergeschikt te maken aan het algemene belang. Daarbij is het zelfs de vraag of wij wel weten wat het algemene belang is, mede omdat idealisme en realisme op dit punt moeilijk te scheiden zijn. Het bestaan en de waarde van dat aquariaanse netwerk onderschrijf ik volledig, maar acht die samenzwering niet in staat om dat veranderingsproces op mondiale schaal tot stand te brengen. Dat die positieve invloed absoluut onmisbaar is en zelfs bij de huidige tijdgeest hoort, benadruk ik maar al te graag. Maar tevens moet gezegd worden dat die groep niet meer is dan het allerbovenste topje van het zichtbare gedeelte van de ijsberg.

Wat het aandeel idealisme betreft binnen dat netwerk, stellen veel astrologen dat zodra het vissentijdperk (pisces) overgaat in het watermantijdperk (aquarius), er meer vrijheid, gelijkheid en broederschap zal ontstaan. Heel mooi, want ik zou er mijn uiterste best voor willen doen om dat waar te maken. Maar beseft men wel hoe die prachtige ideeën werden uitgeleefd toen de Franse revolutie begon met dezelfde drie woorden? Men oppert weliswaar dat de mensheid in twee eeuwen zodanig is veranderd, dat die idealen nu wel op de juiste wijze worden uitgedragen. Maar waaruit blijkt dat? Uit al die communes waarin men vol enthousiasme ging samenwonen ten einde die idealen te verwerkelijken? Ik vraag me nauwelijks af hoeveel van die groepen in deze tijd zijn uitgegroeid tot een hecht samenlevingsverband, want het antwoord daarop is bekend. Het viel bijna altijd tegen, omdat er onvoorziene problemen kwamen die werden veroorzaakt door de andere leden van de groep. Zelden door de enthousiaste deelnemer zelf. Ken Wilber heeft dat goed begrepen, want achter het idealisme van de new-agebeweging signaleerde hij een narcistische inslag die hem deed spreken van het ik-tijdperk. Hoewel ik vermoed dat hij met die uitspraak de werkelijke oorzaak van die spirituele opleving niet heeft gepeild, doen we er toch verstandig aan zijn visie niet onmiddellijk te verwerpen. Een andere manifestatie van dat idealisme drukt zich uit in het geloof dat het jaar 2012 samenvalt met dat keerpunt, welk jaartal zou zijn aangegeven door de Maya’s. Wat maakt het uit. Want als eenmaal is gebleken dat die verwachting niet is uitgekomen, vindt de pure idealist wel wat anders, omdat die niet wil leven in een wereld die in deze fase evolueert door "achteruit" te gaan.

Toch geloof ik dat die aquariaanse samenlevingsvormen wel tot ontwikkeling komen. Ze worden naar mijn inschatting echter geboren uit pure noodzaak en niet uit een sprankelend soort idealisme. Ik verwacht in dat opzicht dat de huidige onrust leidt naar een mondiale sociaal-maatschappelijke en economische ineenstorting (deze zin dateert uit 1980), die na de noodzakelijke aardse beroeringen de zoveelste doorbraak wordt naar een volgende fase in de evolutie van de mensheid. Hiermee geef ik aan dat er naar mijn inzicht veel meer aan de hand is dan de meeste mensen beseffen, in die zin dat de mensheid als geheel in het huidige stadium van de evolutie nog niet in staat is om dit allesberoerende en ingrijpende keerpunt op een verantwoordelijke wijze te verwerkelijken.

Omdat mijn toekomstvisie nu wel erg pessimistisch lijkt te worden, wil ik daarover enige duidelijkheid betrachten. Mijn verwachting is gebaseerd op de theorie dat de westerse beschaving zijn tijd heeft gehad, wat als verschijnsel vrij normaal is omdat elke beschaving ooit aan zijn einde komt. Maar nooit eerder heeft de mens in de ons bekende geschiedenis de wereld zo groot gemaakt en zo veranderd als in deze eeuwen. En daardoor zal het zich aandienende desintegratieproces dieper ingrijpen dan wij ooit eerder hebben meegemaakt. In dat verband werk ik in de UG de theorie uit, dat iedere ontwikkeling van welke aard en duur dan ook een cyclisch verloop heeft. De evolutiecyclus die de huidige overgang bewerkstelligt, heeft in de eerste helft de materiële aspecten des levens benadrukt, waarna de geestelijke aspecten in de komende evolutiefase worden geactiveerd#.

Om de structuur van dat ontwikkelingsmodel duidelijk te maken, neem ik de tol in gedachten waarmee ik in mijn jeugd speelde. Boven bij het ronde blokje klemde ik een touwtje vast, dat daarna rechtstreeks ging naar de punt onderaan de tol, waarna het om de tol werd gewikkeld, steeds hoger naar het midden toe. Op het moment dat de tol halverwege was opgewonden, gooide ik hem weg waarbij het touwtje werd vastgehouden en de tol snel ging draaien. Als we die rondwenteling als model nemen voor de evolutie, stellen we ons voor dat we elke wikkeling omhoog met dezelfde omwentelingssnelheid ronddraaien. Die gelijkmatigheid heeft tot gevolg dat er bij de omwikkelingen onderaan de tol vrijwel geen touw door onze handen glijdt, terwijl er steeds meer touw nodig is voor één omwikkeling als we hoger komen. Halverwege de tol gaat de maximale touwlengte per omwenteling door onze vingers, waardoor het touwtje op dat moment het snelst door onze vingers schiet.

Dat moment staat naar mijn inzicht symbool voor de tijd die tegenwoordig steeds sneller lijkt te verlopen. Verder staan de doorsnede van de bol die in het midden maximaal is en de omvang symbool voor alles wat onophoudelijk groter en omvangrijker wordt. Denk daarbij aan het groeiende aantal mensen op aarde, of de steeds grotere schaal waarop men meent alles te moeten regelen, verbinden en organiseren. Deze versnellende tendens heeft bij de meeste economen zelfs de gedachte doen postvatten, dat elk bedrijf moet groeien om te kunnen overleven, terwijl dit model de uiteindelijke gevolgen daarvan laat zien. Deze tendens blijft doorgaan omdat die niet te stoppen is, waarna op allerlei verschillende gebieden de onvermijdelijke momenten aanbreken dat de centrifugale krachten onbeheersbaar worden. Daarmee laat dit model zien dat de westerse beschaving in deze fase van de evolutie explosief groeit en gelijktijdig aan innerlijke kracht verliest, als gevolg waarvan steeds meer verbanden uiteenvallen en de onbestuurbare chaos toeneemt.

Buiten het feit dat de mensheid als geheel het bewustzijn mist om dat versnellingsproces op een constructieve wijze vorm te willen en te kunnen geven, brengt de aarde na verloop van tijd alle verstoringen weer in evenwicht. In dat opzicht ben ik minder bezorgd dan Lovelock, die zich afvraagt of de aarde wel in staat is om die verstoringen te herstellen. Die bezorgdheid deel ik niet, aangezien die verstoringen en dat herstel een onlosmakelijk aspect vormen van het evolutiepatroon dat door die tol wordt gesymboliseerd. Natuurlijk dragen u en ik de volle verantwoording voor het welzijn van deze planeet, waardoor wij daarnaar binnen onze mogelijkheden dienen te handelen. Niet om angstig, idealistisch en krampachtig te proberen om de dingen te voorkomen, maar om de juiste weg te zoeken in het grote geheel. En die weg is voor iedereen anders. In dat opzicht geloof ik vooral in de waarde van de individuele verantwoordelijkheid en van jaar tot jaar iets minder in de waarde van de ingrepen van bovenaf.

