HOOFDSTUK 2 KENNIS IN ONTWIKKELING

inleiding

Wie het verband tussen de ontkerkelijking, de tegenstelling tussen de reguliere en de alternatieve wetenschap en de bewustwordingsgolf na 1970 ofwel de aard van de huidige tijdgeest wil verklaren, zal daarin nooit slagen als hij zijn onderzoek beperkt tot de ontwikkelingen in de laatste eeuwen. Daartoe moeten we teruggaan naar de verre oudheid, in welke tijd er een onoverbrugbaar verschil was tussen het bewustzijn van het volk en de ingewijden, uit welke kringen de grondleggers kwamen van de streekgebonden godsdiensten. In de Grieks-Romeinse tijd verdween de mogelijkheid om op dat hoogste niveau van bewustzijn ingewijd te worden, waarmee de hogere kennis verloren ging, die daarna nog enige tijd in het geheim werd doorgegeven. Daarna kwam de christelijke leer tot ontwikkeling op basis van onwetendheid en onverdraagzaamheid. Eeuwenlang vernielden de christenen alles wat ze onwelgevallig was, waarmee de restanten van de oudste wijsheid vrijwel geheel verloren gingen. Uiteindelijk werd de leer van de kerk zo irrealistisch en de daarmee verbonden dwang zo onmenselijk, dat de zelfstandig denkende mens tot de ontdekking kwam dat er iets niet klopte. Zo kwam de wetenschap tot ontwikkeling door de wetmatigheden te onderzoeken in de zichtbare werkelijkheid, waarna de geschiedenis zich herhaalde. Want toen bleek dat de materie zich in tegenstelling tot de onzichtbare werkelijkheid altijd op dezelfde manier laat onderzoeken, kwam de dogmatiek van het wetenschappelijke materialisme tot ontwikkeling. Van dat geloof moet de denkende mens zich in deze tijd leren bevrijden, waarbij de huidige bewustwordingsgolf uiteindelijk zal leiden tot een nieuwe vorm van zelfkennis (bewustwording), kennis (wetenschap) en overgave aan het hoogst bevattelijke (religie). Daarbij tendeert dit hoofdstuk naar de gedachte dat wij in deze tijd moeten leren om een eigen positie in te nemen ten opzichte van de religie EN de wetenschap EN de esoterie.

weten-schap in de oudheid
 
heel ver terug

IIn mijn opvatting zijn er in de onnaspeurbare oudheid mensen geweest, die veel verder waren ontwikkeld dan de rest van de mensheid. De esoterie leert in dat opzicht dat deze aarde niet het begin was van de menselijke evolutie, maar dat planeten reïncarneren. Daardoor was er al menselijk bewustzijn op de vorige aarde en zijn er weer mensen op de volgende aarde. Als gevolg van deze nergens onderbroken ontwikkeling waren er in het oerbegin van deze aarde al geweldige verschillen tussen de hoogontwikkelde ‘goden’ en wat we ‘gewone mensen’ kunnen noemen. Toen die goden op een bepaald moment niet meer konden reïncarneren, bleven de halfgoden en koningen achter, terwijl die veel later ook niet meer konden incarneren. In meer recente tijden denken we aan mensen zoals Boeddha die het nirvâna inging en Jezus die naar de Vader ging. In al die gevallen spreek ik zonder onderscheid van de wijzen uit de oudheid. Dergelijke mensen reïncarneren niet meer, of slechts met grote tussenpozen. Als ik daarentegen verwijs naar de ingewijden en hogepriesters uit de ons bekende geschiedenis, gaat het doorgaans om ‘gewone mensen’ zoals u en ik. Ik spreek dan van ingewijden en wijsgeren, mensen die alleen in dat ene leven hadden leren schouwen. En als zij dat ook in andere ofwel voorgaande levens hadden geleerd, wisten zij daar in de meeste gevallen niets van.

Omdat de wijzen uit de oudheid hun inzichten niet konden openbaren aan het gewone volk, de latere ingewijden konden en mochten dat niet, ontwikkelden zij in de loop van ontelbare eeuwen de streekgebonden religies. En hoewel die leringen volledig aan de behoeften van het volk waren aangepast en dus onderling verschilden, waren ze allemaal gebaseerd op dezelfde universele leer die op de hele aarde dezelfde was. Die leer die in de oudheid nog heel natuurlijk van de ene op de andere mens werd doorgegeven, werd in latere tijden strikt geheim. Dit om misbruik te voorkomen van de paranormale vermogens, die tijdens de geestelijke scholing vanzelf werden geactiveerd. Zelfs in de Grieks-Romeinse tijd bestond die situatie nog, waardoor Jezus zei: "Ik zeg mijn geheimenissen alleen aan hen die mijn geheimenissen waardig zijn." We lezen dat in het niet door de christenen vervormde en dus zuiver gebleven evangelie van Thomas, dat gevonden is in het Midden-Egyptische plaatsje Nag Hammadi dat vlak boven Luxor ligt.

de griekse oudheid en solon

Door die geheimhouding is er betrekkelijk weinig opgetekend van die universele wetenschap. Omdat de UG een poging is om die leer op een eigentijdse wijze te reconstrueren, gaan we op zoek naar niet verloren gegane brokstukken, die we vervolgens zo mogelijk met elkaar verbinden. Daartoe gaan we in eerste instantie naar Solon die in de 6e eeuw v.Chr. in Athene leefde en als de oudst bekende schrijver en de eerste belangrijke politicus van die stad te boek staat. In 594 v.Chr. voerde hij ingrijpende hervormingen in, waarna hij een reeks langdurige reizen maakte. Ook naar Egypte. Volgens Plato ontmoette hij daar een priester die hem zei: "Bij u en andere volken is keer op keer het schrift uitgevonden en al het andere dat nodig is in een staat. En dan barstte opnieuw na het gebruikelijke aantal jaren de onvermijdelijke zondvloed los. Bij u bleven alleen ongeletterden en onontwikkelden over, zodat ge (het Griekse volk uit de oudheid) er weer voorstond als een kind zonder iets te weten van wat er in dit en uw land in vroegere tijden is gebeurd."

Of Plato dit verslag alleen via familieleden van zijn voorvader Solon had gekregen, of dat hij hem als gezaghebber gebruikte om te kunnen schrijven wat hijzelf in Egypte had vernomen, weten we niet. Mij lijkt het waarschijnlijk dat hij het indirect van Solon had gehoord, en daarnaast aanvullende informatie had gekregen toen hijzelf in Egypte was ingewijd. Maar duidelijk is wel dat men in Egypte kennis had van reeksen opeenvolgende beschavingen die door grote rampen zijn verdwenen. En bij dat gebruikelijke aantal jaren en die onvermijdelijke zondvloeden moeten we volgens andere geschriften aan vele honderdduizenden jaren denken. Dat wil zeggen onwaarschijnlijk veel langer geleden dan waarvan de moderne geschiedkundige zou kunnen dromen. Wie zich in die geschriften verdiept, zal merken dat de geschiedkundige opvatting van de esoterie en de UG nergens afwijken van de mededelingen van de oudste priesters. Niet alleen die uit Egypte, maar zelfs de oudste overleveringen van de hele wereld komen soms in de kleinste details met elkaar overeen.

 
de griekse wijsbegeerte en de kosmogonie
 
Thales

Thales, een tijdgenoot van Solon, is de oudste wijsgeer waarvan de naam bekend is gebleven. Deze filosoof uit de oud-Griekse stad Miletos die nu in Turkije ligt, werd in zijn tijd erkend als een belangrijke wiskundige en astronoom, want hij voorspelde bijvoorbeeld een zonsverduistering. Hij verkondigde dat water de oorsprong is van alle dingen, wat als volgt verklaard werd door een Nederlandse filosoof: "Gewonnen en geboren aan de kust kon Thales dagelijks ervaren hoe de zee een reusachtig bekken vol leven is." Op basis van die "waterige" verklaring en zijn bewering dat de aarde in het water drijft, wordt Thales een natuurfilosoof genoemd, wat een groteske onderschatting is van zijn werkelijke inzicht. De moderne wijsbegeerte neemt dat drijven in het water namelijk letterlijk, terwijl die leer een aspect was van de verloren gegane universele leer uit de oudheid die in Egypte bewaard was gebleven. En omdat ook Thales daar was ingewijd, gaat het niet om het zeewater van de Egeïsche Zee, maar om iets geheel anders dat in deze tijd niet meer begrepen wordt. Het bijbelse scheppingsverhaal dat al evenzeer een overblijfsel is van die geheime universele leer, maakt dat duidelijk. De tweede zin van het eerste hoofdstuk (Genesis) vermeldt dat Gods geest boven de wateren zweefde, waarna de schepping een aanvang nam. We kunnen ons dan vol verbazing afvragen waarom de waterleer van Thales door vrijwel iedereen letterlijk wordt geïnterpreteerd, terwijl niemand gelooft dat God een tijdlang boven de wateren heeft gezweefd.

Vervolgens kunt u in ieder boek over de geschiedenis van de wijsbegeerte lezen dat de Griekse natuurfilosofen, waaronder dus Thales, geloofden dat de aarde een platte schijf is die in het water drijft. En daarvan zegt de bijbel dat de wateren op de derde scheppingsdag samenvloeiden, waarna de aarde uit de wateren te voorschijn kwam. Niemand haalt het dan in zijn hoofd om te beweren dat de joden en christenen geloven dat de aarde in het water drijft. In de Popol Vuh, het scheppingsverhaal van de Maya’s uit Midden-Amerika, lezen we: "Wijk jullie wateren, opdat de aarde daaruit kan opstijgen en vast worden". En in India wordt hetzelfde verhaal weer anders verteld. Daar heeft Vishnu zich in een aantal avatâra’s gemanifesteerd, waarbij de drie eerste goddelijke verschijningen een vis, een schildpad en een everzwijn waren. Die vis zwom in de wateren zoals God boven de wateren zweefde en tijdens de tweede scheppingsdag verdeelde in de wateren boven en beneden. Daarna symboliseerde de schildpad met zijn onder-en bovenschild de verdeling van de hemel (eerste dag) en de aarde (derde dag). En ten slotte wroette het everzwijn de modderige aarde omhoog uit de wateren beneden.

Hoe moeten we deze overeenkomsten verklaren, wetend dat de wetenschap heeft vastgesteld dat er in de oudheid geen contacten waren tussen Amerika, Europa en Azië? Dus kan de leer uit India niet overeenkomen met de bijbel, met de Griekse leringen en met de overleveringen van de Maya’s in Midden-Amerika. Maar hoe verklaren we dan dat de Egyptische farao’s cocaïne gebruikten, welke stof betrokken werd van de cocaplant die alleen in het Andesgebergte in Zuid-Amerika groeide? Ook daarvoor is geen verklaring, waardoor die ontdekking geruisloos wordt weggemoffeld.

Nu gaat het in dit hoofdstuk niet om die onbekende contacten, maar om de "bewijsvoering" dat er een universele leer is geweest die over de hele aarde was verspreid. Die kennis ging in het midden-oosten verloren, nadat de Perzische koning Artaxerxes III in 341 v.Chr. Egypte had veroverd en ingelijfd. Daarmee verdween in vrij korte tijd de kennis uit de oudheid die onnoemelijk lang in Egypte in de verborgenheid had bestaan. Dat de betekenis van die waterleer om die reden al twee en een halve eeuw na Thales niet meer werd begrepen, blijkt wel uit de mededeling van Aristoteles dat hij had vernomen dat Thales dacht dat de aarde in het water drijft. De bioloog Aristoteles die niet zoals zijn leermeester Plato in Egypte was ingewijd, dacht daarbij dat het om gewoon water ging. Door hem is de opvatting dat de platte aarde in het water drijft tot aan het einde van de middeleeuwen blijven bestaan.

Plato die nog net vóór de inval van de Perzen in Egypte was ingewijd, was de eerste en ook de enige die uitvoerig over de verloren gegane Atlantische beschaving heeft bericht. Daarbij vermeldde hij dat Atlantis in de Atlantische oceaan lag, voorbij Spanje en Marokko. Verder beschreef hij nauwgezet de landbouw van de Maya’s, wat één van de vele aanwijzingen is dat de mensheid in een ver verleden de wereldzeeën had bevaren. Het is ondenkbaar dat Plato daarvan wel op de hoogte was, terwijl Thales die in datzelfde Egypte was ingewijd dat niet wist. Waarom Aristoteles de essentie van die waterleer niet van Plato had vernomen, weet ik niet. Ik neem echter aan dat hij daarvan pas hoorde nadat Plato was gestorven. Zo slecht wordt die elementenleer ook nu nog begrepen, dat de astronoom Darling in zijn schitterende boek over de zwaartekracht probleemloos kan schrijven dat de oude Grieken geloofden dat gesteente (aarde) bevroren water (wateren) is. Het is ongelofelijk, maar geen wetenschapper zal hem op dat punt corrigeren.

Anaximander 6e eeuw v.Chr.
Wanneer we ondanks dit wanbegrip vrolijk verdergaan, komen we terecht bij een leerling van Thales die Anaximander heette. Waarom hij de waterleer verliet, weten onze wijsgeren niet. Maar wel zijn ze de mening toegedaan dat hij de kwaliteiten van zijn meester ruimschoots oversteeg, omdat hij verkondigd had dat het oneindige [= apeiron] het oerbeginsel is. Omdat Anaximander ondanks zijn "veel diepere inzicht" nog steeds sprak van het hete vuur, de koude aarde, het vochtige water en de droge aarde, wordt ook hij tot de groep natuurfilosofen gerekend. Men schijnt niet te begrijpen dat het oneindige oerbeginsel hetzelfde was als de waterige chaos waaruit alles is ontstaan. Daarnaast verkondigde Anaximander dat de aarde vrij in de ruimte zweeft, terwijl de aarde in zijn oertoestand nog was omgeven door een vurige schil. Later raakte het evenwicht verstoord, waardoor de aarde (eigenlijk het zonnestelsel) uit elkaar brak en zich verdeelde in een aantal vurige hemellichamen die om de aarde gingen wentelen. Na die vurige toestand werd de aarde gasvormig en vloeibaar, waarna die opdroogde (hard werd), omdat de zon het water verdampte.

Anaximenes 6e eeuw v.Chr.
De oude Grieken moeten wel heel erg eigenwijs zijn geweest, want Anaximanders leerling Anaximenes sloeg de wijsheid van zijn meester weer in de wind en maakte de lucht tot oerbeginsel. "Vermoedelijk omdat de lucht de aarde oneindig ver omspant en omdat alle wezens van de lucht leven", aldus een tweede doorluchtig redenerende Nederlandse filosoof. Omdat Anaximenes weer helemaal terugviel op de natuur, wordt zijn inzicht lager aangeslagen en zo waait Anaximenes' wind waarheen die Nederlandse wijsgeer zijn luchtkasteel liet drijven. Lucht had evenals dat water in de oude leer twee betekenissen. Enerzijds was het de eeuwige adem Gods, die bewegingsloos ademde als er geen heelal was en vol beweging ademende als er wel een heelal was. In dat opzicht was er geen enkel verschil tussen de geest Gods die (in de lucht) boven de wateren zweefde en de lucht van Anaximenes. Daarnaast had lucht als element een verbindende functie, vergelijkbaar met de straal die het middelpunt verbindt met de omtrek van de bol. Aldus waren deze drie denkers geen natuurfilosofen, maar wiskundigen.

Heraclitus 540-480 v.Chr.
Nadat de elementen water en lucht zijn benadrukt, wakkerde de vuurfilosoof Heraclitus van Ephese met die wind een vuurtje aan. Want bij een derde Nederlandse wijsgeer lezen we: "Als een Olympische god slingerde hij vuur uit de duisternis, waarbij zijn bliksems verpletterden en vermorzelden, doch tevens wonderbaarlijk lichtten en verhelderden." Dit vuur van Heraclitus dat door Plato werd aangehaald in de bekende spreuk panta rei [= alles stroomt] is geen brandend vuur, maar het transformatiebeginsel dat werd gesymboliseerd door de vuurvogel. De mythologische feniks die uit zijn as verrees was het symbool van zeer langdurige tijdperken die een cyclisch verloop hebben van ontstaan (vuur) en vergaan (as ofwel aarde). De Indische hemelvogel Garuda had dezelfde betekenis en vliegt nu over de hele wereld in de vorm van de Indonesische luchtvaartmaatschappij.