Halverwege de opgaande cyclus breekt de volgende fase aan die kan worden weergegeven door de windingen die vanaf het midden naar de top gaan. Daarmee laat dit model zien wat er gebeurt nadat de westerse beschaving zijn groeikracht heeft verloren en de grote schoonmaak voorbij is. De overgebleven samenlevingsvormen vallen niet verder uiteen, want daarin zit het nieuwe leven dat nu al op sommige plaatsen tot wording begint te komen. In dat perspectief gaan de ontwikkelingen gewoon door, zij het dat er daarna sprake is van een omkeringsproces. In negatieve zin is er dan geen enkele ruimte meer voor egocentriciteit en negativisme, terwijl het leven een nieuwe inzet vraagt die destructiviteit onmogelijk maakt. Niet de materiële aspecten groeien het sterkst in de volgende fase van de evolutie, maar de geestelijke, als gevolg van het feit dat de verbindende krachten steeds meer van binnenuit gaan komen. Toekomstige samenlevingsvormen zullen daardoor primair worden gedragen door het algemene belang, wat nu nog een utopie is. Een dergelijke ingrijpende ommekeer kan onmogelijk vanzelf gaan, want alles moeten we leren, vrijwel altijd tegen wil en dank. Daardoor verwacht ik dat de veranderende omstandigheden ons in de loop der tijden in positieve zin zullen dwingen om anders naar de wereld en onszelf te leren kijken. Daarbij is het niet de vraag of ik gelijk heb, want mijn visie is niet meer dan een persoonlijk inzicht. Een ieder kan zichzelf onderzoeken met de vraag hoe zijn houding zou zijn als ik onverhoopt wel gelijk heb. Dat is de vraag, want alleen in dergelijke confrontaties leren we onszelf kennen zoals we werkelijk zijn.

materialisme en spiritualisme

Deze verwachting is voor een deel gebaseerd op een tweeledige ontwikkeling die in de zeventiger jaren is ingezet. Naast de impuls die primair is gericht op de materiële factoren des levens, kwam er een tegengestelde impuls tot ontwikkeling die primair is gericht op het geestelijke. Als voorbeeld daarvan zien we dat wetenschappers onophoudelijk streven naar meer exactheid en het ontdekken van steeds kleinere details, welke tendens veroorzaakt wordt door de gerichtheid op de materie. Tegengesteld daaraan is de impuls die met de term bewustwording beschreven kan worden. Met name op het terrein van de alternatieve geneeskunde werkt die impuls uit, waardoor de samenhang van het lichaam en de geest op dat terrein de volle aandacht krijgt. Daarmee suggereer ik niet dat reguliere artsen geen aandacht hebben voor de invloed van het bewustzijn op het lichaam. Maar in algemene zin is die tendens er wel. Daar staat tegenover dat we op het terrein van de alternatieve wetenschappen allerlei spirituele "genezers" tegenkomen die tamelijk onverantwoord aanrommelen. Het is dan onzinnig om de specifieke waarden van de reguliere en de alternatieve geneeskunde tegen elkaar af te wegen, want het ene kan niet meer zonder het andere. Daarom gaat het in deze tijd primair om het vinden van een nieuw soort evenwicht. En dat geldt niet alleen voor dit gebied, maar voor alle terreinen waar die beide impulsen zich manifesteren.

In dat opzicht maak ik een globale indeling in twee verschillende grondhoudingen. Mensen in wie de eerste grondhouding overheerst, zijn eenzijdig op de materie gericht en geloven niet in een hogere besturingsvorm. Zij schrijven alle ontwikkelingen in de wereld toe aan menselijk handelen, wetmatige ontwikkelingen en toeval. De tweede groep gelooft wel in een hogere besturingsvorm en wijst elke vorm van toeval af, want alles heeft een betekenis. Wanneer we de ene groep materialistisch noemen en de andere spiritualistisch, nemen de gelovigen een tussenpositie in die ik niet apart typeer. Met de schets van deze tweedeling heb ik namelijk een doel. Naarmate de tijdgeest zich ontwikkelt en de problemen in de wereld toenemen en meer ellende veroorzaken, verwacht ik dat er een groeiende scheiding ontstaat tussen mensen wier instelling eenzijdig wordt getypeerd door één der beide grondhoudingen. Omdat ik probeer die tegenstelling te verhelderen, drijf ik die tegenstelling hierna op de spits, waarbij ik geen enkele bedoeling heb om iemand daarmee te kwetsen. Daarom benadruk ik dat het mij nimmer gaat om het individu, maar alleen om de tegenstrijdige attituden die in ieder van ons zo herkenbaar kunnen zijn. Wie zich desondanks door mijn karakterisering gekwetst voelt, weet dat hij zich op dat punt met één der beide typen identificeert.

Omdat mensen van de eerste groep geloven in toeval, nemen gevoelens van zinloosheid, onvrede en onmacht toe naarmate hun problemen verergeren en hun leven steeds meer ontregeld wordt. In escalerende omstandigheden worden ze in toenemende mate op zichzelf teruggeworpen, wat bijna vanzelf leidt tot depressiviteit. Ook kunnen ze zich verbinden in negativiteit, wat zich uit in destructief en agressief gedrag. Wie zien dat nu al bij een deel van de jeugd dat lichamelijk en/of geestelijk is verwaarloosd, terwijl hun creatieve vermogens onvoldoende tot ontwikkeling zijn gekomen. Als de positieve energie geen uitlaatklep heeft gevonden, zien ze geen uitweg meer in het leven. En als die ongestructureerde energie er toch uit moet, leidt dat tot onhanteerbaar gedrag.

Geestelijke groeiprocessen verlopen precies andersom. De mogelijkheden die ontstonden in het laatste kwart van de 20ste eeuw maakten de spirituele opleving mogelijk die het tweede kenmerk is van deze tijd. Mensen die een toenemende behoefte voelden om zich geestelijk te ontplooien, kregen in die tijd alle kansen om aan zichzelf te werken. Die ontwikkeling was en is niet altijd rozengeur en maneschijn, want velen kwamen in eerste instantie zwaar in de problemen. En pas daarna drong het besef tot ze door, dat ze zich daarvan alleen konden bevrijden door heel hard aan zichzelf te werken. Vaak voel(d)en ze zich gedwongen om belemmerende relaties te verbreken en/of materiële zaken los te laten, waarbij soms kolossale inschattingsfouten werden en nog steeds worden gemaakt. Maar naarmate de problemen beter worden verwerkt, ontstaat er een groeiend besef van innerlijke vrede en zingeving. Hier vindt dus het omgekeerde plaats, in die zin dat de verwerking van materiële problemen leidt tot geestelijke groei. Daarbij leert men zichzelf en de wereld van een andere kant kennen, in een tijd dat anderen onbekommerd aan alle narigheid voorbij lijken te gaan. Dat is niet altijd gemakkelijk te accepteren. Maar wie daardoor leert begrijpen waarom de dingen gaan zoals ze gaan, ziet in dat de mens niets overkomt dat niet bij zijn ontwikkeling hoort. In die visie creëert de mens onbewust en bewust zijn eigen situatie, ook in pijn en narigheid. Men tracht dan voortdurend de zin van alle gebeurtenissen te begrijpen en anticipeert niet als een negatieve pessimist op de toekomst. In tegenstelling daarmee probeert men zo positief mogelijk te handelen waar er gehandeld kan worden en laat men dat na waar dat verspilling is van energie.

Materialisten en spiritualisten denken dat ze door hun verschillende geaardheid weinig met elkaar gemeen hebben, maar dat is niet juist. De kracht van de ene opvatting is namelijk de zwakte van de andere, waardoor ze elkaars attituden spiegelen. Omdat de mens veelal de betere eigenschappen bij zichzelf zoekt, projecteren wij in deze tegenstelling onze minder goede eigenschappen als een schaduw op de tegenpartij. Wie zich conformeert aan het materialisme, ergert zich daardoor al gauw aan de spiritualistische eigenschappen die hij in zichzelf verdringt. Dat maakt de veroordelende materialist veel spiritueler dan hij zich zou wensen. Wie zich daarentegen opvallend spiritueel opstelt, is om dezelfde reden doorgaans veel materialistischer dan hij wil erkennen.

Materialisten staan het liefst met beide voeten op de grond, wat een geaard en stevig uitgangspunt is. Zij lopen daarbij wel het gevaar dat ze met de bodem vergroeien, waardoor hun bewegingen trager worden en zelfs tot stilstand kunnen komen. Een zekere verstarring is daarvan het resultaat. Daar staat de vaagheid en veranderlijkheid van de spiritualist tegenover die de materialist een gruwel is. Hij betitelt die mensen als draaitollen en zwevers. De spiritualist zegt op zijn beurt dat hij geen behoefte heeft aan zo’n vastgewortelde stek, omdat hij vooruit wil in zijn geestelijke ontwikkeling. Wat de materialist vaagheid noemt is niets minder dan zuivere intuïtie, terwijl de gesuggereerde veranderlijkheid in zijn karakter ervan getuigt dat hij zich soepel opstelt. Zodoende zweeft en draait hij niet, maar is steeds op zoek naar de waarheid.

Als hij daarbij eerlijk is, erkent hij wel een hogere positie ingenomen te hebben dan de materialist, waardoor zijn overzicht veel ruimer is. Hij ergert zich dan mateloos als de tegenpartij zijn schitterende vergezicht zonder blikken of blozen omlaag haalt. Aangezien dat gebeurt bij schering en inslag, verandert de spiritualist zijn verticaal hogere positie in een horizontaal verdere. Wie anders dan de materialist is daarvan het slachtoffer, want alleen die is in geestelijk opzicht minder ver ontwikkeld. Toch voelt de materialist zich daardoor niet benadeeld. Want die is dik tevreden met zijn plekje op de grond, waar hij de dingen om zich heen veel scherper kan zien. Dat zogenaamde hogere vergezicht is voor hem veel te vaag en te irrealistisch om zich daarmee bezig te houden.

Zoals zo vaak het geval is, ligt ook de waarheid in deze tegenstelling ergens in het midden. De materialist is zweverig in zijn veroordeling van de mens die onophoudelijk op zoek is naar de diepere zingeving van het leven. De spiritualist is materialistisch waar hij zich verheft boven het lagere waarvan hij meent vrij te zijn. Zijn doorzichtige uitspraak "ik sta daar boven" verraadt zijn behoefte aan een soort stabiliteit die er nog niet is. Aangezien de spiritualist zich van nature interesseert in zaken als het leven na de dood, karma en wedergeboorte heeft de materialist goede redenen zich met dat soort dingen niet bezig te houden. Want als het zo moet, hoeft het niet. Hoe het dan wel moet, is zijn zaak niet. Verder is het duidelijk dat de materialist zich van nature thuis voelt in de wetenschap, terwijl de spiritualist meer gericht is op de esoterie. En alleen als we ons op alle terreinen thuis voelen, getuigen we van een zeker evenwicht.

rationalisme en spiritualisme

De tegenstelling tussen de wetenschap en de esoterie die als een rode draad door dit boek loopt, kunnen we ook verbinden met de begrippen rationaliteit en spiritualisme die hierna aan beide kanten van de spiegel worden gezet. In de wetenschap komen we veelvuldig het begrip rationalisme tegen, waarbij het rationele gedrag wordt gewaardeerd als een verstandige aanpak van bepaalde problemen. Men is in crisissituaties bijvoorbeeld veel beter in staat om de juiste beslissingen te nemen, als men zich niet door emoties laat meeslepen of afleiden. Die houding kan levensreddend zijn als iemand zijn angst of persoonlijke betrokkenheid bij gevaar kan onderdrukken. Om dat functionele rationalisme gaat het niet in de hierna te bespreken tegenstelling. Ik doel hier op de mens die er voortdurend prat op gaat dat hij rationeel is en analytisch denkt, terwijl hij in die houding zijn zwakte verraadt. Zijn rationaliteit is geconditioneerd, in die zin dat zijn levenshouding hem in de greep heeft. Want als we vragen voor de afwisseling eens een beslissing te nemen in de volle kracht van zijn gevoelsleven, zal hem dat niet lukken. Daarmee verwart hij zijn zwakte dus met kracht.

Zonder dat veel mensen dat beseffen, liggen onbewuste angstgevoelens en onzekerheid aan dat vèr-standelijk rationalisme ten grondslag. Die gevoelens zijn niet bewust onderdrukt en weggestopt, waarbij men zich flinker voordoet dan men in werkelijkheid is. Die mens is er volledig van overtuigd dat die houding niet uit angst of onzekerheid voortkomt. Maar als we opperen dat hij op een onbewust niveau misschien wel angstig is, zien we dat bevestigd door het onnadenkende verzet en de afwerende lichaamstaal. Door mijn werk als regressietherapeut heb ik ervaren dat het grootste deel van alle (on)bewuste angsten wortelt in de middeleeuwen die zo vol onbegrepen gevaar waren. Wij geloven niet dat het verleden in deze verlichte tijd nog zo’n grote rol kan spelen. Maar wie ooit een traumatische gebeurtenis uit een vorig leven [= vl] heeft herbeleefd, weet dat eeuwenoude nog niet verwerkte angsten in ons onderbewustzijn doorwerken. In dat opzicht verbergt dat rationalisme een positief element, omdat het verlammende karakter van die angsten op de lange duur door dat schijnzekere gedrag getransformeerd wordt. Maar voordat het zover is, neigt men ertoe andersdenkenden verbaal aan te vallen waar dat volstrekt onnodig of zelfs ongewenst is. Men projecteert zijn onmacht op de tegenstander en valt die aan op de zwakste plek. Daarmee is de vèr-standelijk rationele mens zijn eigen tegenstelling. Enerzijds leert hij door de kracht van zijn woorden een plaatsje in de wereld te veroveren. Anderzijds misbruikt hij die kracht, om te voorkomen dat hij geconfronteerd wordt met reacties op de minder aangename kant van zijn gedrag.

Die onverwerkte angsten en onzekerheden werken op een collectieve wijze in ons door en manifesteren zich op een rationele wijze in het materialisme, scepticisme en atheïsme. Omdat er in de middeleeuwen weinig zekerheden waren en de ongrijpbare duivel overal om ons heen loerde, rationaliseert de vèr-standelijke wetenschapper het onzichtbare weg dat hij niet be-grijpen en be-vatten kan. Ook het ongenuanceerde verzet van de reguliere geneeskunde tegen de alternatieve ontwikkelingen is in de kern een afweerreactie tegen het bovennatuurlijke, dat zo bedreigend is omdat het niet kan worden waargenomen en gegrepen.

Hierna komt de vèr-spiritualiseerde mens in beeld die zich met bruisend enthousiasme richt op lokkende verten. Helaas is zijn horizon te ver om het hele gebied te kunnen overzien, waardoor zijn gerichtheid weinig is gecentreerd. Als gevolg daarvan ziet hij vage omtrekken, maar mist de details niet, tevreden als hij is met zijn verheven uitzicht. Wanneer we hem vragen zijn inzichten helder te verwoorden lukt dat niet, waaruit blijkt dat zijn opvattingen onvoldoende zijn doordacht. Hij is echter een andere mening toegedaan en vindt dat de meeste mensen onbewust leven, terwijl hij juist alles overziet. En als hijzelf in de problemen is geraakt, heeft dat niets met oppervlakkigheid te maken, waardoor hij geen adviezen nodig heeft. Te pas en te onpas verkondigt hij dan boven die problemen te staan, welk gedrag net zo afstotend is als het cynisme van de scepticus. Want in het ‘er boven staan’ gaat een oordeel verborgen dat gepaard gaat aan een even groot gebrek aan zelfkennis.

Wat deze groepering betreft, bloeide het spirituele leven in de zeventiger jaren onverwachts en zo krachtig op dat het nauwelijks was bij te houden. Even plotseling borrelden er talrijke spirituele leraren omhoog, die na het tanende gezag van de kerk en de ontoereikendheid van de wetenschap de juiste autoriteit leken te zijn. Scharen bewonderaars verzamelden zich op plaatsen waar deze alwetende meesters hun bodemloos diepzinnige en hoogdravende esoterische vaagheden verkondigden. En hun met verve gebrachte ideeën woekerden overal waar ze niet geverifieerd konden worden. Die meesterlijke bijdragen worden in bepaalde kringen nog steeds hoog geacht, maar zijn verwaarloosbaar. Het goede dat de meer geaarde voorgangers hebben voortgebracht is van een geheel andere aard. Dat goede blijkt veel minder uit hun woorden, maar primair uit hun daden, waardoor zij nooit zichzelf centraal stellen.

Dat er verband is tussen dit rationalisme en spiritualisme, blijkt wel uit het feit dat beide tendensen in dezelfde tijd in opkomst kwamen. Als we deze attituden met elkaar vergelijken, kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat het uitingen zijn van dezelfde vèr-standelijkheid. De materialist handelt en denkt primair met zijn hoofd, de zwever handelt en voelt primair met zijn buik, terwijl het beter is als hoofd en buik gezamenlijk in de ledematen tot actie komen. Hiermee geef ik mijn mening weer dat de overtrokken tegenstelling tussen de wetenschap en de esoterie een tijdverschijnsel is, dat tot uitdrukking wordt gebracht door vèr-standelijke mensen die onvoldoende in harmonie zijn met zichzelf en de wereld. Het ware beter dat wij inzien dat het ene niet beter is of slechter dan het andere. In dat geval onthoudt de rationalist zich van opvattingen over al dan niet bestaande werkelijkheden die hij niet kan waarnemen. De spiritualist op zijn beurt begrijpt dan dat het atheïsme zuiverder beleefd kan worden dan het mysticisme, terwijl het gedrag van de scepticus gerechtvaardigder kan zijn dan het gedrag van de idealist. Zelfs de ratio kan zinniger zijn dan het luisteren naar de intuïtie.