Met die opmerking verlaten we de "natuurfilosofen" die ingewijd of bekend waren met de leringen van het oude Egypte en gaan naar Empedocles in de 5e eeuw geloofde dat het heelal is opgebouwd uit vuur, lucht, water en aarde. Daarbij benadrukte hij zijn opvatting dat die vier elementen samen de werkelijkheid vormen en als zodanig deelbaar zijn, waardoor alle dingen zijn opgebouwd uit deeltjes. Plato zei exact hetzelfde, maar ging daarbij een wezenlijke stap verder door deze elementen te verbinden met vier wiskundige figuren. Voor hem en iedere andere ingewijde waren vuur, aarde, lucht en water louter wiskundige symbolen, die verwijzen naar vier verschillende toestanden in ontwikkeling, de nog te bespreken toestanden die gezamenlijk de driedimensionale grondslag vormen van de UG.

Democritus ca. 460 v.Chr. - 380/370
Democritus die ook in Egypte was ingewijd, sloot zich in de 4e eeuw v.Chr. aan bij de opvatting van Empedocles. Hij had namelijk van Leucippus geleerd dat de ruimte eeuwig gevuld is met deeltjes (atomen) die bewogen worden door een eindeloze beweging. Die atomen zijn de oerbeginselen van alles, terwijl de ruimte leeg is. Naarmate die atomen zich samenvoegen, verwekken zij botsingen en zijdelingse bewegingen. Op basis van die theorie deed hij proeven waarvan hij enkele aantekeningen maakte. Wat hij atomos [= ondeelbaar] noemde, zijn nu de stoffelijke atomen van de wetenschap. Dat deze atomen toen al bekend waren, mag blijken uit het feit dat de theosoof Leadbeater daarvan in de 19e eeuw op basis van zijn helderziende vermogens een tekening maakte, die overeenkomt met de modernste opvattingen daarover.

Aldus hadden de ingewijde Grieken in Egypte geleerd dat de elementen vuur, lucht, water en aarde symbool staan voor drie respectievelijk vier toestanden van de stof. Maar nadat de inwijding in Egypte verdween, werden die elementen alleen nog begrepen in de zichtbare natuur. Vanuit een esoterisch standpunt bekeken was dat een geweldige achteruitgang. Maar daarmee werd wel de eerste aanzet gegeven tot de ontwikkeling van een natuurkundige kijk op de wereld. En dat was pure winst. Anaxagoras die weer een leerling was van de eerder genoemde Anaximenes, verkondigde nog op basis van die geheime leer dat de zon groter is dan de Peloponnesus, voor welke opvatting hij in de 5e eeuw v.Chr. bijna ter dood werd veroordeeld. Maar in de 2e eeuw v.Chr. berekende Eratosthenes al vrij nauwkeurig de omtrek van de aarde, waarbij hij werd gesteund door de Egyptische koning Ptolemaeus. Eratosthenes, de hoofdbibliothecaris van de beroemde bibliotheek van Alexandrië, wist dat de zon in Syene [= Aswan] recht in een diepe put op de bodem scheen op de eerste dag van de zomer om precies 12.00 uur. Op hetzelfde moment scheen de zon onder een iets andere hoek in een diepe put in Alexandrië, dat veel noordelijker lag. Nadat hij die hoek en de afstand tussen de twee steden had bepaald, kon hij de omtrek van de aarde vrij nauwkeurig berekenen. Dat was gezien de gebrekkige hulpmiddelen waarover hij beschikte een buitengewoon knappe prestatie.

Met deze schets wijs ik erop dat de leringen van de ingewijden na de 4e eeuw v.Chr. door niemand meer werden begrepen, terwijl men in plaats daarvan steeds meer oog kreeg voor de stoffelijke werkelijkheid. In dat verband nemen Plato en Aristoteles een opvallende plaats in, omdat zij de overgang van de universele leer naar de moderne wetenschap markeren. Daarover gaat het volgende gedeelte, waarin ik benadruk dat Plato nog primair gericht was op de oude wetenschap en zelfs minachting voelde voor de stoffelijke werkelijkheid en zijn lichaam. Aristoteles werd door Plato in die denkwereld opgeleid, maar richtte zijn aandacht daarna al veel meer op de zintuiglijke werkelijkheid. In dat opzicht kan de 4e eeuw v.Chr. als een kentering worden opgevat.

plato en aristoteles in de "overgang"

Geheimhouding
In de Phaedrus en de zevende brief vertelt Plato grote afkeer te hebben van het geschreven woord. Het opschrijven van informatie maakt het geheugen lui, en bovendien zijn de geschreven teksten een bron van misverstand, omdat de schrijver de ware bedoelingen niet duidelijk kan maken aan de lezer. Daarbij zegt hij over zekere geheime kennis: "Dit kan ik zeggen: als zo iemand iets over mijn leer heeft geschreven, of nog zal schrijven en beweert kennis te hebben van datgene waar ik me intensief mee bezighoud, om het even of hij dat van mij of van een ander vernomen heeft, of dat het zijn eigen vinding is, kan hij volgens mij onmogelijk begrijpen waarom het gaat. Er bestaat van mij geen enkel geschrift hieromtrent en dat zal er ook nooit komen. Als ik het nodig had geacht het publiek dit uit de doeken te doen, had er voor mij een mooiere taak in het leven bestaan dan iets te schrijven dat van groot nut is voor de mensen en aan iedereen de ware aard van de dingen te onthullen?" Om die reden sprak hij in gesluierde taal of zei hij niets. In de Eutyphron zei hij mismoedig: "Ook mij bespotten zij alsof ik gek ben, wanneer ik in de openbare samenkomst iets zeg over goddelijke dingen en voorspel wat er gaat gebeuren. En hoewel niets van wat ik voorspeld heb onwaar is gebleken, verguizen zij toch al zulke mensen als wij."

De mysteriën
In de Phaedrus schreef hij: "Zichzelf gestaag in de volmaakte mysteriën vervolmakend, wordt men alleen in deze mysteriën waarlijk volmaakt." Dat moet in zijn visie tot grote inzichten geleid hebben, want elders schreef hij: "Toen wij waren ingewijd in de mysteriën die men gerechtigd is de meest gezegende van alle mysteriën te noemen, werden wij bevrijd van alle kwalen die ons anders in een toekomstig tijdperk wachten." Dat de kennis van die mysteriën niet hoog genoeg kon worden aangeslagen, laat hij Socrates zeggen in de Phaedrus: "Duidelijk blijkt dat zij die de mysteriën of de geheime vergaderingen van ingewijden ingesteld hebben geen gewone mensen waren, doch machtige wezens die van de eerste eeuwen af gepoogd hebben ons die raadselen te doen begrijpen." En elders. "De mysteriën zijn aan de hiëroglyfen vooraf gegaan. Deze tekens zijn in het leven geroepen, omdat men blijvende optekening nodig had om de geheimen te behouden en vereeuwigen." Plato moet als ingewijde dus inzichten hebben gehad die hij niet kon of wilde openbaren. In dat verband is het opvallend dat Plotinus in de 3e eeuw na Chr. de grondlegger werd van het neoplatonisme waarin dezelfde geheimhouding werd betracht. Daarbij stelde hij alles bij Plato gevonden te hebben wat hij in zijn leer verkondigde. Het lijkt er daarom op dat Plato met de stichting van de Academie in Athene de eerste en laatste ingewijde was die de essentie van de verborgen leer zodanig vertaalde, dat bepaalde aspecten ervan in de wereld besproken konden worden. Daarnaast moest een bepaald gedeelte geheim blijven, omdat niet ingewijde mensen dat niet konden begrijpen.

De andere weg
De veertig jaar jongere Aristoteles was ongeveer twintig jaar lid van de Academie, waar hij als lezer werkzaam was. Na Plato’s dood werd hij lector, maar verliet de Academie, omdat Speusippus, de nieuwe leider en zoon van Plato’s zuster Potone, de neiging had om de Platonische wijsbegeerte te vereenzelvigen met de wiskunde. We weten niet of Speusippus de toepassing van de wiskunde beter had begrepen dan Aristoteles. Maar het is wel duidelijk dat de laatste een aantal opvattingen van Plato moet hebben afgewezen, waaronder de opvatting dat de wiskunde de basis moet zijn van de godsdienst en de wijsbegeerte, wat in samenhang met de regel van Hermes het belangrijkste uitgangspunt is van de UG.

Vanuit een esoterisch perspectief bekeken, was Aristoteles niet bekend met de leer der ingewijden, waardoor hij een andere weg insloeg dan Plato. Maar vanuit het huidige wetenschappelijke perspectief was "Aristoteles te zelfstandig en oorspronkelijk om zich op den duur in de leerstelligheid van de Academie te kunnen voegen. Er is een duidelijk verschil in methode. Met de term aporia [= wegversperring] gaven de Hellenen te kennen dat het wijsbegeertelijke denken een soort verkenningstocht is die telkens op hindernissen stuit. Wil men verder, dan dient men of de hindernis op te ruimen, of een andere weg in te slaan. Plato bleef geheel gericht op de versperring, Aristoteles sloeg een andere weg in." Met die opvatting ben ik het niet helemaal eens. Plato en Aristoteles hebben op twee wezenlijk verschillende manieren over de werkelijkheid nagedacht. Daarbij liep Plato’s weg niet dood omdat die beide wegen onafscheidelijk met elkaar verbonden zijn. De weg van het zintuiglijk onderzoek die Aristoteles probeerde in te slaan, leidde na de middeleeuwen tot de ontwikkeling van de wetenschap. Dat was en is DE weg van deze tijd. Maar als aanvulling daarop wordt de weg van Plato in de komende tijd ongetwijfeld weer tot leven gewekt. De UG is daarvan een voorbeeld.

Het fundamentele verschil in de denkwijze van Plato en Aristoteles wordt weergegeven door de begrippen deductief en inductief. Plato die niet geïnteresseerd was in de concrete werkelijkheid, zocht primair naar algemene regels en paste die toe waar hij dat relevant vond. Daarbij was hij tot het inzicht gekomen dat de kosmos volgens een aantal vaste regels tot ontwikkeling is gekomen, welke regels worden gesymboliseerd door enkele wiskundige figuren. Dat betekent dat die figuren eerst bestudeerd moeten worden, als we de wereld willen begrijpen waarin wij leven. Daarmee begint de deductieve denkwijze met het algemene en eindigt bij het bijzondere. Aristoteles draaide het om en onderzocht eerst een reeks gebeurtenissen in de concrete werkelijkheid, waarna hij op basis van dat onderzoek probeerde de algemene regels te ontdekken. Van beide denkwijzen geef ik een voorbeeld.

Deductief
Alle hemellichamen zijn bolvormig, waardoor de bolvorm een universele structuur is. We weten van de wiskunde dat iedere bol één middelpunt, ontelbaar veel stralen en één omtrek heeft. De aarde die ook een bol is, moet die elementen dus in zich hebben verenigd. Willen we weten hoe de aarde is opgebouwd, dan moeten we de verschillende functies van deze planeet met deze drie elementen vergelijken. Als we dat doen, merken we dat het middelpunt een bolletje is zonder dikte. We tekenen het middelpunt, maar het neemt geen echte ruimte in. Hetzelfde doet zich voor bij de omtrek. We tekenen die wel, maar die gebogen lijn heeft geen dikte. Daarmee nemen het middelpunt en de bolomtrek geen ruimte in en zijn dus niet in die bol aanwezig. Daarbij is het middelpunt als kleinste bol tegengesteld aan de bolomtrek die de grootste bol is. En verder zijn die beide tegengestelde elementen verbonden door de stralen die juist wel naar de ruimte verwijzen.

Op basis van dit uitgangspunt voorspelt de deductieve vergelijking dat we diezelfde verhouding overal op aarde terug vinden. Als voorbeeld daarvan kunnen we de magnetische noordpool en zuidpool van de aarde met het middelpunt en de omtrek van de bol vergelijken. We zien dan dat de magnetische noord- en zuidpool van de aarde overeenkomen met het middelpunt en de omtrek, omdat ze niet concreet aanwijsbaar zijn en als het ware geen ruimte innemen. Daarbij is de lading van de noordpool tegengesteld aan de lading van de zuidpool, wat overeenkomt met de tegenstelling tussen het middelpunt als de kleinste bol en de omtrek als de grootste bol. Verder zijn de polen verbonden en vallen ze samen in het magnetisme, waardoor het magnetisme met de stralen vergeleken mag worden. Wie hierover nadenkt, komt deze verhouding overal tegen en kan op basis daarvan voorspellen hoe de dingen in elkaar zitten. Op dezelfde wijze werk ik in de UG de drievoudige samenhang uit van stof, ziel en geest, terwijl we op dezelfde wijze kunnen voorspellen dat er een hogere werkelijkheid moet zijn dan het zichtbare heelal.

Inductief
Als voorbeeld van de inductieve denkwijze zien we dat de zon elke dag in het oosten opkomt, wat betekent dat er sprake is van regelmaat. Daardoor mag na verloop van tijd de algemene regel worden vastgesteld dat de zon altijd in het oosten opkomt. Omdat we gelijktijdig zien dat de zon elke dag in het westen ondergaat, mogen we concluderen dat de zon altijd in het oosten opkomt en altijd ondergaat in het westen. Als we vervolgens berekenen dat de sterren veel verder weg zijn dan de maan, terwijl ze ’s nachts gelijktijdig met de maan meebewegen, kunnen we daaruit afleiden dat de sterren niet afzonderlijk om de aarde draaien, maar dat de aarde om haar eigen as draait#.

Beide methoden kunnen niet zonder elkaar. Maar het is niet ver bezijden de waarheid om te stellen dat de UG primair deductief te werk gaat, terwijl de wetenschap primair inductief te werk gaat. De UG bedenkt eerst een regel (deductief) en vergelijkt die met de werkelijkheid, waaruit blijkt of die regel klopt en eventueel bijgeschaafd moet worden. De wetenschap onderzoekt eerst, komt dan tot een regel  (inductief) en probeert daarna verschillende regels met elkaar te verbinden tot een nieuw inzicht (deductief). Voor mij staat het vast de wijsbegeerte ooit dezelfde weg zal volgen als de UG dat nu doet.

 

De griekse mysteriën; opkomst en verval

Ook op een andere manier kan er worden gewezen op de verdwijning van de oude kennis. De Grieken wisten volgens de Egyptische priester niets meer van de tijden vóór de grootste zondvloed en de verloren gegane kennis. Mede daarom gingen enkele Grieken naar Egypte, waar ze onder bepaalde voorwaarden in geestelijk opzicht werden geschoold, ingewijd. Blavatsky beschreef dat aldus in de GL. "In het grote heiligdom van Thebe bestudeerde Pythagoras na zijn aankomst uit India de wetenschap der occulte getallen. In Memphis heeft Orpheus zijn al te afgetrokken Indiase metafysica geschikt gemaakt voor het Griekse volk en daar ook hebben Thales en later Democritus alles vernomen wat zij wisten. Aan Saïs komt alle eer toe van de bewonderenswaardige wetgeving en de kunst over volkeren te heersen, welke de priesters aan Lycurgus en Solon mededeelden. En waren Plato en Eudoxus nooit ter aanbidding naar het heiligdom van Heliopolis getogen, dan zou de eerste hoogstwaarschijnlijk de toekomstige geslachten niet door zijn zedenleer en de ander door zijn wonderbaarlijke kennis der wiskunde verbaasd hebben doen staan."

Mede omdat die kennis werd overgebracht naar Griekenland, kwamen daar de mysteriescholen van Eleusis, Samothracië, Orpheus en Dionysis tot (verdere?) ontwikkeling. Hoewel de intenties volkomen zuiver waren, misten die scholen de diepgang van de Egyptische leer. Het Griekse muoo waarvan de naam mysterie is afgeleid, betekent gesloten zijn, wat duidt op geheimenis. Dat aspect kwam in Griekenland steeds minder tot zijn recht, toen er van de meest oorspronkelijke hogere geheime kennis geen sprake meer was. Daarnaast duidt muoo op het sluiten der ogen en het innerlijke zien dat daarna kan ontstaan. Plato sprak in dat verband van epopteia, begripsaanschouwing, de hoogste graad van het naar binnen zien, die gelijk is aan het transcendente schouwen. En dat innerlijke leren zien kon maar op enkele plaatsen in Egypte worden ontwikkeld, zeker niet in Griekenland. In India kreeg dat geestelijke licht van Plato de naam nirvichârasamâdhi, terwijl Pythagoras dat epifaneia noemde. Aldus bleven de Egyptische mysteriën tot het allerlaatste moment zuiver en op hoog niveau geheim. De Griekse en vooral de latere Romeinse mysteriën gleden echter geleidelijk af naar een steeds bedenkelijker niveau naarmate ze populairder werden. Daarmee was de bloeiperiode der Griekse mysteriën de laatste stuiptrekking van een verloren gaande glorie, waarvan de westerse wereld het belang niet kent en daarmee ook niet erkent.

het goddelijke

Op basis van de vergelijking van de vier elementen met de bijbel, de Griekse mythologie, de Popol Vuh en de astrologie heb ik een eerste poging ondernomen om aannemelijk te maken dat er in de oudheid een universele leer heeft bestaan, die alleen in het geheim bekend was aan de ingewijde enkeling. De inwijding als verschijnsel bestond in alle werelddelen en varieerde van het beestachtige offeren van mensen tot de meest zuivere inwijding, waarbij de laatste vorm zeer zeldzaam was. Met zekerheid heeft die echter bestaan in Egypte en het Himalayagebergte, welke naam in het Sanskriet zoiets betekent als het gebied van de onsterfelijke (alaya) goden (him). Vroeger leefden de goden blijkbaar op de aarde, terwijl God nu in de hemel (him) woont. Dit vraagt om een korte uitleg.

Uit de inwijdingskringen kwamen de opperpriesters voort die de heilige overleveringen eeuw na eeuw ongewijzigd doorgaven en op basis daarvan de verschillende volksverhalen tot ontwikkeling brachten die bij de aard van hun volk pasten. Na verloop van tijd werden die als het ware geheiligd en gingen daardoor naast de geheime leer een eigen leven leiden. We herkennen dat in de bijbel en de koran die door "dood"gewone mensen zijn opgeschreven en nu zijn geheiligd als het woord van God. Over het algemeen bevatten die godsdienstige volksverhalen een mixture van het oeroude scheppingsverhaal (zoals het bijbelse Genesis), de leer van de menselijke evolutie (zoals het bijbelse Exodus) en een verhaalsgewijze toevoeging van een reeks stichtelijke boodschappen (de hele bijbel door). Dat bijna elke streek zijn eigen goddelijke verhalen en feesten had ontwikkeld, blijkt wel uit het feit dat er in het oude Egypte niet één godsdienst was, maar vele. Daarom maken we nu onderscheid tussen de goden uit de verschillende tijdperken van de Egyptische beschaving, waarbij we de goden kennen uit Carnac, Heliopolis, Hermopolis, Memphis, Thebe, enz.

De ingewijden maakten daarbij onderscheid tussen God de almachtige schepper (vaak drievoudig) die boven alles uitgaat en de goden die alleen bij de aardse evolutie horen en in de geheime leer als doorontwikkelde mensen werden opgevat. Hoe naar het ook klinkt, maar het Duits-Arische begrip Übermensch verwees oorspronkelijk naar die vergoddelijkte mensen uit het Himalayagebergte. De sterfelijke goden hadden in de oertijd nog op de aarde geleefd, terwijl de onsterfelijke goden al te ver ontwikkeld waren om nog in de beperkingen van een stoffelijk lichaam te kunnen functioneren. Om die reden kende de Griekse mythologie de goden van de schepping, de Olympische mensgoden, de halfgoden en de helden die in de Egyptische chronologie koningen werden genoemd. Die doorontwikkelde mens-goddelijke wezens met hun scheppende vermogens ontwikkelen op een hoger niveau dan de zichtbare aarde en hebben daarmee een functie in de evolutie van de aarde. Met name dat gegeven maakt het begrijpelijk dat die goden altijd als menselijke wezens werden voorgesteld. Maar toen de volksverhalen een eigen leven gingen leiden en het onderscheid niet meer werd begrepen tussen de oerbron van het universum en deze machten, werd ook de schepper vermenselijkt. We herkennen die vermenging in de christelijke leer dat de aartsengelen (onsterfelijke doorontwikkelde mens-goden) en God (schepper) in den beginne samenleefden, waarna de Satan zich zelfs tegen God ging verzetten.

Daarnaast bereikten de ingewijden door hun meditatieve training een hoger niveau van bewustzijn, het schouwen, dat ook goddelijk werd genoemd, omdat het toegang gaf tot dat "doorontwikkelde" niveau. Daarmee sluimert het goddelijke bewustzijn zelfs in de op aarde levende mens, waardoor het goddelijke meerdere aanzichten had. Bovenaan stond God de schepper en daaronder functioneerden de bovenmenselijke goden die niet meer incarneren, de tijdelijk incarnerende goden uit de oudheid, goddelijke wezens als Boeddha en Jezus en daar weer onder de immanente god die het hoogste bewustzijn is in de gewone mens. Voor de ingewijde was dat onderscheid duidelijk, maar het volk had dat inzicht uiteraard niet.

Nadat de Egyptische inwijding verdween en de Griekse mysteriën bloeiden, werd God de schepper steeds menselijker, waarna de mensen zelfs met God gingen praten. Omdat het goddelijke daarmee een onontwarbare mengelmoes werd, lezen we in ‘Het evangelie van Filippus’ dat evenals het Thomas-evangelie in Nag Hammadi werd gevonden:

"God schiep de mens

en de mensen schiepen zich een god.

Zo gaat het in de wereld:

de mensen scheppen zich goden en vereren hun scheppingen.

Waarlijk, zo zouden de goden de mensen moeten vereren."

Van dezelfde fenomenale wijsheid getuigt de volgende tekst uit datzelfde evangelie. "Het is voor niemand mogelijk iets te zien van de dingen die werkelijk bestaan tenzij hij eraan gelijk wordt. Zo gaat het niet met de mens in de wereld. Hij ziet de zon zonder een zon te zijn, hij ziet de hemel en de aarde en de andere dingen zonder deze dingen te zijn." Hieruit blijkt dat het schouwend bewustzijn geen afstand kent tot de andere "dingen", alles is dan op verschillende niveaus één. In Plato’s opvatting kan men zodoende alleen in het geestelijke licht één-zijn met de dingen die werkelijk bestaan, terwijl wij in de grot "afstandelijk" kijken naar de schaduwen van de dingen. Die afstand tussen de dingen en de waarnemer blijkt wel uit de begrippen waar-nemen en voor-stellen.

In deze tijd waarin ons zelfbewustzijn zo sterk wordt ontwikkeld, hebben veel mensen betrekkelijk weinig gevoel voor een soort éénmakend bewustzijn dat het ikkige overstijgt. Blavatsky schreef in die trant: "De evolutie van het godsbegrip houdt gelijke tred met de verstandelijke ontwikkeling van de mens zelf." Dat heeft in deze tijd geleid tot het materialisme, dat ervan getuigt dat men het innerlijke besef mist dat er meer bestaat dan de wereld die wij zien, met de nadruk op wat ‘ik’ zie. Daarnaast zien en geloven andere mensen dat er op deze aarde allerlei goddelijke engelen rondfladderen. Is dat een verstandelijke of een vèr-standelijke vooruitgang? Om dat te begrijpen, gaan we terug naar de tijd dat het goddelijke eenzijdig in de mens Jezus werd vergoddelijkt.

de joods-christelijke godsdienst

jezus-christus en het christosbewustzijn

Nadat alleen de echo van die universele leer nog te horen was, werd Paulus in de 1e eeuw na Chr. de bezielende kracht die het christendom zijn basis gaf. Aanvankelijk was Saulus een fanatieke vervolger van de christenen, waarbij hij ze hun huizen uitsleurde om ze door de overheid in de gevangenis te laten werpen. Toen hij daarna op weg ging naar Damascus, verscheen er plotseling een helder licht en hoorde hij een stem. Geschrokken wierp hij zich ter aarde, waarna hij bevreesd vroeg: "Wie zijt Gij, Here?" En de stem zei tot hem in het Hebreeuws: "Ik ben Jezus, dien gij vervolgt." Drie dagen lang kon hij daarna niets meer zien en ook niet eten of drinken, waarna hij zich liet dopen en zijn naam Saul(us) veranderde in Paulus [= de kleine]. Vervolgens maakte hij vele reizen om de mensen rond de Middellandse Zee tot zijn christendom te bekeren.

 

Bovenstaande bijbeltekst suggereert dat Paulus de stem hoorde van de overleden Jezus, wat volgens de UG onmogelijk is. Als Paulus dat werkelijk heeft gezegd, had hij het echte licht niet gezien. Maar het lijkt er veel meer op dat het in die tekst niet ging om de mens Jezus, maar om de innerlijke goddelijke stem van het christosbewustzijn. Het begrip christos of christus komt namelijk van het Griekse woord crestos dat het goede betekent. Dat is niet het normatief goede tegenover het slechte, maar het goede van de juiste weg, vergelijkbaar met het Chinese woord tao dat ‘de goede weg’ betekent. Wie het bewustzijn van de juiste weg heeft verworven, is volgens Jezus de enge weg ingegaan die de mens leidt naar het koninkrijk van de Vader op aarde. In dat verband schreef Paulus: "Met Christus ben ik gekruisigd. Daarom leef ik niet meer in mijn ik, maar Christus leeft in mij (Galaten 2:20)." De christen leest dat als volgt: "Met Jezus-Christus ben ik aan het kruis gehangen. Daarom ben ik nu bij Jezus." Maar in werkelijkheid staat er: "Ik heb het christosbewustzijn verworven. Daarom leef ik niet meer in mijn persoonlijke ‘ik’, maar het hoogste bewustzijn is mij deelachtig geworden". Oorspronkelijk was dat christusbewustzijn dus het hoogste bewustzijn in de mens, de epopteia ofwel de begripsaanschouwing van Plato en het schouwen zoals dat in de UG wordt uitgewerkt en beschreven.

Het lijkt er verdacht veel op dat de christenen de tekst "Ik ben Jezus, dien gij vervolgt" hebben veranderd in de tijd dat de mens Jezus en het begrip Christus tijdens enkele concilies met elkaar werden verbonden tot de goddelijke Jezus. In de 1e eeuw was Jezus nog een gewoon mens, wiens naam slechts in enkele kringen bekend was. Overal waar we in de teksten van Paulus de naam Christus tegenkomen, doelde hij dan ook op het christosbewustzijn van de verlichte mens. De tekst "Ik ben Jezus, dien gij vervolgt" zou dan geluid kunnen hebben: "Ik ben de innerlijke stem van het Christusbewustzijn die mij roept". Mijn opvatting in deze werd in de 2e eeuw na Chr. bevestigd door de gnosticus Marcion, die nadrukkelijk de geschriften van Paulus volgde. Daarbij was hij van mening dat Christus Jezus geen stoffelijk wezen was en dus nimmer op aarde had geleefd. In dat verband verkondigde Marcion dat de God van het Oude Testament niet dezelfde was als God de Vader van het Nieuwe Testament. De eerste is de schepper van het universum, de tweede is de goddelijke bron van het christosbewustzijn dat in alle mensen leeft. Daarover schreef hij: "Blinde dingen voor de blinden overeenkomstig hun blindheid, voor de dommen overeenkomstig hun domheid." En die blinde dommeriken waren in zijn tijd de christenen. Hieruit kunnen we afleiden op welke wijze dat hogere bewustzijn van de ingewijden werd geconfisqueerd door de christenen, waarna het exclusief werd verbonden met Jezus de Christus.

Aansluitend bij deze analyse geef ik mijn mening weer dat Paulus als stichter van het christendom betrekkelijk weinig kennis had van de oude leer, maar nog wel iets had ervaren van het hogere bewustzijn der ingewijden, dat hij terecht Christus noemde. Vóór zijn tijd kon een ieder dat bewustzijn in Egypte ontwikkelen, als hij de juiste gerichtheid had en die mogelijkheid in hem besloten lag. Bij een adequate begeleiding leerde hij dan mediteren en leidde daarbij een zuiver en devoot leven. Maar toen dat begrip in latere concilies door de kerk werd verchristelijkt in de naam Jezus-Christus, werd er bepaald dat alleen Jezus dat hoogste bewustzijn had. Aldus werd hij Gods enige Zoon. En dat is zo belangrijk, dat iedere zondaar na zijn dood naar de hemel kan gaan als hij zich onvoorwaardelijk bekeert in het geloof in Jezus. Aldus konden alle christenen na een ellendig leven op aarde voor eeuwig gelukkig worden in het hiernamaals, zittend naast Jezus vóór de voeten van God. Die belofte was de voornaamste kracht van deze nieuwe religie. En zo veranderde de bijna onmogelijke zware taak van het verwerven van het koninkrijk Gods op aarde (christosbewustzijn) in de mogelijkheid om na de dood toegang te krijgen tot het koninkrijk Gods (hemel). Daarbij moest men alleen doen en geloven wat de kerk had goedgekeurd.

de bijbelse god

Vanaf de 5e eeuw v.Chr. kwam het individu steeds meer centraal te staan, terwijl de universele leer der ingewijden in de 4e eeuw v.Chr. in korte tijd verloren ging. Nog vóór die tijd waren de joden gevangen genomen, waarbij Judea in 586 v.Chr. onder de voet was gelopen door de Babyloniërs en de tempel werd vernietigd. Tijdens de daarop volgende Babylonische gevangenschap speelden de profeten een belangrijke rol, waarna de joden door de Perzen werden bevrijd en gedeeltelijk terugkeerden naar Palestina. In de verwarde tijd dat ze de tempel herbouwden, eigenden zij zich de enige echte God toe en heiligden Hem in het monotheïsme, waarbij alle mensgoden werden weggelaten. Aanvankelijk maakten ze nog wel onderscheid tussen de schepper Elohim die in de bijbel de naam ‘God’ draagt en hun stamgod Jahweh, die in de bijbel de ‘Here God’ wordt genoemd. Maar al gauw werden ze samengevoegd tot Adonai, de enige Heer. De eerste schriftgeleerden die het Oude Testament tot ontwikkeling brachten, begrepen slechts gedeeltelijk dat hun leer afkomstig was uit de kabbala, die in het Midden-Oosten de representant was van de universele leer der ingewijden. Daarna ging dat inzicht verloren, omdat de schriftgeleerden niet waren ingewijd en daarmee de diepgang van die teksten niet meer konden peilen. De in het Oude Testament optredende God had aanvankelijk alleen een functie voor de joden, waardoor Hij wraakzuchtig was en alle volkeren liet uitmoorden die vijandig optraden tegen "zijn" volk. In tegenstelling daarmee creëerden de christenen een God die niet wraakzuchtig is, maar zijn Zoon Jezus uit liefde voor de mensheid naar de aarde stuurde om hun zonden op zich te nemen. Die correctie was noodzakelijk, omdat de joodse God de mensheid had verdoemd nadat Adam en Eva in het paradijs van de verboden vrucht hadden gegeten. Wie in Jezus geloofde, meer was niet nodig, kon daarom dankzij Gods genade toch van de verdoemenis worden gered.