Wetenschap, godsdienst en esoterie

inleiding

Hierna vergelijken we de uitgangspunten van de wetenschap, de godsdienst en de esoterie. Daarmee signaleer ik een immense kloof tussen het wereldbeeld van de esoterie en het wereldbeeld dat door vrijwel de gehele Nederlandse bevolking wordt aangehangen. Daar komt nog bij dat de UG op enkele essentiële punten afwijkt van de verschillende esoterische leringen, waardoor deze theorie eigenlijk bij geen bestaande opvatting aansluit.

godsdienst en wetenschap

In het spanningsveld van wetenschap en esoterie neemt de religie een tussenpositie in. Het is daarbij opvallend hoe groot het verzet is van de christen tegen de esoterie, terwijl hij probleemloos functioneert in het veld van de wetenschap. En dan te weten dat het materialisme in de wetenschap na de 17de eeuw is ontstaan als een reactie op de dogmatiek van de kerk. De oorzaak van dat probleemloze samengaan ligt in het christelijke geloof dat er een onoverbrugbare scheiding is tussen het hiernamaals en de wereld waarin wij leven. Dit wereldse bestaan is stoffelijk en tijdelijk, terwijl het leven na de dood onstoffelijk is en eeuwig. Aldus zijn die beide werelden strikt gescheiden, waardoor alleen de zichtbare werkelijkheid onderzocht kan worden. Als gevolg daarvan kijken beide groeperingen op een vergelijkbare wijze naar de wereld. Wetenschappers proberen het ontstaan van alle gebeurtenissen en het verloop van alle processen te verklaren in termen van oorzaak en gevolg. En wanneer dat niet mogelijk is, blijft er weinig anders over dan te accepteren dat er sprake is van een gebrek aan kennis, toeval, pech of geluk. Christenen geloven dat God in een andere werkelijkheid leeft, en van daaruit de wereld aan de wetmatigheid en toevalligheden overlaat op alle momenten dat hij niet ingrijpt. En wanneer God wel ingrijpt, zien we dat toch niet en begrijpen daar niets van. Aldus voegt de christen aan het wereldbeeld van de wetenschap niets anders toe dan de onbegrijpelijke en onwaarneembare ingrepen van God. Daarmee wijkt het christelijke wereldbeeld slechts op dat ene punt af van de wetenschap. Daarom kunnen de strengste gelovigen en de grootste materialisten functioneren als twee handen op één en dezelfde wetenschappelijke buik.

godsdienst en esoterie

Totaal verschillend is de relatie tussen de godsdienst en de esoterie die een afwijkende visie heeft op het goddelijke en het hiernamaals. Die verschillen zijn niet gering, waardoor de esoterie vroeger als een ernstige bedreiging voor het zuivere geloof werd opgevat. Waren de walgelijke moordpartijen in de late middeleeuwen niet gericht tegen heksen, die met hun kruidenkennis, voorspellende gaven, neiging tot uittreding en soms zelfs een tijdelijke gewichtsafname veel sensitiever waren dan het volgzame katholieke publiek dat met volle teugen van die goddelijke brandstapels genoot! In deze dagen vliegen sensitieve mensen niet meer op bezemstelen en voelen zich doorgaans meer aangetrokken tot de esoterie dan tot de godsdienst.

Misschien wel het belangrijkste verschil tussen de godsdienst en de esoterie wortelt in de voorstelling die men van het opperste maakt. Joden, christenen en mohammedanen hebben een antropomorfistische [mens =antropos, morfisme =vormgeving] aan God gegeven, waarbij hij mannelijk is, denkt, voelt, een wil heeft en ons gedrag van bovenaf beoordeelt. Gelijktijdig staat die antropomorfistische godheid in de meest absolute zin boven de mens, wat moeilijk te rijmen is. Ook de esoterie zegt dat God alle menselijke eigenschappen te boven gaat. Maar in die visie is God niet mannelijk, denkt en voelt niet, heeft geen menselijke wil en beoordeelt ons niet van bovenaf. Alles wat de mens zich van God voorstelt is in die denkwijze een menselijke projectie, waardoor er niets overblijft van de christelijke godheid. In die verwerping is de esoterie niet atheïstisch. De atheïst wijst in alle opzichten het bestaan af van het allerhoogste, terwijl de esoterie leert dat het allerhoogste niet gekend kan worden. Het is echter wel mogelijk om indirect naar God te verwijzen, omdat de mens in de diepste kern goddelijk is.

Door de menselijkheid van God is het de christen gegeven om een persoonlijk gesprek met Hem aan te gaan. Dat bidden is het hoogste wat hij kan doen, hoewel dat hoogste doorgaans bestaat uit een reeks vragen om gunsten. Zo smeken miljoenen mensen in een oorlog of God hun goedgunstig wil zijn ten koste van hun vijanden, terwijl die vijanden hetzelfde doen, waarmee ze het God erg moeilijk maken. De esoterie kent die mogelijkheid niet, want in die leer is de stem van God de stem van ons eigen innerlijk. En die stem wordt des te zuiverder naarmate we minder om gunsten vragen en meer op zoek gaan naar de zingeving die achter alle narigheid en ellende verborgen gaat. In dat opzicht leert de esoterie dat wij altijd zelf onze eigen situatie zijn, in die zin dat er een onmiskenbaar verband is tussen onze zelfkennis en het inzicht dat we van een bepaalde gebeurtenis kunnen leren. Hoe meer we in stilte leren luisteren naar die innerlijke stem, hoe beter we de verborgen zingeving gaan begrijpen van de dingen die ons overkomen.

Wat het leven na de dood betreft, leert de kerk dat wij voor onze daden worden gestraft in de hel of beloond in de hemel. Daarop wordt betrekkelijk veel nadruk gelegd, omdat de individuele mens in de eeuwigheid wordt geheiligd of verdoemd. De esoterie wijst dat geloof om meerdere redenen af. Daarbij zegt het belangrijkste uitgangspunt dat er geen hemel of hel bestaat zoals de kerk dat leert. Belangrijker acht men de opvatting dat we de hemel niet na de dood moeten zoeken, maar tijdens het leven op aarde zoals Jezus en Boeddha dat hebben verkondigd. Jezus voegde daaraan wel toe dat slechts heel weinig mensen de enge (smalle) weg zien die de toegang geeft naar het koninkrijk van de Vader op aarde. Toch hoopt de christen dat hij na de dood naar God gaat, terwijl de esoterische leer de mens laat reïncarneren en daarmee alle nadruk legt op het leven op aarde. Dat neemt niet weg dat er ook in de esoterische leer sprake is van een hemel. Maar dat is de goddelijke bron waaruit het ego is ontstaan en er na dit leven in terugkeert.

wetenschap en esoterie

Zo verdraagzaam als de wetenschap is ten opzichte van de godsdienst, zo groot is haar afkeer van de esoterie en de astrologie die daarvan een onlosmakelijk aspect is. Dat blijkt wel uit het boekje ‘De mythe van de astrologie’, waarin 122 vooraanstaande geleerden onder wie 19 Nobelprijswinnaars in 1976 hun mening over de astrologie niet onder stoel of kerkelijke bank hebben gestoken. Van mensen die hun gezag inzetten in het belang van een gezamenlijke publicatie tegen de astrologie, mag de uiterste zorgvuldigheid verwacht worden. Want door het uitermate hoge niveau van wetenschap en het grote aantal ondertekenaars mogen we zonder meer stellen, dat dit artikel de houding van de wetenschap ten aanzien van dit onderwerp tot uitdrukking brengt. Daarbij is het niet relevant dat dit boekje enige tijd geleden geschreven is. Want sinds die tijd zijn er geen gegevens boven tafel gekomen die tot andere inzichten kunnen leiden.

De Society for the Psychological Study of Social Issues in de V.S. verkondigde in dat boekje bij monde van professor B. de Bok de volgende opvatting: "De belangrijkste reden waarom mensen zich tot de astrologie en aanverwante bijgeloven wenden, is dat ze in hun leven de middelen ontberen om ernstige persoonlijke problemen op te lossen door ze onder ogen te zien. Wanneer morele attitudes worden afgezwakt door depressie of oorlog, neemt de verwarring toe, wordt het zelfvertrouwen minder en verbreidt het geloof in het occulte zich." Nog een paar graden enthousiaster schreef de Nederlandse filosoof prof. Delfgaauw in het voorwoord: "De astroloog doet afstand van zijn persoonlijke verantwoordelijkheid en delegeert die aan de sterren. Daarmee is de sterrengelovige zo bezeten van het lezen van zijn lot, dat de wereld voor hem niet meer bestaat."

Dit vernietigende oordeel op het allerhoogste niveau van wetenschap heeft een christelijk-materialistisch tintje. De christelijke wetenschappers uit dat gezelschap accepteren niet dat de sterren invloed hebben op de mens, want een dergelijke invloed heeft God alleen. Dat standpunt is in wetenschappelijk opzicht onzinnig en dus onwetenschappelijk. En de materialisten uit dezelfde groep accepteren dat niet, omdat de materie in hun visie geen bewustzijn heeft. Het wetenschappelijke verzet tegen de astrologie moet zich daarom volledig richten tegen de esoterische opvatting, dat de mens niet alleen naar zijn lichaam een deel is van de aarde, maar dat ook zijn bewustzijn uit de aarde voortkomt. En dat wordt onmogelijk geacht, omdat de instrumenten niet aantonen dat de aarde en de sterren bewustzijn hebben. Verder is men ervan overtuigd dat er niets bestaat dat hoger bewust is en meer kennis heeft dan de mens, c.q. de wetenschapper. In die visie wordt de aarde dus dood verklaard en verzet men zich tegen de opvatting van Lovelock dat de aarde een organisme is dat over een regulerend vermogen beschikt.

Van een geheel andere orde dan het voornoemde boekje is het werk ‘Astrologie; zin of onzin?’ van Martens en Trachet. Dat bijna vernietigende werk is op degelijke argumenten gebaseerd. En dan maken de astrologen een fout als zij die kritiek negeren en niet proberen er hun voordeel mee te doen.

Wat de waarde van de astrologie betreft, verwijs ik naar Nostradamus en Plato bij wie we een andere visie beluisteren. Nostradamus schreef in de 16de eeuw dat de mens, zijn planeet en het heelal één bewegend organisme vormen, terwijl Plato schreef dat het woord theos [= god] is afgeleid van een werkwoord dat bewegen betekent. In dat perspectief is God de beweger van de mens en de stelsels waarvan wij deel uitmaken, wat het mogelijk maakt om uit de planetaire bewegingen een soort zinvol gedrag af te leiden. Dan draaien de planeten niet mechanisch om elkaar heen, maar vertelt elke beweging iets van de "fysieke" en "psychische" conditie van dat hemellichaam. En omdat de mens naar zijn hele wezen deel uitmaakt van dat planetaire geheel, zijn we in staat om uit de loop van de aarde rondom de zon een toestand af te leiden die zijn weerslag heeft op onze eigen conditie.

Omdat de verhouding tussen de wetenschap en de esoterie gespannen is en vrij vaak ter sprake gebracht moet worden, verwijs ik op dit punt naar Gary Zukav’s boek ‘De dansende Woe-li meesters. Daarin schrijft hij: "De meeste mensen bedoelen als ze wetenschapper zeggen eigenlijk technicus. Een technicus is iemand met een hoogwaardige opleiding, wiens taak het is bekende technieken en principes toe te passen. Een wetenschapper is iemand die het ware karakter van de werkelijkheid probeert te doorgronden. Hij houdt zich bezig met het onbekende. Kort gezegd ontdekken wetenschappers, terwijl technici toepassen. De laatste categorie heeft geen belangstelling voor het wezenlijk nieuwe. Hun optiek is betrekkelijk smal." Ik denk dat hij daarin gelijk heeft. Maar juist de technici die zich erop beroemen wetenschapper te zijn, doen de meest onzinnige uitspraken over onderwerpen waarvan ze weinig tot niets weten. Tegen die categorie richt ik mijn verweer. De echte wetenschapper weet wat hij onderzoekt en weet ook waarover hij geen uitspraken kan doen. Toch toont het boekje ‘De mythe van de astrologie’ aan dat sommige overtuigingen in de wetenschap een veel grotere rol spelen dan wetenschappelijk verantwoord is.

HET VICIEUZE KARAKTER VAN DE GELOOFSOVERTUIGING

De besproken tegenstellingen hierna met rust latend, is het duidelijk dat iedereen probeert de wereld op zijn eigen manier te begrijpen. Daarbij komt het betrekkelijk vaak voor dat we alleen de dingen willen zien, horen en begrijpen die in onze kraam te pas komen. Daardoor vind ik het een groot voordeel dat de doordenking van de logica van de UG voor mij zeer confronterend was en dat voor veel anderen ook zal zijn. Toen ik dat eens overdacht, hoorde ik iemand achter mij zeggen dat hij niet in God gelooft. "Waarom niet?" zo reageerde ik tamelijk impulsief. En voordat ik inzag dat die vraag tot niets kon leiden, hoorde ik hem al zeggen: "Omdat ik niet geloof in een god die naar willekeur handelt." En toen kon ik helaas niet meer stoppen. "Wie zegt dan dat God willekeurig handelt?" antwoordde ik daarop. "Nou, dat is toch wat mensen van God denken?" "Maar wie denkt er in dit geval?" zo vroeg ik opnieuw. "Denkt u na over het wezen van God, denkt u na over wat mensen denken over het wezen van God, of denkt u niet na over wat mensen zeggen die ook niet nadenken?" "Dat begrijp ik geloof ik niet zo erg goed," was het verwarde antwoord, waardoor ik aan dat geloof geen touw kon vastknopen.

"Ik geloof niet in reïncarnatie," hoorde ik zijn buurman zeggen. "Zo, en waarom niet?" luidde mijn al even impulsieve vraag, want ook dat onderwerp ligt mij na aan het hart. "Ik zie dat als de behoefte om weer op de aarde terug te komen. Dat geloof is een verkapte uiting van de gehechtheid aan het leven," luidde het antwoord. "Is dat zo, maar hoe weet u dat reïncarnatie inhoudt dat WIJ ZELF terugkomen?" vroeg ik. "Dat is toch logisch," luidde het scherpzinnige antwoord. "En waarom is dat logisch?" kwam ik terug. "Het re- als voorvoegsel van incarnatie duidt er toch op dat wij terugkomen in het vlees, niet waar?" Dat antwoord was inderdaad niet waar en zelfs uitermate onlogisch. Volgens mij, alle boeddhisten plus vele anderen, en dat zijn er nogal wat, leven wij als zelfbewust wezen slechts éénmaal op deze aarde.

Middels deze sche(r)ts probeer ik aan te geven dat iedere vorm van religieus geloof is gebaseerd op fundamentele onwetendheid. Het klinkt prachtig om het geloof te verbinden met de onvoorwaardelijke overgave aan Jezus of God, omdat daarmee het onwankelbare karakter van dat geloof is geheiligd. En omdat het zich richt op God, kan er niets hogers zijn dan dat. Hetzelfde geldt voor de wetenschap, want ook aan de verbinding daarmee kan iemand een soort schijngezag ontlenen dat anderen niet gemakkelijk kunnen weerleggen. Deze overtuigingen worden in de godsdienst en in bepaalde gevalleen ook in de wetenschap als waardevol beoordeeld, terwijl ze gekenmerkt worden door een afhankelijke gebondenheid. Daarmee verschilt het overtuigde geloof van het zuivere geloof dat getuigt van een open wereldbeeld waarin alle denkbare perspectieven bestaan. Het is onmogelijk om te functioneren zonder geloof en veronderstellingen, omdat niemand de werkelijkheid in al zijn aspecten kent. Maar als het geloof een standvastig karakter heeft aangenomen, is er sprake van verstarde gevoelens en vastgeroeste gedachten. Het maakt dan niet meer uit of we in de wetenschap geloven of in God. In al die gevallen is de overtuiging bewustzijnsvernauwend.