Deze veranderingen hadden tot gevolg dat God in de christelijke godsdienst een geheel andere functie kreeg dan in de universele leer. Oorspronkelijk was God de onbenoembare bron, waaruit het universum was ontstaan op basis van een plan dat volgens de regels der logica en enkele wiskundige figuren begrepen kan worden. Daarna werd God aangepast aan de menselijke behoeften en het voorstellingsvermogen, waarmee het ware verband tussen God en de kosmos verdween. Naarmate de vermenselijking van God doorzette, werd er meer nadruk gelegd op het bezit van de enige God en de enig juiste leer, waarmee de strijd om de macht zijn intrede deed. We herkennen dat nu nog zo sterk in de islam. De eerste bisschoppen zagen geen verschil tussen de restanten van de zuivere leer en de godsdiensten van de omringende volkeren, die soms een zeer bedenkelijk niveau hadden bereikt. Daardoor waren zij gerechtvaardigd om hun nieuwe leer boven alle andere godsdiensten te plaatsen en die heidens te noemen. Daarmee werd minachtend verwezen naar de ongelovige arme boeren op de onvruchtbare heide.

Nadat de Rooms-katholieke bisschoppen te vuur en te zwaard de inhoud en interpretatie van de bijbel hadden vastgelegd, brak er een tijdperk aan van geestelijke duisternis. Hiermee suggereer ik niet dat er vóór die tijd alleen wetende ingewijden waren. Integendeel, die mensen zijn altijd zeldzaam geweest. En verder kan de ontwikkeling van het christendom niet als een terugval worden beoordeeld, want de heidenen waren niet wijzer dan de christenen. Ook de christenen waren niet wijzer dan de heidenen. Ik benadruk alleen het bestaan van een hogere verborgen wijsheid die voor de wereld verloren ging, terwijl die wijsheid er volgens de huidige opvattingen nooit is geweest.

De vermenselijking van God probeer ik hierna duidelijk te maken aan de hand van de eerste vijf bijbelboeken die van oudsher aan Mozes worden toegeschreven. Tegenwoordig neemt men aan dat hij ongeveer 24 eeuwen geleden leefde in Egypte en Palestina, terwijl de esoterie leert dat Mozes vele tienduizenden jaren eerder geleefd moet hebben. In dat verband leert de esoterie dat deze vijf bij elkaar horende bijbelse wetboeken uit het kabbalisme stammen. De enorme ouderdom van de kabbala bracht met zich mee dat de schriftgeleerden [= Farizeeën] ten tijde van Jezus’ leven op aarde de diepere betekenis van de wetboeken van Mozes niet meer kenden. Als gevolg daarvan begrepen zij het verschil niet meer tussen de Elohim en Jahweh, tussen God en de Here God. Ik heb daarop al gewezen. God schiep de hemel en aarde (Genesis 1-2), terwijl de Here God de mens uit het paradijs had verstoten en daarna op de aarde liet zwoegen (Genesis 2 en verder). Waar we de naam God lezen in de bijbel, gaat het om de Elohim, welke naam vertaald moet worden als ‘goden met een mannelijk en vrouwelijk karakter’. En waar het gaat om de Here God, betreft het Jahweh of enkele andere daarmee verwante namen. Dat onderscheid kwam oorspronkelijk voort uit de kabbalistische leer, die inhield dat de schepper van dit zonnestelsel niet één wezen is, maar een reeks scheppende machten waarvan Jehovah/Jahweh één der lagere aanzichten was/is.

Dat ook de Here God oorspronkelijk nog niet was vermenselijkt, blijkt wel uit de getalswaarde van de letters van zijn naam. Daarbij merk ik op dat er in het oud-Hebreeuws alleen medeklinkers waren zonder klinkers, waardoor zijn naam geschreven werd als JHWH (Jahweh) of JHVH (Jehovah). Daarbij had de J de getalswaarde 10, de H was 5 waard en de V/W had waarde 6, zodat die naam niets anders was dan de getallenreeks 10-5-6-5. Alleen de kabbalist die de verborgen betekenis kende, begreep de functie van die godheid. En zo werden Elohim en Jahweh de god van het westen. Later ook van de islam, want Allah is hetzelfde als Eloha of Elohim, God.

Zo vermenselijkt was het godsbeeld al vóór de tijd van Jezus, dat de Here God zich in het O.T. gedraagt als de meest autoritaire persoon uit een patriarchale familie, een wezen dat ons tegemoet treedt met ogen en oren (Ps.34:16), een hand (Ezr:7:6), een gelaat (Deut.34:10) en in Ex.33:23 zelfs met een heuse achterkant. Hij discussieert langdurig met Mozes, wordt eerst behoorlijk boos op zijn volk en krijgt daarna berouw omdat hij zijn fout inziet (Ex.32:14). En last but not least laat hij hele volksstammen uitroeien, die hem beconcurreren door een andere god te aanbidden. Wie aldus zoekend het O.T. doorbladert, moet welhaast in staat zijn om een compleet lichaam op te bouwen, inclusief de erbij behorende moorddadige persoonlijkheid. Dat verklaart misschien waarom sommige theologen in alle ernst discussiëren over de vraag of God wel alles kan overzien.

het daaruit voortgekomen dualisme

Nadat het goddelijk-onbevattelijke was vermenselijkt, werd de schepper opgevat als een wezen dat de schepping had gemaakt, welke handeling vergelijkbaar is met de mens die iets maakt met zijn handen. Hoewel de christenen die oneerbiedige vergelijking nooit zullen maken, werd God daardoor de schepper van zijn schepping. Als gevolg daarvan ontstond er een dualistisch christelijk wereldbeeld waarin God naast de schepping staat, welk onderscheid vóór die tijd nooit werd gemaakt. God is in de universele leer de bron en de schepping tegelijk. En in de UG is God zowel de schepping als meer dan de schepping. Was die kunstmatige scheiding al erg genoeg, tot overmaat van ramp werd één van zijn hoogste engelen afvallig en greep als de duivel de macht in het duister. Daardoor ging de satan (oorspronkelijk sat-an, in het Indiase Sanskriet betekent dat de bron van de hoogste wijsheid) met zijn volgelingen naar de hellenwereld, waarna de hemel voor God overbleef. De tegenstelling tussen God en zijn schepping, God en zijn tegenstander de satan, de hemel en de hel, goed en kwaad, leven en dood, bekrachtigde het dualistische denken in zo’n grote mate, dat het op alle terreinen ingang vond.

Hoewel niemand dat dualisme als een probleem zal ervaren, is het op die manier niet mogelijk om een fundamenteel inzicht te krijgen in de structuur van de kosmos en de mens. De dualiteit ofwel de tegenstelling heeft van nature een scheidend en polariserend karakter. En als daarop eenzijdig de nadruk wordt gelegd, verdwijnen de verbindende en éénmakende krachten naar de achtergrond. We herkennen dat in deze tijd waarin wetenschappers erin slagen om steeds kleinere details te onderzoeken (splitsen), terwijl ze nauwelijks zijn gericht op de grotere verbanden (verbinding). Verderop in dit boek zal ik aantonen dat het polariserende karakter van de tegenstelling wordt opgeheven in het drietal, de triade, die scheiding en verbinding combineert. Zie ook het hoofdstuk "Korte samenvatting". Omdat het drietal een universele figuur is die verborgen gaat in de grondstructuur van al het bestaande, vinden we die in alle mythologieën terug. Om die reden had in Griekenland de mannelijke Oeranos de vrouwelijke Gaia tegenover zich (tegenstelling), terwijl ze samen 12 kinderen hadden (verbinding). De grondstructuur van dat drievoudige gezinsverband (vader, moeder, kind) vinden we overal in de wereld terug, zonder dat we weten wat we ermee moeten doen. Zo is de structuur van het gezinsverband duidelijk genoeg, maar niemand begrijpt de drievoudige structurele samenhang tussen plant, dier en mens, of tussen de zon, de planeten en de manen. En dat weten we niet omdat we alleen op de tegenstellingen letten en geen acht slaan op de structurele samenhang van alle drievouden. Het is opmerkelijk dat juist Plato zoveel invloed heeft gelegd op de ontwikkeling van het dualisme. Want zijn verhaal van de grot dat zoveel invloed heeft gehad, stelde het hogere tegenover het lagere bewustzijn. En daar heeft de kerk garen bij gesponnen, door een dualistisch onderscheid te maken tussen de domme massa en de geestelijk verlichte kerkleiders waarnaar men blindelings diende te luisteren.

de functie van het christendom

Binnen het kader van het doel en de functie van dit hoofdstuk zijn de belangrijkste aspecten van de christelijke godsdienst nu besproken. We zijn begonnen met de bespreking van de leer der ingewijden, die na de 4e eeuw niet meer werd gevoed vanuit Egypte. De godsdienstige en geschiedkundige overleveringen van een groep joden die uit de Babylonische gevangenschap terugkeerde en in Jeruzalem een nieuwe tempel bouwde, werd door de schriftgeleerden vastgelegd in het Oude Testament, zonder dat zij de inhoud ervan begrepen. De kennis die achter zoveel teksten schuil gaat, ging toen verloren, waardoor ook de moderne kabbalisten er geen blijk van geven dat ze de verborgen structuur in die verhalen doorzien. Als Jezus toen niet was geboren, hadden wij misschien met z’n allen aan de klaagmuur gestaan. Maar door zijn invloed kwam er een nieuwe impuls op gang.

Hij had zoveel eigen inzicht dat afweek van de andere geloven, zelfs van de leer der Essenen, dat hij zijn leer kon uitdragen aan hen die dat waard waren. Daarbij gooide hij geen paarlen voor de zwijnen, terwijl de schriftgeleerden hem niet begrepen. Daarom lezen we in Joh.3:9 dat Nicodemus aan Jezus vraagt: "Hoe kan dit geschieden?", waarop die zegt: "Gij zijt de leraar van Israël en deze dingen begrijpt ge niet?" En dat was alleen nog maar een vraag over het transcendente bewustzijn. De daarop volgende zin "En niemand is opgevaren naar de hemel, dan die uit de hemel is nedergedaald" betekent dan ook niets anders dan dat wij alleen kunnen schouwen (opvaren naar de hemel), omdat wij daar vandaan zijn gekomen en daarheen weer terugkeren na de dood, om vervolgens opnieuw op aarde geboren te worden. Deze onbegrijpelijke samenhang wordt veel later nog uitgelegd.

Zijn leringen werden na zijn dood (geen kruisdood) strikt geheim gehouden en slechts in een enkele kring doorgegeven, terwijl het Marcus-evangelie in zijn oervorm de bron werd van de vier evangeliën van het Nieuwe Testament. In en na die tijd verkondigde Paulus de leer van het christusbewustzijn, het hogere geestelijke inzicht dat hem was toegevallen tijdens één van zijn vele reizen. En anders dan de ingewijden had hij daarvoor niets hoeven doen. Dat ten hemel gevaren inzicht droeg hij met vuur over op de volkeren rond de Middellandse Zee, waar zijn boodschap aansloeg en zijn teksten werden opgepakt. In de 2e eeuw begon men zijn christos-leer samen te smelten met de overgeleverde uitspraken en gelijkenissen van Jezus. Daarbij verschoof de nadruk geleidelijk naar de mens Jezus, waarbij allerlei bestaande verhalen werden aangepast of bedacht om Jezus de status te geven van de grootste magiër aller tijden. Omdat hij de redder werd van de verdoemde mensheid, denk aan de appel van Adam en Eva, werd zijn opofferingsbereid aangetoond doordat hij zich vrijwillig aan het kruis liet nagelen, wat in die tijd het ergste leed was dat men zich kon voorstellen. Gelijktijdig werd Jezus vergoddelijkt, waarbij allerlei bruikbare overleveringen van de oude leer der ingewijden werden overgenomen en ingelijfd. In samenhang met reeksen zelfbedachte teksten werd dat geheel toen gebundeld tot het N.T., dat samen met het joodse O.T. de bijbel werd van de christenen. Louter op basis van de gepropageerde heiligheid van dat door God geïnspireerde boek kreeg de kerk in de middeleeuwen de alleen-macht over het denken van de mens. En nu die macht zienderogen afkalft, waaiert de islam uit alsof die godsdienst nu moet ingrijpen in de gebieden waar het christendom zijn greep heeft verloren op de massa.

Omdat elke ontwikkeling naar mijn inzicht op een hoger (= transcendent) niveau wordt aangestuurd, volgt voor mij nu automatisch de vraag wat de functie is geweest van de christelijke godsdienst binnen de westerse beschaving. Hoewel waarschijnlijk niemand het totale overzicht heeft om dat aan te kunnen geven, zie ik wel enkele subfuncties.

- Om positief te beginnen krijgt ieder volk de godsdienst die bij zijn ontwikkeling hoort. Het moet dan gezegd worden dat de kerk een belangrijke sociaal-maatschappelijke functie heeft gehad, die de westerse mens in positieve zin heeft beïnvloed. Zo zien we in het spirituele India een houding tegenover de out-cast die wij absoluut onacceptabel vinden. Ook is het in het westen ondenkbaar, dat mensen zo schandalig worden uitbuit als in die gebieden vrij "normaal" is. En vindt er ergens een grote ramp plaats, dan worden hier acties en geldinzamelingen gehouden, terwijl islamitische sjeiks gouden badkranen laten monteren, kolossale ijshallen in de woestijn neerzetten of het hoogste gebouw ter wereld laten construeren.

- Naast dat positieve effect was de kerk een bastion van onverdraagzaamheid, primair gericht op haar eigen voortbestaan en weinig oog hebbend voor de geestelijke ontwikkeling van het individu. Daarbij werden de persoonlijke belangen zo sterk onderdrukt ten opzichte van het goddelijke, dat er als reactie daarop wel een toenemende tendens van zelfgerichtheid moest ontstaan toen er meer vrijheid kwam. De langdurig onderdrukte impulsen die daarmee ruimte kregen, stimuleren naar mijn inzicht in deze tijd allerlei creatieve processen die tot de meest schitterende resultaten leiden.

- Daarnaast blijkt uit mijn werk als regressietherapeut dat de kerk de westerse mens in het verleden zo in de tang had en met haar represailles zo bang heeft gemaakt, dat er in de middeleeuwen meer angsten zijn ontstaan dan ooit eerder daarvoor het geval is geweest. De collectieve verwerking van die onbewuste en bewuste angsten ondersteunt in deze tijd het proces van zelfbewustwording.

- Het vierde aspect heeft te maken met de spirituele bewustwording. Toen de inwijding verloren ging en de westerse mens in een keurslijf werd geperst, hebben velen zich daarin laten persen. Anderen hebben zich daar vele levens tegen verzet, omdat zij de innerlijke stem bleven horen. Zij kwamen doorgaans op de brandstapel terecht en/of werden afschuwelijk gemarteld. De verwerking van die innerlijke remmingen ligt ten grondslag aan de spirituele bewustwording.

- Een vijfde functie heeft te maken met de ontwikkeling van de verstandelijke vermogens. De kerkelijke leer werd uiteindelijk zo wereldvreemd, dat er aan het einde van de middeleeuwen wel een kentering moest komen die de wetenschap deed ontstaan. In eerste instantie wisten alleen de meer ontwikkelde mensen zich te ontworstelen aan de mentale belemmeringen die de kerk had opgeworpen. Misschien waren ze daartoe alleen in staat, omdat ze vroeger meerdere malen waren ingewijd. Maar daarna kwamen er steeds meer mensen die zelfstandig gingen nadenken, waarmee de ontwikkeling van de wetenschap in feite een fundamentele stap was op weg naar meer kennis en inzicht. De daarop volgende vèr-standelijkheid in de 20e en 21e eeuw mag dan vaak verkeerd uitwerken, maar ook die heeft een functie in het kader van de persoonlijke ontwikkeling.

Als we deze punten samenvatten en op Europa betrekken, lijkt het er wel op dat de negatieve invloed van de kerk destijds, in deze tijden positief uitwerkt door de tendens die ons steeds vrijer maakt van innerlijke en uiterlijke belemmeringen. Daarmee werkt de onderdrukkende kracht van de kerk in haar nadagen dus positief uit. En met die hypothese zijn we toegekomen aan de bespreking van Descartes, die het dualisme ten grondslag legde aan de ontwikkeling van de wetenschap.