In 2004 vertelde een non die in het zuiden van Frankrijk woonde op de televisie hoe indrukwekkend de hemelwereld des avonds kan zijn. Alles was zo groots, dat ze soms bijna ongelovig werd. Ze vroeg zich op die momenten namelijk af hoe het mogelijk is dat God als de schepper van het oneindige universum zich met haar kleine persoontje kon bemoeien. Deze vrouw die geregeld opging in de onbevattelijke grootsheid van het bestaan, voelde zich schuldig omdat ze God op die overweldigende momenten niet in het vermenselijkte kader kon plaatsen dat de kerk aan Hem heeft gegeven. Blijkbaar horen dergelijke vragen niet thuis in de godsdienst, want twijfelen aan zijn almacht is zondig.

Dat geloofsovertuigingen ook in de wetenschap een belemmerende rol spelen, blijkt als wetenschappers met ideeën worden geconfronteerd die dwars ingaan tegen wat voorheen bewezen leek te zijn. Daarop wijzend zei de geniale grondlegger van de nieuwe natuurkunde Max Planck: "Een waarheid triomfeert niet omdat zij haar tegenstanders overtuigt en het licht laat zien. Maar omdat de tegenstanders uiteindelijk sterven en er een nieuwe generatie opgroeit die ermee bekend is." In dat opzicht geloven veel wetenschappers op dezelfde wijze als godsdienstige mensen.

In algemene zin mogen we stellen, dat naarmate wij sterker overtuigd zijn wij meer verdringen wat we niet willen waarnemen, en benadrukken wat wij belangrijk vinden. Om te voorkomen dat een overtuiging prijsgegeven moet worden, creëren we een veld van afwerende attituden tegen andersdenkenden. Daarbij zijn we geneigd om ons aan te sluiten bij een groep waarbinnen die overtuiging wordt bevestigd en bekrachtigd. De daaruit voortkomende mentale verharding staat echter voortdurend onder druk van het tegengas van de wereld, waardoor elke overtuiging geleidelijk slijt of schoksgewijs verandert. We kunnen dat vergelijken met een zeilschip dat over-tuigd is om sneller vooruit te komen. Elk schip dat teveel zeil opzet, strandt of vergaat in zee als de windkracht te sterk wordt. En pas als iemand de opgelopen schade repareert, kan dat schip weer vooruit.

leren en bewustwording

de tijdgeest en de managerziekte

Als ik me afvraag hoe we in deze tijd met onze kennisgebieden omgaan, valt het mij op dat de aloude opvatting ‘Kennis is macht’ vooral vorm heeft gekregen in de diplomering. Daarbij verwijst die macht veel meer naar de verwerving van een goed betaalde baan dan naar het leerproces als zodanig. Daarmee bedoel ik dat het eindresultaat van de meeste studies veel belangrijker is geworden dan de vraag wat de verworven kennis voor onze ontwikkeling betekent. Tijdens zijn studie wordt de student geleerd om modellen toe te passen die anderen voor hem hebben bedacht, terwijl hij dat vanzelfsprekend vindt, omdat hij daarvan iets kan leren. Hoewel niemand dat laatste kan ontkennen, heeft het aanleren van modellen geleid tot deze vergadermaatschappij waarin modellen eindeloos worden besproken, gewijzigd en geherwaardeerd. En daarna komt de man met de bijl die met een nieuw model alles herstructureert. Helaas gaan die modellen primair over modellen en gemodelleerde mensen, waarbij het aantal managers onophoudelijk groeit ten koste van de mensen op de werkvloer. Als bijverschijnsel holt men in een toenemend aantal gevallen de nog bestaande waarden en werklust uit zonder de oorzaak daarvan te beseffen. Dat men in die gevallen niet weet hoe het anders moet, wijt ik niet alleen aan de kwaliteit van ons vèr-standelijke onderwijs en al diegenen die de vèr-standelijke regels bedenken. De primaire oorzaak ligt bij de tijdgeest, dat wil zeggen bij ons allemaal. En daarmee zijn we weer terug bij de problemen die in deze tijd steeds grotere vormen aannemen.

tijdgeest en bewustzijn

De problemen van deze tijd worden niet veroorzaakt door de schrijvers van leerboeken, de leraren, leerlingen en de ouders, niet door de presidenten en politici, niet door de politie, de gastarbeiders, de mensen met geld, inhalige werkgevers, onwerkwillige werknemers, werklozen, de economie, het materialisme, de godsdienst, het fundamentalisme, de kerken, de moskeeën, de televisie met zoveel geweld, de normvervaging, de bureaucratie en alles wat we nog meer kunnen bedenken. Het gedrag van iedereen is zoals Lovelock zei de uitdrukking van één en hetzelfde krachtenspel, wat voor mij de tijdgeest is die in iedereen doorwerkt.

Voor de verklaring van de door mij gesignaleerde vèr-standelijkheid vind ik alleen aansluiting bij de esoterie die ons leert dat alle mensen naast het onderbewuste en het zelfbewustzijn ook een hoger bewustzijn hebben. In dat drievoudige verband van het lagere, gewone en hogere bewustzijn werk ik in de UG de gedachte uit dat de mens op dat hoogste niveau bewust is zonder daarvan bewust te zijn. Daarmee komt dat bewustzijn dichtbij wat Jung destijds het collectief onbewuste heeft genoemd. Die collectieve verbinding laat zich vertalen in de opvatting dat alle mensen op een bovenpersoonlijk niveau met elkaar zijn verbonden, zonder dat wij dat zelf ervaren. Uit dat collectief onbewuste komen alle impulsen voort die het bewustzijn van de individuele mens, groepen van mensen en de mensheid als één geheel aanzetten tot handelen. In die opvatting kunnen we de aard van de besproken impulsen alleen begrijpen als de tijdgeest die zich verwerkelijkt in dat collectief onbewuste.

Als mijn visie juist is dat er sprake is van collectief doorwerkende impulsen waarvan wij niet bewust zijn, terwijl die impulsen steeds meer versnellen, mogen we verwachten dat de meeste mensen steeds heftiger op die tijdgeest gaan reageren. De UG werkt daarnaast de gedachte uit dat de mens zijn persoonlijke zingeving ontleent aan de verbinding met dat collectieve bewustzijn. Daardoor kan er geen wrijving zijn tussen de zingeving van ons eigen leven en de zingeving die zich in de wereld manifesteert. Daaruit mogen we afleiden dat iedere vorm van verzet tegen de tijdgeest in wezen een vorm van verzet is tegen de zingeving van ons eigen leven. Daar staat dan tegenover dat we elke verandering in de wereld beter gaan accepteren (passief) en daarbij adequater gaan ingrijpen (actief), naarmate wij beter leren luisteren naar onszelf. Het klinkt gek, maar dat is de ware betekenis van het woord religie.

religie en de ware verbinding

Het Latijnse ‘religare’ betekent jezelf in verbinding brengen, of trouw betonen aan iets anders dan jezelf. In de afgelopen eeuwen is dat begrip door de christelijke godsdiensten vertaald in de trouw aan de kerk en de zich boven het volk verheffende machthebbers. In werkelijkheid geeft dit begrip echter aan dat wij voortdurend proberen in verbinding te komen met iets hogers dat buiten ons gezichtsveld valt en toch in onszelf verborgen ligt. Plato beschreef 2400 jaar geleden dat de mens in dat opzicht in twee werelden leeft, waarbij zijn verhaal van de grot alleszeggend is. Het volgende gedeelte heb ik uit zijn boek Politeia (De Staat) overgenomen.

"Stelt u zich eens mensen voor die in een zeker onderaards rotsachtig hol wonen dat over de gehele lengte naar het licht toe een brede opening heeft. Hierin nu bevinden zich mensen die van hun jeugd af, aan armen, benen en hals zijn gebonden, zodat ze bepaald in dat hol moeten blijven, er slechts voor zich uit kunnen zien en door hun boeien in de onmogelijkheid verkeren hun hoofd naar een andere richting te wenden. Een van boven uit de verte stralend licht beschijnt hen van achter, en tussen het vuur en de geboeide mensen loopt er boven hun hoofd een weg. Verbeeldt u zich dat er langs de weg een muur is gebouwd, op dezelfde wijze als er een schot is tussen de marionettenspelers en de toeschouwers, waarboven zij hun ledenpoppen vertonen. Dat alles heb ik in mijn verbeelding voor me.

Stelt u zich nu verder voor dat er zich langs die muur mensen bewegen en verder ook met dieren van steen en van hout, kortom allerlei voorwerpen die van boven de muur uitsteken. Zoals het gewoonlijk gaat, zijn er enkelen die spreken, anderen zwijgen. Vreemd is dit beeld en vreemd zulke gevangenen. Maar toch gelijken zij precies op ons. Want gelooft ge dat zij van zichzelf ooit iets anders gezien hebben dan de schaduwen die door het licht op de muur van het hol dat tegenover hen bevindt worden teruggekaatst? Hoe zouden zij die toch hun gehele leven genoodzaakt zijn hun hoofd onbeweeglijk te houden, ooit iets anders dan schaduwen kunnen zien? En wat zien zij van de dingen die voorbijgedragen worden? Niet eveneens een schaduw? Natuurlijk. En als het nu eens mogelijk was dat ze met elkaar konden spreken, denkt u dan niet, dat zij op hun manier aan de dingen die zij zien voorbijdragen een naam zouden geven? Ga nu eens na wat hun zou overkomen als men hen zou bevrijden van hun boeien en genezen van hun begoocheling en hij zou gedwongen worden zijn hoofd om te draaien, en in het licht te zien, en verder door dit zien pijn leed, en door het verblindend licht niet eens goed naar de dingen kon kijken, waarvan hij tot nog toe slechts de schaduwen had aanschouwd. Hij zou menen dat hij een weinig dichter bij het zijnde zou zijn gekomen en dichter bij de dingen. En als men hem nu met geweld door de ruwe en steile opgang plotseling uit zijn hol wegtrok, hij zou dan" vrij vertaald en door mij aangevuld niets meer zien. Niet omdat de bron van dat licht te fel is, maar omdat wij dat andere geestelijke licht niet met de ogen kunnen zien.

Zowel uit dit verslag als uit zijn wijsbegeerte kunnen we afleiden dat Plato dat hogere bewustzijn zelf had ervaren. Dat we die ervaring niet cadeau krijgen, lezen we in het Thomas-evangelie: "De discipelen zeiden tot Jezus: Op welke dag zal het koninkrijk komen? Jezus zeide: Het komt niet in een verwachting. Men zal niet zeggen: ziet hier of ziet daar. Maar het koninkrijk van de Vader is uitgebreid op de aarde en de mensen zien het niet". Daarmee is het koninkrijk van de Vader niets anders dan het bewustzijn in het ware licht, dat alleen bij gebrek aan beter de naam licht draagt.

Omdat de vroege kerk ‘het koninkrijk Gods’ exclusief met Jezus en het leven na de dood heeft verbonden, is dat begrip zwaar beladen. Daardoor moet het wel vreemd klinken dat het koninkrijk Gods van oorsprong in de wereld thuishoort en niets met het hiernamaals te maken heeft. In dat verband geeft het begrip religare aan dat het in essentie in de bestemming van alle mensen ligt besloten, om zich tijdens het leven op aarde te leren verbinden met dat goddelijke koninkrijk in de mens. De innerlijke verbinding met die bron is geen illusie, geen droom voor zwevers of alleen weggelegd voor de hoogstbewuste mensen op deze aarde. Dat bewustzijn leeft in ieder van ons en draagt in de UG de naam transcendent bewustzijn.

de voeding van het transcendente bewustzijn

Veel mensen geloven dat er geen hogere realiteit bestaat dan de zichtbare werkelijkheid en het bewustzijn dat daarover nadenkt. In het verlengde daarvan geloven veel wetenschappers dat er in dit universum niets kan bestaan dat boven de wetenschap uitgaat. Die mening deel ik niet. Evenmin beschouw ik het bidden als het hoogste bewustzijn, omdat we dan persoonlijk voelen, denken en vaak ook nog vragen. Het transcendente bewustzijn gaat daarentegen volledig uit boven de zelfervaring en daarnaast ook nog boven het collectief onbewuste. De esoterie leert dienaangaande dat we door te mediteren hogerbewust kunnen worden, welke opvatting ik onder bepaalde voorwaarden onderschrijf. Om die voorwaarden gaat het voorlopig niet. Nu gaat het alleen om de stelling dat wij zelfs op dit moment met dat hoogste bewustzijn zijn verbonden; niet direct, maar wel indirect. Wij zouden namelijk volkomen stuurloos worden op het moment dat ons persoonlijke bewustzijn niet meer gevoed wordt door het collectief onbewuste, dat op zijn beurt wordt gevoed door de transcendente laag van het bewustzijn. Zonder die allerhoogste voeding waren we zelfs gelijk aan de dieren.

Misschien wordt dat verband iets duidelijker als we gebruik maken van de begrippen onderbewust, zelfbewust en bovenbewust. Freud heeft ons geleerd dat het bewustzijn van de mens vergeleken mag worden met een ijsberg die voor 90% onder water verborgen gaat. Het on(der)bewuste is dan onzichtbaar onder de waterspiegel, in welke vergelijking onze bewuste gedragingen, voorstellingen, gevoelens en intenties slechts 10% uitmaken van ons bewustzijn. Daarnaast sprak Jung van het collectief onbewuste, dat in de UG als bovenbewust wordt opgevat en ook het hogerzelf genoemd mag worden. Als we dat toevoegen en er een drietal van maken, verandert de verhouding doordat we voor 45% onderbewust en voor 45% bovenbewust zijn, terwijl we voor 10% bewust zijn van onszelf. Vervolgens plaatsen we de laag van het transcendente bewustzijn weer boven dat drietal, zijnde het hogerzelf (= collectief onbewuste), het zelfbewustzijn en het on(der)bewuste. Aldus is het transcendente bewustzijn in die verbinding de voedende bron die bij alle mensen in eerste instantie het hogerzelf activeert, dat in tweede instantie onze persoonlijke ontwikkelingen aanstuurt. En zo ontlenen wij de zingeving van ons persoonlijke bestaan indirect aan het hogerzelf en dubbel indirect aan de goddelijke bron. Dit wordt in het zevende hoofdstuk bij de bespreking van de leer van Plato duidelijk gemaakt.

Volgens de UG draaien onze denkprocessen in zinloze kringetjes rond als er geen adequate verbinding (religare) is tussen het persoonlijke bewustzijn en het hogerzelf, dat op zijn beurt zonder enige begrenzing wordt gevoed door dat allesverbindende transcendente bewustzijn. De denker handelt dan niet zinvol, maar dartelt rond als een uitgelaten hond die reageert op zintuiglijke indrukken en zich blindelings vastbijt in "rondvliegende" gedachten. Misschien begrijpt de lezer hiermee de zin van de voorafgaande uitweiding. Vèr-standelijke denkers zoeken in deze snel veranderende tijden voortdurend naar oplossingen, zonder dat hun denkvermogen in voldoende mate wordt gevoed door hun "eigen" hogerzelf, dat in de vorm van het collectief onbewuste is verbonden met de hogerzelven van de medemens. In die samenhang functioneren wij alleen zinvol, als we geleerd hebben om ons wezenlijk te verbinden met de zingeving van de mens waarop we zijn betrokken. In omgekeerde zin neemt die zingevende voeding af naarmate we meer vanuit ons vermeende eigenbelang gaan leven. Een en ander betekent dat er een onmiskenbare relatie is tussen de huidige vèr-standelijkheid en het inlevingsvermogen in andere mensen.

Aldus werkt de tijdgeest vanuit dat transcendente bewustzijn door in alle mensen, die daarop op hun eigen wijze reageren. En zo is er een onmiskenbaar verband tussen de door mij gesignaleerde vèr-standelijkheid, het materialisme in de wetenschap, de ik-gerichtheid van de new agebeweging en de huidige fase van spirituele bewustwording. Die samenhang vertelt mij en u misschien ook dat de mensheid in de komende tijden alleen verder komt, als we een gradatie bewuster worden van onze relatie tot de medemens. Wie geestelijk groeit door belemmerende overtuigingen los te laten, verbindt zich beter met zijn hogerzelf. Gelijktijdig krijgen we dan meer zicht op de zingeving van deze wereld in verandering. Daarbij gun ik iedereen van harte de uitdaging om steeds verder boven zijn persoonlijke beperkingen uit te willen groeien. Mogelijk kan de UG daarbij behulpzaam zijn.

helderziendheid en het transcendente bewustzijn

Omdat dit boek voortdurend verwijst naar twee soorten bewustzijn, is het zinvol daarover tot besluit van dit inleidende hoofdstuk iets meer te zeggen. De vormen van de dingen die voor ons de enige werkelijkheid zijn, de waarneming en de voorstelling, werden door Plato opgevat als de schaduwen van de werkelijkheid. In zijn visie houden die vormen het ware licht tegen van de transcendente werkelijkheid die alleen geschouwd kan worden. De verwerving van het geestelijke licht dat hierna schouwen wordt genoemd, was in de oudheid het doel van de inwijding en het wezen van de verlichting. Dit verklaart de fundamentele tegenstelling tussen de zintuiglijk georiënteerde wetenschap van deze tijd en de wetenschap der ouden die primair op het schouwen was gebaseerd. Zonder ‘religare’ zijn die lagen van het bewustzijn niet te verbinden, waarin een opgave besloten ligt in de richting van de toekomst van de wetenschap.