HET ONTSTAAN VAN DE WETENSCHAP

In dit volgende gedeelte bespreken we de situatie dat de wetenschap zich in eerste instantie los moest weken uit de middeleeuws christelijke wijsbegeerte, de scholastiek. In de eeuwen daarna heeft men zich echter zo los gemaakt van het ongeziene en het absurde daarvan, dat er in deze tijd niets anders meer lijkt te bestaan dan de zichtbare werkelijkheid.

descartes

De Fransman René Descartes die enige tijd in Nederland heeft geleefd, ondernam in de 17e eeuw een eerste poging om het goddelijke te scheiden van de wereld en de mens. Omdat hij ervoor koos om een nieuwe start te maken, werd hij de grondlegger van de westerse filosofie. Beseffende dat onze zintuigen niet betrouwbaar zijn, ging hij uit van de twijfel. Want dat wij van alles onzeker zijn, is het enige dat de mens absoluut zeker weet. Omdat wij twijfelen, wist Descartes dat hij kon denken. Ik denk dus ik ben, "cogito ergo sum" was de bekende uitspraak die zijn eerste conclusie verwoordde. Een stap verder wist hij zeker dat de mens een twijfelend wezen is dat over de schepping kan nadenken. En dat uitgangspunt werd de basis van zijn leer. Descartes die daarmee de denkende mens centraal stelde, ontwikkelde op die manier een "mens-centrische" visie.

De boeddhist zou bij die gedachte alleen al hevige rillingen krijgen, want die leert dat het ikbesef de bron is van alle lijden. Aangezien Descartes dat niet inzag, maakte hij een "kardinale" fout. Na eerst geconstateerd te hebben dat hij nadacht over de wereld, bracht hij op scholastieke wijze een dualistisch onderscheid aan tussen de denkende mens en God. Dat was zo vanzelfsprekend, dat hij die keuze niet hoefde te verantwoorden. Maar met deze scheiding bekrachtigde hij indirect het antropomorfistische godsbeeld van de kerk. Hij accepteerde daarmee immers dat God buiten en boven de schepping staat en dus niet begrepen kan worden. En aan de andere kant zette hij de mens neer die de wereld kon gaan begrijpen. Daarbij dacht hij dat het bewustzijn ongelijkwaardig is aan het lichaam, waarmee hij het bewustzijn scheidde van de stof. De scheiding tussen het lichamelijke en geestelijke kon in zijn visie echter niet absoluut zijn, want anders zouden wij niet over de wereld kunnen nadenken. Daarom wees hij de pijnappelklier aan als de plaats waar die wisselwerking plaatsvindt. Op zich was die tweedeling voor de ontwikkeling van de wetenschap zeer vruchtbaar. Want daarmee ondersteunde hij de studie van het stoffelijke heelal, wat uiteindelijk tot gevolg had dat de astronomie werd gescheiden van de astrologie. Er zijn honderden boeken geschreven die het belang van deze wijsgerige start benadrukken, maar die verantwoording laat ik gaarne over aan de filosofen. Ik benadruk alleen dat het godsdienstig dualisme in de wetenschap overging en daar vorm kreeg in de scheiding tussen God en de mens, de religie en de wetenschap, en wat even belangrijk is: de scheiding tussen het bewustzijn en het lichaam.

het geestelijke en het stoffelijke werden gescheiden

Als gevolg van de polariserende tendens die in het dualisme verborgen gaat, werd de tegenstelling tussen geest en materie steeds meer benadrukt en uiteindelijk op de spits gedreven. In eerste instantie kwam er in dezelfde eeuw een reactie in de vorm van het empirisme. Die richting benadrukte dat de wetenschappelijke kennis voortkomt uit de ervaring en daarom alleen uit de waarneming afgeleid kan worden. Francis Bacon introduceerde toen de eerder besproken inductie als methode voor wetenschappelijk onderzoek. De algemeen bekende uitspraak van John Locke dat de zintuigen de poorten zijn van de ziel, is wat dat betreft tekenend. We denken daarbij ook aan David Hume die in de 18e eeuw de uitspraak deed. "Als ik zo diep mogelijk doordring tot wat ik mezelf noem, struikel ik altijd over de een of andere waarneming, warmte of kou, licht of schaduw, liefde of haat, verdriet of plezier. Ik kan mezelf nooit te pakken krijgen zonder een waarneming en ik zie nooit iets anders dan de waarneming zelf."

In reactie op dat ervaringsgerichte empirisme ontstond in de 18e eeuw het idealisme dat in de kern terugging naar de ideeënleer van Plato. Daarbij werd de werkelijkheid herleid tot ideeën, bewustzijnsinhouden die een spirituele of zelfs goddelijke oorsprong hebben. Hegel was in het begin van de 19e eeuw de pleitbezorger van dat idealisme. Op basis van de scheiding tussen de stof en de geest onderscheidde hij een natuurfilosofie en een filosofie van de drievoudige subjectieve, objectieve en absolute geest. Het verschil tussen religie en filosofie verklaarde hij in termen van voorstellen (religie) en begrijpen (filosofie). Dat was nog niet zo’n gekke gedachte, want het voorstellingsvermogen had van God immers een vermenselijkte karikatuur gemaakt. In zijn opvatting wordt de religie inbeeldend beleefd en minder logisch overwogen, waardoor de religie opgeheven dient te worden in de wijsbegeerte. Dat was in die tijd werkelijk een idealistisch uitgangspunt, want het struikelblok in deze theorie vormde de kerk die zijn standpunt niet onderschreef.

In dezelfde tijd kwam het positivisme tot ontwikkeling, welke richting in aansluiting op het empirisme de wereld wilde onderzoeken op een manier dat de natuur zelf op onze vragen een zinnig antwoord geeft. Als gevolg van dat uitgangspunt wees het positivisme alle filosofie, theologie, normatieve kennis of ethiek af.

In het spanningsveld van deze tegenstellingen ontstond in de 19e eeuw het monisme, welke richting alles tot één substantie wilde terugbrengen. In feite ontstonden er zelfs vier verschillende benaderingen van deze eenheidsgedachte. Het spiritualistisch monisme verklaarde die eenheid vanuit de geest, het psychisch monisme vanuit het bewustzijn, het energetisch monisme vanuit de energie, en het materialistisch monisme vanuit de materie. Hieruit ontstond het psychofysisch parallellisme waarvan Fechner de belangrijkste vertegenwoordiger was. Die richting ging er vanuit dat er slechts één werkelijkheid is, waarbij de verschijnselen zich voordoen als lichamelijk of psychisch. Van buitenaf gezien zijn de processen stoffelijk (fysisch), maar van binnen bekeken zijn ze geestelijk (psychisch). Het stoffelijke is daarom de openbaring van het geestelijke. Om die reden draagt zijn standbeeld in Leipzig de tekst: "In God leven, bewegen en zijn wij."

 

Het materialisme dat weer aansloot bij het positivisme, vond zijn oorsprong in de ontdekking van Mayer dat de aan de materie ten grondslag liggende energie eeuwig behouden blijft. Vormen gaan weliswaar in elkaar over, maar dat leidt niet tot vermeerdering of vermindering van die energie. Daardoor leek de stof eeuwig uit zichzelf te bestaan, in plaats van door God geschapen te zijn. Het verweer van de kerk was enorm, maar weinig verheffend. Dat blijkt wel uit de uitspraak van dr. John Lightfoot die in 1859 verklaarde dat de wereld was geschapen op 22 oktober 4004 v.Chr. om 9 uur ’s ochtends. Een andere geleerde dacht overigens dat het om 9 uur in de avond was geweest. En juist Lightfoot lachte zich suf toen Darwin zijn evolutietheorie lanceerde en de geestelijke evolutie verklaarde uit de lichamelijke ervaring.

In zijn theorie van de ‘survival of the fittest’ [= de sterkste overwint de zwakkere] had de stof de aanvulling van de geest niet nodig, waardoor de evolutieleer één der succesvolste verdedigers werd van het tot ontwikkeling komend materialisme. Het atheïsme trok daarna de consequenties die in het positivisme en materialisme besloten lagen en verklaarde God als niet bestaand. Indirect was ook dat een positivistische daad, omdat het goddelijke daarmee van zijn menselijke eigenschappen werd ontdaan. En zo werd de oorspronkelijke Descartiaanse stelling: "Ik denk, dus ik ben" geleidelijk veranderd in: "Alleen de mens denkt en neemt waar, dus wat wij niet in redelijkheid kunnen bedenken en niet kunnen waarnemen is niet-bestaand." Daarmee verhief de mens zich impliciet tot het machtigste en hoogstontwikkelde wezen van de schepping zonder dat hardop uit te spreken. Gelijktijdig is de mens in dat materialistische mens- en wereldbeeld niet meer dan een brok levende materie die de bron is van het bewustzijn.

het mechanistisch-newtoniaanse wereldbeeld

De natuurwetenschap kreeg een geweldige impuls door de standaardisatie van maten en gewichten, de eenheden van tijd, snelheid, kracht, vermogen enz. De lengte van de meter werd nauwkeurig vastgesteld door de omtrek van de aarde in 40 miljoen stukjes te verdelen. Een staaf van platina die in het Louvre wordt bewaard, gold vanaf toen als de standaardmeter voor de hele wereld. De kilometer werd 1000 meter en de decimeter 1/10 meter. Het kilogram werd het gewicht van 1 dm3 water, 1000 Celsius kwam overeen met de temperatuur van kokend water en 00 werd de temperatuur van smeltend ijs. De dag was al in 24 uren, 60 minuten en 60 seconden verdeeld, waardoor de combinatie van ruimte (afstand) en tijd (duur) leidde tot de vaststelling van de snelheid van een object. Door dit stelsel van maten en gewichten konden de relatieve waarden van warme en koude, hoge en lage, dikke en dunne, langzame en snelle voorwerpen uiterst nauwkeurig worden berekend. Aldus kreeg men zoveel inzicht in de onderlinge verhoudingen tussen de dingen, dat men meende dat alles in meetwaarden kan worden uitgedrukt.

Van grote invloed was Newtons formulering van de bewegingswetten, welke prestatie in de 18e eeuw van onschatbaar belang was. Vrij vertaald zei Davies daarvan het volgende: "Newtons drie wetten houden in, dat zodra de beginpositie en snelheid van een object vastliggen, de bewegingen van dat lichaam in de ruimte volledig worden bepaald door de krachten die op dat lichaam inwerken. Toen werd aangetoond dat de hemellichamen ook onder die universele wetten vallen, konden zowel Newton als zijn tijdgenoten een steeds bevredigender en meer gedetailleerde verklaring geven voor de werking van het zonnestelsel. Daarom dacht men dat de wetten van Newton voor de hele materie zouden gelden, inclusief de toen nog niet ontdekte atomen en de nog weer later ontdekte golfdeeltjes waaruit die atomen zijn opgebouwd. Omdat alle bewegingen voorspelbaar werden, kreeg het heelal de structuur van één wetmatig bepaald geheel. En zo werd het gehele bestaan gereduceerd tot één gigantisch uurwerk waarvan elk onderdeel zijn voorgeprogrammeerde opdrachten met wiskundige precisie uitvoert11." Dat optimisme werkte dusdanig aanstekelijk, dat de astronoom Laplace in het begin van de 19e eeuw tegen Napoleon durfde te beweren dat de bewegingen van de hemellichamen zo perfect te herleiden en te voorspellen zijn, dat hij de hypothese van God niet meer nodig had. Hoewel het genie Newton in zekere zin een esoterisch denker was, werd de door hem geformuleerde wetmatigheid van de bewegingsleer al gauw zo strikt toegepast, dat men nu spreekt van de mechanistische Newtoniaanse wereldbeschouwing.

Het is daarbij verbazingwekkend om te zien hoezeer de wetenschap en de godsdienst hand in hand gingen. De meest vooruitstrevende christenen die zich conformeerden aan deze wetenschappelijke inzichten, begrepen hieruit dat de schepper niet naar willekeur handelt, waardoor zij verkondigden dat God zich op een wetmatige wijze in de natuur manifesteert. Op basis van dat uitgangspunt bedachten zij de constructie dat God de schepping in den beginne zodanig had vóórgeprogrammeerd, dat alle ontwikkelingen daarna wetmatig verliepen. Die visie sloot namelijk perfect aan bij de mechanistische opvatting, waarin alle ontwikkelingen vergeleken worden met een uurwerk waarvan elk onderdeel zijn voorgeprogrammeerde opdrachten uitvoert.

De wetmatigheid waarop dat wereldbeeld is gefundeerd werd causaal genoemd, met welk begrip wordt aangegeven dat elke ontwikkeling het gevolg is van een reeks daaraan voorafgaande oorzaken. De causaliteit is zodoende de oorzakelijke wetmatigheid, die elke toestand verklaart als het gevolg van een voorafgaande toestand. We steken een gasvlam aan onder een keteltje water, dus neemt de temperatuur van het water met zoveel graden toe. We kopen de materialen voor een huis, huren een aantal bouwvakkers die daarna aan het werk gaan, dus kunnen we over een jaar ons nieuwe huis intrekken. We knippen de draad van een schemerlamp door, dus brandt die niet meer als de stekker in het stopcontact wordt gestopt. We strooien vergif op ons land, dus groeit er de eerstvolgende jaren niets meer.

Omdat elke handeling op deze manier zijn vervolg krijgt, werd de wetenschap in staat gesteld allerlei onbekende verbanden te onderzoeken, waardoor men als het ware verblind raakte door de schier onbegrensde mogelijkheden die zich aandienden. Steeds meer details werden onderzocht, waardoor men onophoudelijk dieper in de geheimen van het leven wist door te dringen. Er leken zelfs geen grenzen te bestaan aan deze benadering van de werkelijkheid, waardoor dit wereldbeeld in de meest absolute zin juist werd geacht. Toen elke ontwikkeling causaal bepaald en verklaarbaar leek te zijn, was het bewustzijn niet meer nodig om uiteen te kunnen zetten waarom een ontwikkeling verloopt zoals die verloopt.

Het bewustzijn komt weer terug

op spiritueel gebied

De eerste aanwijzing dat er een kentering kwam, werd zichtbaar aan het einde van de 19e eeuw. In eerste instantie kwam toen het spiritisme tot ontwikkeling, nadat de zusters Fox in 1848 in de staat New York de vreemdste verschijnselen teweeg hadden gebracht. Al gauw meende men dat die verschijnselen werden veroorzaakt door overleden mensen, wat de mogelijkheid leek te openen om met gene zijde te communiceren. Vóór die tijd ging de mens naar de hel of de hemel (godsdienst), ofwel er bleef na de dood van het lichaam niets van de mens over (wetenschap). Maar in die tijd kwam het geloof tot ontwikkeling dat de mens na de dood doorleeft (spiritisme), welke opvatting voldeed aan de behoefte van veel mensen. Maar omdat de spiritistische beweging geen theorie te bieden had, deden die verschijnselen meer een appèl op de nieuwsgierigheid dan op het intellect.

Geheel anders was dat bij de theosofie die rond 1875 werd gegrondvest door de Russin Blavatsky en haar Amerikaanse helper Olcott. Blavatsky was vóór die tijd tweemaal naar het ontoegankelijke Tibet gegaan, waar ze lange tijd was onderwezen door de Tibetaanse monniken Moria en Koot Hoomi, die in en ook wel buiten de theosofie ‘de meesters’ worden genoemd. Die mensen vertelden haar dat het boeddhisme zoals wij dat kennen de gepopulariseerde leer is van het volk, terwijl Boeddha daarnaast de diepzinnige aspecten van zijn leer alleen had kunnen delen met zijn directe leerlingen. Na zijn dood hebben die dat esoterisch boeddhisme alleen in het grootste geheim doorgegeven aan gelijkgestemden die daar rijp voor waren. Aldus werd die leer in de loop der tijden verder uitgewerkt, waarna die in de 14e eeuw in Tibet terechtkwam. Vijf eeuwen daarna mocht Blavatsky een heel klein gedeelte van die leer openbaren in de vorm van de theosofie [= de leer van het goddelijke], waarmee zij de eerste persoon was die de Aziatische reïncarnatieleer en de crematie in het westen onder de aandacht bracht. Belangrijk daarbij was de opvatting dat de leer van Boeddha in alle tijden heeft bestaan, maar slechts aan ingewijden bekend was. In die visie kan het ontstaan van de theosofie worden opgevat als de eerste impuls van de wedergeboorte van de universele leer aller tijden.

In het begin kwam die beweging op een positieve wijze tot ontwikkeling, waarna de onvermijdelijke problemen optraden die zich vooral op de persoon Blavatsky richtten. Na haar dood kwam er nog meer kommer en kwel, mede waardoor de theosofische beweging in verschillende takken uiteenviel. Gelijktijdig maakte de antroposofie [= de leer van het menselijke] zich onder de bezielende leiding van Rudolf Steiner in Duitsland los van de moederbeweging, terwijl de bijna gestorven rozenkruisersleer door al deze ontwikkelingen nieuw leven werd ingeblazen. Daarmee vertegenwoordigen de theosofie, de antroposofie en de rozenkruisers de voorheen verborgen leringen die wij tegenwoordig onder de naam esoterie rangschikken. Hoe dramatisch die versnippering was van de universele leer, blijkt wel uit de kleine rozenkruisersbeweging die in nog meer groeperingen uiteenviel dan de theosofie. De eenheid die op dat esoterische gebied wordt nagestreefd, is zodoende een wonderschone schijn die op de mooiste zeepbellen is gebaseerd. Wat dat betreft is het typerend dat die Tibetaanse monniken dat uiteenvallen hadden voorspeld. Het was zodoende misschien wel terecht dat de brahmaanse priesters (India) de westerlingen van de 19e en 20e eeuw met betrekking tot hun leer mlechcha’s ofwel barbaren noemden. Dat laatste moeten we zelfs bevestigen waar het gaat om de ariosofie [= de wijsheid der Ariërs] die uit de theosofie tot ontwikkeling kwam en in Oostenrijk en Duitsland ontspoorde in de verachtelijke leer van de Nazi’s. Het verband met de theosofische leer verklaart waarom die onmensen zich bedienden van het hakenkruis (swastika), het heiligste en meest diepzinnige symbool van de oudheid.

In het laatste kwart van de 20e eeuw kreeg die bewustwordingstendens een nieuwe impuls door de new agebeweging. Die naam kwam voort uit de astrologische opvatting dat er na het vissen(pisces)tijdperk een nieuwe fase in de evolutie aanbreekt die het waterman(aquarius)tijdperk wordt genoemd. Na de hippie- en flower powerbeweging verwees de term new age ook naar het brede scala van spirituele activiteiten zoals het psychometreren, het channelen, het aan jezelf werken of de herbeleving van vorige levens. Daarbij ging het er minder theoretisch aan toe dan bij de theosofische leer, die in bepaalde opzichten nauwelijks op waarde en juistheid getoetst kan worden. En waar dat wel mogelijk is zoals het onderzoek naar de herbeleving van vorige levens in trance, heeft men dat bewust achterwege gelaten. In die kringen is men namelijk zo overtuigd van de juistheid van de leer van de meesters en de opvattingen van Blavatsky, dat daar geen vernieuwende en afwijkende inzichten kunnen doordringen. Daarmee is de esoterie op sterven na dood, wat zeker niet geldt voor het bewustwordingsproces dat in het begin van de 20e eeuw is ingezet. Op een constructieve wijze werken de effecten daarvan door in de westerse samenleving, wat herkenbaar is in de alternatieve geneeskunde die in dezelfde tijd als de new agebeweging tot ontwikkeling kwam. Daarbij verwacht ik dat de zweverige aspecten van die beweging vanzelf hun voeding verliezen en geleidelijk uitblussen, terwijl de meer geaarde aspecten in de loop van ontelbare eeuwen uitgroeien tot een volslagen nieuw mens- en wereldbeeld dat nu nog ver boven ons bevattingsvermogen uitgaat.

vernieuwingen in de wetenschap

In dezelfde tijd dat de theosofie tot ontwikkeling kwam, braken er in de wetenschap nieuwe inzichten door die fundamenteel tegenstrijdig zijn aan het materialisme. In eerste instantie kwam men tot de ontdekking dat er beneden het niveau van het atoom een onzichtbare subatomaire [= beneden het atoom] werkelijkheid bestaat, waar de wetmatigheid zich geheel anders voltrekt dan in de tastbare en zichtbare werkelijkheid. Als gevolg daarvan brak er een strijd uit tussen de aanhangers van de oude fysica en de nieuwe generatie die ging begrijpen dat de wereld op microniveau (subatomair) en macroniveau (in de ruimte van het heelal) anders functioneert dan hier op aarde. Ik kom hierop terug aan het einde van dit hoofdstuk. Geen van beide kampen won, omdat bleek dat die tegengestelde opvattingen elkaar aanvullen. Als gevolg daarvan groeide de fysica boven die tegenstelling uit en onderging als eerste tak van wetenschap een essentieel vernieuwingsproces. Toen algemeen werd geaccepteerd dat het universum een gecompliceerder karakter heeft dan men aanvankelijk dacht, ontwikkelde de fysica een heel ander wereldbeeld. Dat verklaart waarom de kernfysicus Capra in zijn boek ‘De Tao van fysica’12 op zoek ging naar mogelijke overeenkomsten tussen de bevindingen van de kwantummechanica en de leer der ouden (China, het hindoeïsme en het boeddhisme). En dat in een tijd dat er nog geen enkele uitgever was die brood zag in de publicatie van een dergelijk werk.

Hoe ver men bij het zoeken naar die verbanden kan gaan, blijkt wel uit het feit dat de eerder aangehaalde Davies een boek schreef met de titel: ‘God in de nieuwe natuurkunde’, terwijl Zukav een boek publiceerde onder de naam ‘De zetel van de ziel’13. Die ontwikkeling valt toe te juichen. Maar er ontstaat wel een probleem als fysici proberen om de nieuwe inzichten uit de kwantummechanica over te zetten naar het terrein van het bewustzijn, zonder dat de essentie ervan volledig begrepen is. Men weet dan wel dat het anders moet, maar nog niet waarom en hoe het anders moet. En zolang dat het geval is, blijft de kans groot dat er bij die "vertaling" foute interpretaties ontstaan. De aard daarvan kunnen we vergelijken met het Nederlandse woord ‘stoffelijk’ dat in het Engels als ‘concrete’ vertaald mag worden, terwijl we ‘concrete’ kunnen terugvertalen in ‘beton’. Daaruit mogen we dan niet de conclusie trekken dat alle stoffen van beton zijn.

Bij deze ontwikkeling bleef het niet, want in de zestiger jaren kwamen zoals gezegd de alternatieve geneeswijzen tot ontwikkeling, op welk terrein de reguliere geneeskunde als tegenstander fungeerde. De strijd die toen ontstond is in het perspectief van het geschetste bewustwordingsproces een logisch vervolg op de voorgaande, maar verschilt wezenlijk daarvan. De reguliere geneeskunde houdt zich alleen bezig met de functies van het stoffelijke lichaam, terwijl haar alternatieve tegenhanger primair gericht is op allerlei onzichtbare functies van het lichaam. Daarvan kan het bestaan volgens de geijkte regels van het wetenschappelijk onderzoek niet bewezen worden, waarbij men als volgt redeneert: "Waar zijn die meridianen waarvan de acupuncturist zich bedient? Waar zijn die energieën waarop de homeopathie zich baseert? Nergens, want geen oog kan ze waarnemen, geen oor kan ze horen, geen neus kan ze ruiken en geen hand kan ze grijpen".

Toch blijven de positieve resultaten van de alternatieve geneeskunde zich opdringen, waardoor de onderlinge samenwerking langzamerhand toeneemt. Maar omdat het werkgebied van de alternatieve geneeskunde niet zichtbaar gemaakt kan worden, is deze tegenstelling veel fundamenteler dan de voorgaande. Desondanks hebben zoveel mensen zich inmiddels op dit terrein ontplooid, dat er een uitgebreide psycho-energetische specialisatie is ontstaan. Genezen met edelstenen of mineralen, kleuren- en geluidstherapie, laag- en hooggepotentieerde homeopathie, Bachdruppels, Reiki, magnetiseren, healing, psycho-chirurgie, acupunctuur, acupressuur en orthomoleculaire geneeskunde vormen één lange rij van behandelingswijzen die in zijn geheel nauwelijks meer is te overzien. Daar komt nog bij dat de homeopathie lagere en hogere verdunningen kent die in stoffelijk opzicht niet meer gemeten kunnen worden, wat het vermoeden wettigt dat al die therapieën op verschillende onzichtbare golflengten werken. Als gevolg daarvan overlappen meerdere alternatieve toepassingen elkaar, terwijl ze toch niet gelijk zijn. Het enige voordeel daarbij is dat die therapieën in negatief opzicht vrijwel of geheel onschadelijk zijn, waardoor de mislukkingen zelden problemen opleveren. Dat staat in schrille tegenstelling tot het grote aantal onherstelbare missers in de reguliere geneeskunde.

enkele nog niet vernieuwde wetenschappen

elementenpsychologie

Is het al moeilijk om het bestaan van de hiervoor besproken belevendigende energieën aan te tonen, in deze tijd is het nog niet mogelijk om de psycholoog te bewijzen dat zijn wetenschap vermaterialiseerd is en daarom ook een vernieuwingsproces dient te ondergaan. Op het terrein van het menselijke bewustzijn is het namelijk een kwestie van zien of niet-zien, van inzien of niet-inzien, van bewust-zijn of niet bewust-zijn. En als men dan meent iets te zien, maakt men gebruik van het experiment om dat inzicht te kunnen bewijzen. Die werkwijze kwam meer dan een eeuw geleden (1879) tot ontwikkeling, toen Wundt in Leipzig het eerste psychologische laboratorium vestigde. Daarmee deed de onderzoeksmethodiek zijn intrede in de wereld van het bewustzijn, wat een belangrijke stap voorwaarts was, omdat de psychologie daarmee een echte wetenschap werd. Wundt nam daarbij aan dat de inhouden van het bewustzijn uit deeltjes ofwel elementen zijn opgebouwd, terwijl die elementen samenhangen met de verschillende hersenimpulsen. In zijn laboratorium trachtte hij die met het zenuwstelsel verbonden bewustzijnselementen te analyseren en daarna weer op te bouwen. Op die manier wilde hij inzicht krijgen in de wijze waarop de waarneming en de daarop gebaseerde associatieve processen zich afspelen.

Zijn leerling Külpe benadrukte binnen die elementenpsychologie de waarde van de introspectie. Intro spectare betekent naar binnen zien, waarmee de introspectie in tegenstelling staat tot de extrospectie. Introspectie is niet helderzien, maar de gewone naar binnen gerichtheid op de inhouden van het bewustzijn. In tegenstelling tot Wundt ondervroeg hij de mens dan ook systematisch naar zijn innerlijke beleving, terwijl Wundt zich alleen bezighield met de zintuiglijke werking en de voorstellingen. Daarbij trachtte hij zoveel mogelijk met dezelfde natuurkundige methoden te werken als de fysicus, terwijl Külpe het experiment gebruikte om allerlei belevingen uit te lokken. Vervolgens stelde hij daarover vragen, teneinde die belevingen te analyseren. De psychologie werd als wetenschap door Wundt gefundeerd op het moment dat het materialisme bloeide, terwijl Külpe voor het eerst begreep dat het menselijk bewustzijn nooit op dezelfde manier als de natuur onderzocht kan worden. Wundt dacht het bewustzijn te kunnen onderzoeken, zonder de mens zelf daarin te betrekken. Külpe zag in dat het bewustzijn meer is dan de voltrekking van reeksen mechanistische processen.

In reactie op de elementenpsychologie van Wundt ontstond de gestaltpsychologie, welke term bedacht werd door de Weense graaf Christian von Ehrenfels. Voor hem was een gestalt een psychologisch geheel dat zijn structuur ontleent aan de waarneming. In die betekenis zien we bijvoorbeeld een auto langs rijden in plaats van een hoeveelheid losse onderdelen. Hoewel er geen exacte Nederlandse vertaling is voor dat woord, betekent het woord gestalt nu zoiets als een georganiseerd, betekenisvol geheel. Het nieuwe van zijn ideeën lag in de opvatting, dat we niet alleen kennis verkrijgen door de elementen in steeds kleinere deeltjes op te splitsen. Dat leidt soms juist niet tot enige vermeerdering van kennis, omdat ons bewustzijn vooral de gehelen waarneemt. De opvatting van von Ehrenfels dat wij gestalten waarnemen, terwijl de gestalt niet hetzelfde is als de optelsom van alle losse delen, werd verder uitgewerkt in de Berlijnse school van de Gestaltpsychologie. Daar werd gesteld dat het geheel aan de delen vooraf gaat, waarmee bedoeld werd dat we eerst een auto zien en daarna pas de verschillende onderdelen, kleuren en functies. We zien eerst de eenheid en zijn betekenis voor ons, waarna we bewust worden van de verschillende aspecten van een eenheid. Daarnaast leerde die school dat de gestaltvorming het primaire kenmerk is van de wijze waarop organismen functioneren. Een dier bijvoorbeeld functioneert als één geheel en niet dankzij de afzonderlijke functies van de romp, de armen, de benen en het hoofd. Verder werd er gesteld dat een gestalt meer is dan de som der delen, zoals een auto meer is dan alle losse onderdelen. Een auto is een vervoermiddel, wat de onderdelen niet zijn als ze nog in het magazijn liggen opgestald.

Op basis van deze gestaltgedachte fundeerde Perls de gestalttherapie. Deze Duitse psychiater (1893-1970) van joodse afkomst werd in Berlijn geboren en ging daarna naar Canada. Hij kwam toen tot het inzicht dat aan veel persoonlijkheden de eenheid ontbreekt, in die zin dat zij maar van een gedeelte van zichzelf bewust zijn. Voor wie geldt dat overigens niet? Maar op basis daarvan ontwikkelde hij de gestalttherapie om die personen te kunnen helpen één geheel te worden. In concreto probeert die therapie de persoon bewust te maken, te doen toegeven, en alle delen van de persoonlijkheid bijeen te brengen, ten einde ze op die manier tot één geheel te verenigen. Daarbij gaat de therapeut uit van de opvatting dat wij waarnemen in gestalten, waardoor het doel van die therapie werd ‘het vergroten van het gewaar zijn van het lichaam, van de gevoelens, de gedachten en het gewaar zijn van anderen en de dingen om ons heen’. Daarnaast kwam de theorie tot ontwikkeling dat het individu een deel is van de gemeenschap (gestalt), waardoor bepaalde relationele problemen alleen in groepsverband verwerkt kunnen worden.

De universele gestalttheorie heeft deze gestaltmatige opvatting uitgewerkt in de leer dat de kosmos als één geheel bestaat uit delen (stelsels), terwijl GOD (met drie hoofdletters) het meerdere is. Dat betekent dat GOD en het universum samen een gestaltmatige eenheid vormen. De wetenschap die God weglaat omdat wij God niet zien, bestudeert in die vergelijking de onderdelen van een auto, zonder te weten dat het om een auto gaat.

drie hoofdstromingen

In algemene zin zijn er in de psychologie drie hoofdstromingen ontstaan, waarvan de eerste stroming evenals de voorgaande ontwikkelingen in Duitsland en Oostenrijk hebben plaatsgegrepen.

1 De dieptepsychologie

Kort nadat de introspectieve vraagmethodiek van Külpe vaste voet verwierf, kwam de dieptepsychologie tot ontwikkeling. In die tak van de psychologie ging het niet meer om het exacte onderzoek van psychische processen, waarbij de mens zelf werd genegeerd, maar om het onderzoek naar de wijze waarop de mens bewust is en functioneert. Drie hoofdvertegenwoordigers gaven die beweging vorm. Freud fundeerde de psychoanalyse, Adler de individual psychologie en Jung de analytische psychologie.