Daarbij merk ik op dat de mens alleen kan schouwen op een niveau dat boven het zelfbewustzijn en het daarbij horende voorstellingsvermogen uitgaat. Een hogerzelf-ervaring kan achteraf worden beschreven als kosmisch, alomvattend of goddelijk, waarbij het altijd gaat om een veranderde staat van het bewustzijn die genoegzaam bekend is in de parapsychologie. Het schouwen gaat daar in essentie echter boven uit, waardoor het alleen beschreven kan worden door de enkeling die zelf geschouwd heeft. En omdat daarover (vrijwel) nooit iets is opgetekend, moeten we normaliter teruggaan naar de overgeleverde geschriften uit de oudheid, als we daarvan iets meer willen weten. Het is dan ook een voorrecht, dat ik dankzij mijn vrouw Sam in staat ben geweest om de aard van het schouwen te onderzoeken. Dat ik buiten haar niemand ben tegengekomen die ook kan schouwen, zegt natuurlijk niets. Aan de andere kant heb ik een groot aantal boeken gelezen van mensen die pretenderen te schouwen en daarmee toegang hebben tot de akasha-kronieken (een begrip dat verwijst naar het collectieve geheugen van de mensheid). Maar in alle gevallen blijkt mij uit hun beschrijving dat zij niet werkelijk hebben geschouwd. Zij zijn helderziend, wat om meerdere redenen van een andere orde is. Elke helderziende indruk, hoe juist die ook mag zijn, is van nature gekleurd door persoonlijke opvattingen en varieert daarmee van 99,99% juist tot 99,99% onjuist. Om te voorkomen dat deze weergave negatief wordt geïnterpreteerd, wijs ik er met nadruk op dat sommige helderzienden met een foutmarge van 0,01% geweldig werk verrichten. Maar er zijn ook "helderzienden" die hun persoonlijke opvattingen, gedachten en overtuigingen zodanig in beelden verwerkelijken, dat ze daarmee onophoudelijk en vicieus hun eigen overtuigingen bevestigen. Weer anderen denken dat ze indrukken opvangen van overleden mensen, terwijl die indrukken worden uitgezonden door de behoeftige vragensteller, die daarmee het bewijs ziet geleverd dat die informatie dus klopt. Dergelijke verkleuringen en misinterpretaties, in welke mate dan ook, doen zich nooit voor bij het schouwen, aangezien dat bewustzijn boven de persoonlijke ervaring uitgaat. Daarom kunnen alleen twee mensen die zelf geschouwd hebben, dat bewustzijn zodanig aan elkaar beschrijven, dat het als schouwen wordt herkend.

Ik breng dit op voorshands onder de aandacht, omdat wij ons bij de beoordeling van wat waardevol is, bijna altijd laten leiden door onze gevoelens, behoeften en overtuigingen. En dat kan bij de bestudering van de UG tot onoverkomelijke problemen leiden. De logica van de UG leidt namelijk tot inzichten die volstrekt strijdig zijn aan alle godsdienstige leringen. Niet hoe ze oorspronkelijk waren bedoeld, maar wel hoe ze nu worden geïnterpreteerd. Op zich is dat geen probleem, omdat de UG zich niet tot die categorie richt. Het is ook geen probleem dat die inzichten indruisen tegen een aantal fundamentele (lees materialistische) uitgangspunten van de wetenschap. Want geleidelijk aan ontstaat er binnen die kringen een toenemend verzet tegen de meest verstarde traditionele opvattingen, terwijl er juist openingen ontstaan in de richting van de esoterie. Maar voorlopig verwacht ik daar nog geen aansluiting.

Blijft over de esoterie in welke sector de UG tot ontwikkeling is gebracht. Binnen die kringen zal iedereen het toejuichen als de waarde en de toepassingsmogelijkheden van de regel van Hermes worden herontdekt en toegepast. Dat is de schone theorie, terwijl ik in de UG aantoon dat de consequente toepassing van die alom geroemde regel leidt tot inzichten die op belangrijke punten niet overeenstemmen met de opvattingen van de stichters van de theosofie, de antroposofie en de rozenkruisersleer. En dat is in die kringen onoverkomelijk, waardoor ik ook daar geen mogelijkheden zie tot aansluiting. Als we ons daarna nog richten tot de rest van esoterie-land, zijn de boodschappen van bepaalde meesters vaak veel aantrekkelijker, met name als die vanuit de vierde, vijfde en nog veel hogere dimensies met ons spreken. Internet staat vol met dergelijke berichten. Dat is altijd goedbedoeld. Maar de inhoud van al die hoogverheven boodschappen, en ik ken er betrekkelijk veel, is in essentie vergelijkbaar met de inzichten van mensen die drugs gebruiken en op dat moment de hele kosmos begrijpen.

In dat verband is de volgende gebeurtenis kenmerkend. William James, de grondlegger van de psychologie in de V.S., schreef in het begin van de 20ste eeuw over het inademen van lachgas het volgende. "Bij mij, net als bij alle anderen met wie ik heb gesproken, is de kern van de ervaring het enorm opwindende gevoel van een intense, metafysische verlichting. De waarheid opent zich in steeds diepere lagen met een bijna oogverblindende overtuigingskracht." Daarnaast beschreef hij in alle objectiviteit de ervaringen van een man die hetzelfde gas had ingeademd. Telkens wanneer hij onder de invloed daarvan was, kende hij het geheim van het heelal, maar wanneer hij weer tot zichzelf kwam was hij het vergeten. Tenslotte schreef hij met eindeloze inspanning het geheim op, voordat het visoen was verdwenen. Toen hij weer bijkwam, was hij natuurlijk zeer nieuwsgierig wat hij had opgetekend. En daar stond het onmetelijk diepzinnige inzicht: "Overal heerst petroleumlucht". En dat viel toch wel een beetje tegen. Van dezelfde orde is het contact met de meesters die in onbekende dimensies verblijven, van waaruit ze alles kunnen overzien. In feite is dat de esoterische variant van de christelijke opvatting dat God alles weet en alles overziet.

Als gevolg van deze situatie hoort de UG nergens ofwel in Niemandsland thuis, in welk gebied de student in het gunstigste geval totale onbekendheid ontmoet. De lezer zij gewaarschuwd. Dit hoofdstuk afrondend stel ik daarmee dat de ene groep zich bij voorbaat tegen de opvattingen van de UG zal verzetten, terwijl anderen deze theorie uit desinteresse zullen negeren. En toch acht ik het onvermijdelijk dat een toenemend aantal mensen zich door deze onbekende denkwijze zal laten aanspreken.

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Gates
De weg die voor ons ligt.
Meulenhoff, A'dam 1995.
 
Toffler.
De derde golf.
Veen, Utrecht 1983
 
Capra
Keerpunt.
Contact, A'dam 1984.
 
 
Ferguson
De aquariussamenzwering
Ankh Hermes, 1983.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Wilber
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
# De cyclus waarop ik doel duurt naar mijn inzicht heel lang, veel langer dan de betrekkelijk korte cyclus van 26.000 jaar waarbinnen de astrologische overgang plaatsvindt van het vissen-tijdperk naar het waterman-tijdperk (aquarius). Hieraan voeg ik toe dat het storend zou zijn als ik hierna steeds de zin toevoeg "naar mijn inzicht". De lezer kan dat uiteraard naar behoefte overal zelf invullen.
 
 
 
 
 
Lovelock
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Bok en Jerome
De mythe van de astrologie
Wereldvenster Baarn 1976
 
De Bok
 
 
 
 
 
 
 
Martens en Trachet
Astrologie, zin of onzin.
Hadewijch Baarna 1995.
 
Nostradamus
 
Zukav
De dansende Woeli-meesters
Bakker, A'dam 1993.
 
Zukav
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Planck
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

 

 

 

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
James
   Overzichtspagina
   Deel A Hoofdstuk 2