Freud

Met name de psychoanalyse van Freud was de psychologie van het onbewuste en het bewuste ‘ik’. In zijn tijd waarin zoveel seksuele behoeften waren verdrongen, concludeerde Freud dat de primaire drift in de mens de geslachtsdrift is, de libido sexualis. Later kwam hij tot het inzicht dat die oerdrift geen seksuele drift is, maar een levens- of bestaansdrift. Hoewel Freud vooral wordt beschouwd als de psycholoog van de seksualiteit, is dat om deze reden slechts gedeeltelijk terecht. De levensdrift is gericht op de instandhouding van het individu. Als die driften geremd worden, kunnen ze veranderen in doodsdriften die destructief zijn, dat wil zeggen agressief met suïcidale neigingen. De bewuste onderdrukking vindt plaats als we bepaalde behoeften niet kunnen uiten, omdat ze ongewenst zijn. De vaag bewuste verdringingen gaan bijna buiten de wil om. En de bewuste beheersing wordt functioneel als we ergens de aandacht bij moeten houden, en dan niet aan bepaalde gevoelens toe kunnen geven. In plaats van onderdrukt te zijn, kunnen driften ook worden uitgeleefd of gesublimeerd. Een voorbeeld daarvan is een jongen die zijn agressiviteit in de bokssport uitleeft en zich goed aan de regels leert houden.

 

Adler

Freud noemde zijn leer psychoanalyse. Adler, de tweede belangrijke dieptepsycholoog, grondvestte daarnaast de individual psychologie. Daarin beschreef hij met name de sociale drijfveren die de mens motiveren, en benadrukte daarmee het machts- of geldingsstreven waarbij het bereiken van gestelde doelen belangrijk is. Hij werd daardoor de psycholoog van het minder- en meerderwaardigheidscomplex. Niet alleen de strijd tot zelfhandhaving beklemtoonde hij, ook het gemeenschapsstreven had zijn aandacht. Zijn leerling Künkel sloot zich daarbij aan, en formuleerde de hoofdwet: ‘Hoe dieper het minderwaardigheidsgevoel en hoe hoger daardoor het geldingsstreven, des te kleiner is de kring van gemeenschapsgevoel en activiteit.’

Jung

Jung, de derde en meest diepzinnige dieptepsycholoog, ging als stichter van de analytische psychologie nog een stap verder en ontwikkelde de theorie van de individuatie, de zelfverwerkelijking. Onder het begrip psychische energie rekende hij naast de libido sexualis vooral een energetische krachtbron die processen zoals de religiositeit, de expressie en de vormgeving doet ontstaan. Jung benadrukte daarmee de inwezenlijke strevingen die de mens bewust maken van zijn plaats binnen het grotere kosmische geheel. Evenals Freud behandelde hij het ‘ik’, maar zag het onbewuste niet alleen als een negatieve ziekmakende grootheid, doch veel meer als een inspirerende positieve bron. Het onbewuste van Freud verdeelde hij in het persoonlijk onbewuste en het collectief onbewuste. Het persoonlijk onbewuste noemde hij vóórbewust (herinneringen en associaties) en onderbewust (de vergeten en verdrongen inhouden), terwijl het collectief onbewuste bestaat uit de archetypen, de instincten en een niet bewust te maken hogere kern.

Archetypen betreffen bepaalde overgeërfde manieren van reageren, die de mensheid sedert de oertijd heeft opgebouwd in situaties van angst, gevaar, strijd, de verhouding der geslachten, de houding ten opzichte van geboorte en dood. Het is een oeroud weten aangaande de diepste relaties tussen God, de mens, het leven en de kosmos. Die collectief onbewuste inhouden heeft het individu niet als een afzonderlijk schepsel verworven in zijn leven. Maar in de loop der tijd van de ontwikkeling van de menselijke ziel zijn die inhouden stukje bij beetje verworven, vanaf het begin van het leven.

Het onbewuste dat bij Freud in veel gevallen een ziekmakende invloed heeft, kreeg bij Jung ook een positieve invulling, waarbij hij dat krachtveld beoordeelde als vruchtbaar voor de ontwikkeling van de mens. Dit komt vooral tot uiting in de regressie. Voor Freud was dat een terugval naar een vroeger stadium van ontwikkeling, waarbij we kunnen denken aan een kind dat zindelijk is, maar weer in zijn bed gaat plassen als er een broertje of zusje bij komt en hij daardoor tijdelijk wat minder aandacht krijgt. Voor Jung was de regressie daarnaast ook nog een teruggrijpen op het onbeperkte krachtenreservoir van het onbewuste, op welk uitgangspunt de regressietherapie (en de reïncarnatietherapie) is gebaseerd.

Als we het voorgaande overzien, valt het op dat de drie takken van de dieptepsychologie een bijzondere samenhang vertonen. Samengevat legde Freud de nadruk op de ontwikkeling van het onbewuste en bewuste ‘ik’. Adler bouwde daarop voort en benadrukte de relatie tussen het ‘ik’ en de medemens, terwijl Jung daaraan de relatie tussen het ‘ik’ en het collectief onbewuste toevoegde. Later werk ik uit dat het daarbij in de UG gaat om de ééndimensionale laag (Freud), de tweedimensionale laag (Adler) en de driedimensionale laag (Jung) van het bewustzijn. En daarbij ging Jung met zijn hypothese van het collectief onderbewuste in feite "terug" in de richting van het hogere bewustzijn van de oudheid. Iets moet hij daarvan hebben vermoed, omdat hij schreef dat zijn archetypen in de buurt komen van de ideeën van Plato, welke ideeën alleen door het hoogste bewustzijn geschouwd kunnen worden.

2 De gedragspsychologie

Een zuiver wetenschappelijke reactie op deze analyserende dieptepsychologische benadering kon niet uitblijven. In de twintiger jaren kwam de gedragspsychologie tot ontwikkeling, welke naam aangeeft dat het waargenomen gedrag centraal kwam te staan. Proeven met dieren toonden namelijk aan, dat hun gedrag door herhaaldelijke toediening van straf en/of beloning in een bepaalde richting gestuurd kan worden. Daarbij bleek dat ook menselijke angsten op een vergelijkbare wijze kunstmatig opgewekt ofwel geconditioneerd kunnen worden, waarna ze weer even kunstmatig gedeconditioneerd ofwel afgeleerd kunnen worden. In de psychotherapie bleek toen dat het deconditioneren ofwel uitblussen van angsten vaak veel efficiënter is dan de eindeloos lang durende psychoanalyse van Freud. Als gevolg daarvan ontstond er een niet aflatende discussie tussen de dieptepsychologen die de nadruk legden op de verandering van de intenties en de gedragspsychologen die voornamelijk geïnteresseerd waren in de verandering van het gedrag#.

De psychotherapeuten van de eerste school zochten altijd naar de kern van een probleem, door een cliënt al liggend tot rust te brengen en zijn gedachten daarbij de vrije loop te laten (associatie). En wat er dan aan indrukken omhoog borrelde, probeerden zij op een zinvolle wijze te analyseren en te verklaren. Deze werkwijze is nog steeds onmisbaar in de therapie, maar op die manier krijgt het bewustzijn in bepaalde situaties toch teveel ruimte. Angsten creëren namelijk afweermechanismen die de dieperliggende angsten en weerstanden verborgen houden. En zonder dat de therapeut en de cliënt het dan in de gaten hebben, kan de laatste onophoudelijk om de hete brij heen associëren. Als gevolg daarvan groef de dieptepsycholoog vaak minder diep dan die naam suggereert, waardoor de kern van de problematiek niet werd geraakt.

# Gedragspsychologen onderzoeken en behandelen de mens in feite als een dierlijk geconditioneerd wezen, waarbij het specifiek menselijke bewustzijn volledig genegeerd wordt. Toch is deze vorm van therapie vaak heel effectief, wat de UG verklaart met de opvatting dat de mens in het huidige stadium van de evolutie in veel opzichten nog niet meer is dan een doorontwikkeld dier.

De gedragstherapeuten op hun beurt hadden geen boodschap aan diepgraverij, en hielden zich alleen bezig met het gedrag. Daarbij werden en worden de angsten niet geanalyseerd, maar aangepakt in de situatie waar die zich voordoen, bijvoorbeeld in de lift of op het plein. In eerste instantie wordt de angst meestal niet in volle hevigheid geactiveerd, maar eerst heel zwak terwijl men daarmee doorgaat totdat die angst in zijn geheel minder wordt. Dat proces wordt desensitisatie [= ongevoelig maken] genoemd. Zelden bereikt men op die manier de kern van het probleem, maar er ontstaat vaak wel een resultaat dat voldoende bevredigend is. En zo hadden beide bewegingen hun voors en tegens en werkten natuurlijk niet samen. Te eenzijdig gericht waren de aanhangers van beide richtingen overtuigd van de waarde van hun denkwijze. Volwaardig opgeleide therapeuten integreren deze technieken tegenwoordig in hun werk. Bekende figuren van deze gedragspsychologische richting waren Pavlov, Watson, Skinner en Thorndike.

3 De humanistische psychologie

Als derde golf kwam in de zestiger jaren de humanistische psychologie tot ontwikkeling. Die mens-gerichte tendens was weer een reactie op de gedragspsychologie, die zijn werkmethodiek op basis van dierproeven had ontwikkeld. Doordat met name Rogers en Maslov daarvan afstand namen, kwam het specifiek menselijke weer in de aandacht. Tart werd van die richting een belangrijk vertegenwoordiger, toen hij onderzoek verrichtte naar de verschillende staten van het bewustzijn. Hij deed bijvoorbeeld proeven met Monroe die zijn lichaam buitenzintuiglijk kon verlaten. Hoewel de resultaten van die onderzoekingen niet onverdeeld overtuigend waren, kon men ze toch niet volledig negeren. Met name binnen de transpersoonlijke psychologie werden pogingen ondernomen om het veld van de mystieke spiritualiteit op een verantwoorde manier te bestuderen. Zo deed Ken Wilber in de jaren ‘80 een poging om deze derde psychologische tak te verbinden met enkele opvattingen uit het boeddhisme.

Geleidelijk ontstond er in deze tak van de psychologie een andere mensopvatting, toen begrepen werd dat het menselijke bewustzijn niet één ‘ik’ is, maar uit meerdere ‘ikken’ bestaat. We denken daarbij bij voorbeeld aan Voice Dialogue, terwijl men in de hypnotherapie ging spreken van de egostate-therapie. De verschillende ikken ofwel deelpersonen worden in die therapie afzonderlijk aangesproken, teneinde ze beter op elkaar af te stemmen. Minder eenvoudig is dat bij MPS [= Meervoudige-Persoonlijkheids-Stoornis], in welke situatie verschillende delen van de persoonlijkheid elkaar verdringen. Psychologen zijn van mening dat deze deelpersonen alleen in probleemsituaties ontstaan, terwijl de UG leert dat de persoonlijkheid een gestalt is die uit delen (deelpersonen) bestaat, welke delen na de dood reïncarneren en dus steeds doorontwikkelen. Hoewel die opvatting veel verklaart, past die niet in het wereldbeeld dat de psyche pas na de geboorte wordt gevormd.

De huidige toestand

Deze schets van de drie belangrijkste bewegingen in de psychologie is zeer onvolledig, hoewel die voor mijn doel voldoende is. Want na deze algemene indruk mag worden vastgesteld, dat het doel van de psychologie omschreven kan worden als het verwerven van meer inzicht in het gedrag en bewustzijn van de mens als sociaal wezen. Dat uitgangspunt brengt met zich mee dat de psycholoog binnen zijn vakgebied geen affiniteit heeft met de "bovennatuurlijke" vermogens van het bewustzijn. De daaruit voortkomende paranormale verschijnselen worden in die kringen dan ook zelden erkend, waarbij men meestal de opvatting huldigt dat die verschijnselen op een natuurlijke manier verklaard moeten worden.

En zo lijkt het erop dat de moderne psycholoog in zijn drang naar exactheid steeds meer benadrukt dat het bewustzijn een product is van de genen en de hersenwerking. Dat verband tussen de hersenwerking en het bewustzijn kan immers worden aangetoond en onderzocht. Aangezien onze hersenen in die materialistische opvatting geen informatie kunnen dragen van een vorig leven, is er sprake van verzet tegen de leer van de wedergeboorte. Toch is dat verzet in wetenschappelijk opzicht niet verantwoord, omdat men onmogelijk kan bewijzen dat er geen vorige levens bestaan. Maar als gevolg van die overtuiging wordt er geen onderzoek gedaan naar de waarde van de reïncarnatieregressie, waarmee ik doel op de herbeleving van vorige levens.

Daarbij spreekt men gewoonlijk van vorige levensfantasieën, in de ijdele hoop dat dit fenomeen vanzelf en geruisloos overwaait. Als mijn visie juist is dat de aard van het onderbewustzijn alleen doorgrond kan worden in de cyclische samenhang van leven en dood, heeft dat grote consequenties. Want dat zou betekenen dat de psychologie op grond van haar huidige uitgangspunten niet in staat is om het wezen van de psyche en haar ontwikkeling te doorgronden. Maar omdat ik mijn visie evenmin kan bewijzen, wel aannemelijk kan maken, is het zeer waarschijnlijk dat er in deze afweerhouding voorlopig geen enkele verandering komt.

de parapsychologie en het verborgene

Voor het onderzoek naar het "bovennatuurlijke" gaan we naar Engeland waar een groep mensen in 1882 de ‘Society for Psychical Research’ heeft opgericht. Aanvankelijk deed deze Society onderzoek naar de paranormale vermogens van de theosofe Blavatsky, maar raakte verstrikt in een persoonlijke hetze tegen haar persoon, waarbij zij werd beschuldigd van vervalsing van psychische verschijnselen. Dat was niet terecht en meer dan een eeuw later verklaarde Harrison, een bestuurslid van de SPR, dat dit rapport onwetenschappelijk was. Daarmee zijn veel mensen de mening toegedaan dat de SPR de kans verspeelde om de belangrijkste occultist te onderzoeken die ooit voor de SPR is verschenen. Na die ongelukkige start ging de pas opgerichte Society voort met het onderzoek naar de grensgebieden van de psychologie, op grond waarvan men ging spreken van para-psychologie, de psychologie naast de gewone psychologie. Veertig jaar later werden Heymans, Diets en Tenhaeff op dit gebied de belangrijkste figuren in Nederland, terwijl dat soort onderzoek in de rest van Europa en de V.S. pas enige tijd daarna op gang kwam. De parapsycholoog onderscheidt nu twee soorten verschijnselen, de paragnostische en parergische. Tot de paragnostische verschijnselen rekent men bijvoorbeeld telepathie, helderziendheid en de uittreding, terwijl het buigen van lepeltjes (Uri Geller), het zweven in de lucht en de materialisatie van objecten een parergisch karakter hebben. In algemene zin bestudeert de parapsychologie dus fenomenen die niet thuishoren in de psychologie, omdat ze niet "normaal" te verklaren zijn.

Die verschijnselen worden volgens de theorieën van sommige parapsychologen voortgebracht door een onzichtbaar fijnstoffelijk lichaam. Binnen de aannames van de natuurwetenschappen en de psychologie is er voor een dergelijk astraallichaam geen plaats, waardoor de uitkomsten van het parapsychologisch onderzoek vaak al bij voorbaat als onwetenschappelijk worden beoordeeld. Sommige sceptici slaan daarin zo heftig door, dat ze onophoudelijk proberen de parapsychologie in een kwaad daglicht te zetten door de uitkomsten van dat onderzoek vertekend weer te geven. Alleen onbewuste angst voor het bovennatuurlijke kan daaraan ten grondslag liggen. Andere wetenschappers die minder bevooroordeeld zijn, verlangen van de parapsychologen (soms oneindig veel) meer bewijzen dan van andere wetenschappers. En daarmee zit de parapsychologie in een lastig pakket. De parapsycholoog die door die druk probeert zo wetenschappelijk mogelijk te werk gaan, komt nooit verder dan een beschrijving en classificatie van onbegrijpelijke verschijnselen. Daar blijft het dan ook bij, want veel nieuws komt er niet uit die kringen. En als er wat komt, is het allang bekend. Aldus is zelfs de parapsycholoog niet in staat om de vicieuze cirkel van het materialisme te doorbreken. Misschien de wijsbegeerte wel?

moderne wijsbegeerte en mensbeschouwing

de mens in het centrum van het heelal

We hebben besproken dat de westerse wijsbegeerte tot ontwikkeling kwam, nadat Descartes "God" in alle eerbied opzij zette en daarbij de denkende mens naar voren schoof. Daardoor leerde de westerse mens zich te bevrijden van de dogmatiek van de kerk, waarna de waarneming een centrale plaats kreeg toebediend. Die start was veelbelovend. Maar nadat Galileo Galilei de aarde uit het centrum van het heelal had gehaald, lijkt het erop dat wij ons menselijke bewustzijn op die centrale plaats hebben neergezet. Want als we iemand vragen wat het universum is, krijgen we altijd een antwoord dat gebaseerd is op onze waarneming. En zelden voegt iemand daaraan toe dat het universum misschien wel veel meer is dan dat. Dat komt omdat men er zonder meer vanuit gaat dat de mens het hoogstontwikkelde wezen is in dit universum. Zodoende wordt nooit de vraag gesteld of er mogelijkerwijs wezens bestaan die ons gadeslaan zoals wij naar een blaffende hond of groeiende plant kijken. Die vraag zou in de oudheid als heel normaal worden beoordeeld, want toen werden die wezens goden genoemd.

Om te weten hoe de wijsbegeerte dit probleem beoordeelt, onderzoeken we hierna de vraag of de moderne wijsgeer dat mens-centrische stadium inmiddels achter zich heeft gelaten. Voor mij is dat namelijk de enige mogelijkheid dat we in de nabije toekomst een doorbraak kunnen verwachten die betrekking heeft op de huidige mens- en wereldbeschouwing. Daarbij stel ik dus de vraag of de wijsbegeerte de begeerte naar wijsheidskennis tot uitdrukking brengt zoals haar naam dat aangeeft. Gaat het werkelijk om wijsheid, of alleen om academische kennis die met wijsheid verward wordt?

metafysica

Om dat te onderzoeken, gaan we naar de spil van de filosofie die in haar naamgeving aangeeft, dat het metafysische onderzoek de natuur overstijgt. In tegenstelling tot de wetenschap die zich baseert op de zintuiglijke waarneming, richt de metafysica zich op het bovenzinnelijke dat zich onttrekt aan de waarneming. Dat betekent dat de metafysica zich op een terrein beweegt waar de tot ontwikkeling gebrachte modellen, theorieën en hypothesen niet experimenteel getoetst kunnen worden. Dat uitgangspunt lijkt veelbelovend, ook al omdat Aristoteles destijds had gesteld dat de eerste filosofie, de huidige metafysica, de eerste oorzaken van de dingen onderzoekt. In dat verband lezen we dat het overstijgende overal wordt gezocht, zowel in de transcendentale werkelijkheid van de ideeën, als in de ervaringswereld van de mens. Daarmee mogen we dus aannemen dat de metafysica gedegen onderzoek doet naar die transcendente werkelijkheid.

Helaas blijkt al gauw dat het bovenzinnelijke onderzoek zich beperkt tot het Zijn, het zijnde, het goede, het schone, het ware en aanverwante vraagstukken. Als buitenstaander kan ik onmogelijk beoordelen hoe interessant die bespiegelingen zijn, maar een dergelijk onderzoek leidt zeer zeker niet tot de doorbraak naar een nieuw mens- en wereldbeeld. Het bovenzinnelijke onderzoek van de metafysica houdt zich bijvoorbeeld niet bezig met de vraag wat de aard is van het goddelijke, want die vraag laat men over aan de godsdienst. Evenmin houdt de metafysica zich bezig met het mogelijke bestaan van een bovenzinnelijk astraal lichaam. Ook onderzoekt de metafysicus niet of die universele structuur van de oudheid bestaat en in alle delen van het universum wordt teruggevonden. Het is teleurstellend. Zelfs de bestudering van de metafysica die zich richt op het niet waarneembare ‘zijn’ van de dingen, levert ons niets op.

het agnosticisme

Nog erger wordt het als we lezen dat Thomas Huxley met het begrip agnosticisme (niet-kennen) in de 19e eeuw te kennen gaf, dat hij zich niet wenste uit te spreken over de aard van de werkelijkheid die de menselijke ervaring te boven gaat. In zijn visie is het niet mogelijk om de waarheid te kennen omtrent de zaken waar het christendom en andere religies zich mee bezig houden. Discussies over God en het hiernamaals horen zodoende niet thuis in het agnosticisme, van welke richting de bekende filosoof Bertrand Russell in de 20e eeuw een overtuigd voorstander was. In een artikel schreef hij het volgende. "Atheïsten en christenen huldigen het standpunt dat we kunnen weten of er wel of geen God is. De christen is van mening dat we kunnen weten dat er een God is; de atheïst, dat we kunnen weten dat die er niet is. De agnost stelt zijn oordeel uit, zeggende dat er niet voldoende bewijs is, noch voor bevestiging, noch voor ontkenning. Tegelijkertijd kan een agnost zeggen dat het bestaan van God, ook al is het niet onmogelijk, heel erg onwaarschijnlijk is; hij kan zelfs zeggen dat het zo onwaarschijnlijk is dat het niet eens de moeite waard is om de mogelijkheid te overwegen. In dat geval is hij niet ver verwijderd van het atheïsme." Het zal wel duidelijk zijn, dat we ook van deze ervaringsgerichte wijsbegeerte niets mogen verwachten met betrekking tot de vernieuwing van het menselijke denken.

de formele logica

Aan het begin van de 20e eeuw nam de filosofie een wending door toedoen van de formele logica waarvan Frege, Russell en Wittgenstein de belangrijkste vertegenwoordigers waren. Zij gaven een impuls tot het ontstaan van het logisch positivisme, welke beweging de klassieke metafysica bekritiseert door middel van een analyse van de logische structuur van de taal. En hoe belangrijk dat ook mag zijn, met die taalstructurele analysen is voor mij alle hoop vervlogen. Want daarmee moet ik concluderen dat de moderne wijsbegeerte een veredelde mensbeschouwing is, die opereert in het verlengde van de psychologie. Die wijsbegeerte heeft niets gemeen met de aloude opvatting dat de wijsbegeerte de koningin is der wetenschappen, welke titel nu aan de wiskunde is toegewezen. In de oudheid was dat echter de wiskunde in dienst van de wijsbegeerte.

de ware wijsbegeerte kan niet zonder gestalttheorie

Hiervoor heb ik geschetst dat de wijsbegeerte zich niet bezighoudt met de levensbeschouwelijke vraagstukken van de godsdienst. Dat vinden zes miljard mensen zo vanzelfsprekend, dat de voorgaande schets niet eens nodig was om dat aan te tonen. Maar hebben die zes miljard mensen er wel over nagedacht of het universum hetzelfde is als de optelsom van alle stelsels, of dat het heelal een gestaltmatige eenheid is zoals een atoom, een molecule, een auto, een lichaam of een hemellichaam? Want in dat geval is het universum als geheel meer dan alle stelsels die wij kunnen zien en dus meer dan alle materie. Ook die vraag hoef ik niet te stellen, want de wijsgeren van deze tijd denken daar niet over na, waarmee zij dezelfde fundamentele fout maken als de christen en de atheïst. De vraag of God bestaat kan namelijk nooit worden opgelost als we ons afvragen wat God is, of in tegenstelling daarmee zeggen dat God niet bestaat. Om die vraag zinvol te kunnen beantwoorden moeten we ons eerst afvragen wat God niet is. En dan komen we onvermijdelijk tot de conclusie dat God voor ons bewustzijn NIETS kan zijn, omdat God ALLES is. Uit het feit dat niemand de vraag stelt wat God niet is, leid ik af dat de moderne wijsgeer nog geen afstand heeft genomen tot het mens-centrische denken. Als gevolg daarvan realiseert men zich niet dat we alleen verder kunnen komen, als we proberen boven onszelf uit te denken. Pas dan komt er ruimte voor de gedachte dat de mens niet de maat is der dingen, maar dat wij één van de vele schakels zijn in de opbouw van dit universum. Dan komen we vanzelf tot het inzicht dat de gestalttheorie een universeel karakter heeft, waardoor dit heelal in al zijn aspecten een gestalt is die meer is dan de samenstelling van alles wat er bestaat. En wat moet dat meerdere:

  • dat ondeelbaar is
  • dat niet in het heelal wordt gevonden en dus geen vorm heeft
  • dat de bron is van alles
  • dat niet begrepen kan worden en boven alles uitgaat

anders zijn dan GOD? Ik zou het niet weten.

godsdienst en wijsbegeerte

Met deze analyse benadruk ik dat de wijsgerige scheiding tussen God en de wereld kenmerkend is voor het vèr-standelijke materialisme van de huidige tijdgeest. De scheiding tussen de wijsbegeerte en de religie is helemaal niet vanzelfsprekend, terwijl het volstrekt onlogisch is dat de logica van de wijsbegeerte en de dogma’s van de theologie door één en dezelfde persoon mogen worden uitgedragen. Daarmee bedoel ik dat een gelovig christen probleemloos als professor in de wijsbegeerte kan fungeren, zolang hij het ene maar van het andere weet te scheiden. In die functie mag hij onbekommerd geloven in het bestaan van een pratende en denkende God, van een verleidende duivel, van de schepping in zes dagen, in het eeuwige hiernamaals, in de drie wijze astrologen die achter een ster aan holden om het pas geboren kindeke Jezus in Bethlehem eer te brengen in een voederbak waarbij de ezel toe keek. Ook mag hij geloven in de dode Lazarus die al vier dagen lag te rotten, voordat hij door Jezus weer tot leven werd gebracht. Niemand hoeft zich voor zijn geloof te verantwoorden, hoe irrealistisch die dogma’s ook mogen zijn in de ogen van andere mensen. Maar als iemand met een dergelijk realiteitsbesef doctor kan worden in de filosofie en dan logica doceert, zegt dat heel veel van de huidige wijsbegeerte.

Eind zestiger jaren had ik al moeite met die vermenging, toen mijn tentamen filosofie als onderdeel van een studie pedagogiek M.O. werd afgenomen door een Dominicaanse professor in de wijsbegeerte. Zonder dat hij op de hoogte was van mijn interesse in Plato, werd ik over diens leer getentamineerd. In die tijd dacht ik nog onbevangen dat wijsgeren hun studenten stimuleren om zelfstandig na te leren denken, waardoor ik de euvele moed had om een persoonlijke opvatting te ventileren. De man hapte gretig en vroeg over Plato door, waarna hij al gauw heel diep in zijn stoel wegzakte en de moed scheen op te geven. Nog net op tijd begreep ik die aanwijzing en bracht met verve naar buiten wat ik nog steeds niet begrijp. Maar dat had ik wel zo goed uit mijn hoofd geleerd, dat de hooggeleerde professor ontwaakte en mij uiteindelijk nog beloonde met een magere zes. Het eerste gedeelte waarover ik werkelijk had nadacht was een "goede" 2 waard voor de moeite, terwijl ik met het tweede gedeelte dat ik nog steeds niet begrijp een dikke 9 verdiende. Het kan verkeren.

En waarom ging het toen? Het probleem was mijn opvatting dat de ideeën van Plato met een essentieel hoger bewustzijn te maken hebben dan de begrippen van het denkend bewustzijn. Met het verhaal van de grot gaf Plato aan, dat wij en dus ook die professor in het duister leven, zolang wij de wereld kennen en onderzoeken zonder daarbij gevoed te worden door het verlichtende bewustzijn van de ideeën. En dat stuitte hem tegen de borst, want in zijn godsdienstige visie bestond er niets hogers dan de biddende verbinding met God. Daarom had Plato dat niet zo bedoeld en had ik de lessen beter moeten lezen. Als ik niet op tijd bakzeil had gehaald, was ik niet door een professor in de wijsbegeerte afgewezen maar door een theoloog, terwijl ik nooit de bedoeling heb gehad om theologie te studeren.

In dat verband zie ik maar al te duidelijk dat de student die braaf zijn lesjes leert en altijd de goede antwoorden opzegt, na enkele jaren gegradueerd kan worden tot filosoof. Aldus kan iedereen die beschikt over een normaal geheugen vanzelf wijs worden en dan nauwelijks leesbare boeken produceren waarvan de essentie in een notendop gezet kan worden. Wijsheid wordt in deze tijd te vaak afgemeten aan reeksen onbevattelijke begrippen en zinsconstructies die er niet zijn voor de lezer, maar ter meerdere eer en glorie van de geleerde schrijver. Wie herkent de wijsheid nog in geniale teksten die zo eenvoudig zijn dat iedereen ze kan begrijpen, terwijl slechts een enkeling de diepgang ervan kan bevatten? Maar waar maak ik me in godsnaam druk om, met al die levens die ik nog heb te gaan.

leren zonder vorming

Als we het volledige veld van de wetenschap proberen te overzien, vraag ik me af wat er is overgebleven van het vormingsideaal van de middeleeuwse en na-middeleeuwse universiteiten, nu het bezit van diploma’s en titels allesbepalend is geworden? De jacht naar resultaat en de daaraan gekoppelde kostenfactor hebben de student gedegradeerd van lerend subject tot presterend object. Daarbij gaat het al lang niet meer om zijn ontwikkeling, maar uitsluitend om de getoetste kennis. Zo weet ik van artsen die in de jaren ’60 van de vorige eeuw hun bul hebben gehaald, door tijdens de tentamens en examens vrijwel alleen multiplechoicevragen te beantwoorden en de kruisjes op de juiste plaats te zetten. En hoewel dat inmiddels grondig is veranderd, blijkt steeds weer dat de academische wereld met al zijn persoonlijke belangen en individuele posities in dit vernieuwingsproces het minst plooibaar is.

afronding

Dit hoofdstuk begon bij de Griekse wijsgeren die in het oude Egypte waren ingewijd in de universele leer, die volgens verschillende overleveringen toen al vele honderdduizenden jaren oud was. En dan hebben we het nog niet eens over de goden, de halfgoden en de koningen uit beschavingen die bestonden vóór de grote zondvloed die in allerlei overleveringen wordt vermeld. De restanten van die universele leer waren niet verloren gegaan in Egypte, waarna de Grieken die kennis overnamen. Enerzijds werden aspecten van die kennis geopenbaard door filosofen die in Egypte waren ingewijd, anderzijds werden daarmee de Griekse mysteriën nieuw leven ingeblazen. De Griekse mysteriën verloren na verloop van tijd echter hun diepzinnigheid en gleden in de Romeinse tijd af naar een inhoudsloos niveau.

Plato legde in die overgangstijd eenzijdig de nadruk op het hogere bewustzijn dat iedereen als potentie in zich heeft. Aristoteles kende de effecten daarvan niet, waardoor hij zijn eigen weg ging en een eerste aanzet gaf tot de ontwikkeling van de wetenschap. Die aanzet zette echter niet door, omdat de mensheid daarvoor nog niet rijp was. Te groot was de invloed van de oude wijsbegeerte en de daarmee samenhangende gerichtheid op het goddelijk onbegrijpelijke. Daarmee lijkt het erop dat het christendom de functie kreeg om de oeroude eerbied voor de wijsheid van de oude goden af te breken, door de bijbelse leer boven alle heidense godsdiensten te verheffen. En zo werden de laatste verbanden verbroken tussen de leiders van het volk en de universele leer. De mensheid was er voor het eerst aan toe om zich zonder ingewijde priesters op eigen kracht te gaan ontwikkelen, wat wil zeggen onder de geestelijke leiding van de kerk. De eerbied voor het goddelijke bleef bestaan, maar werd aangevuld met de angst voor de duivel die de mensen aan de kerkelijke leer bond. Als verschijnsel was dat natuurlijk niet positief. Maar in die onvrijheid lag wel de situatie besloten dat de mensheid zich na de middeleeuwen kon bevrijden van zijn angst voor de hel, Gods bestraffingen en in algemene zin het hogere. Daarmee werd een weg ingeslagen waarvan het belang niet hoog genoeg kan worden ingeschat. Want nooit eerder hadden de weten-schappen in lang vervlogen beschavingen gebloeid zonder verbinding met de universele wijsbegeerte. Voor het eerst in de evolutie werd de wereld onderzocht zonder het gezag en de kennis van bovenaf. Daarom moest die nieuwe wetenschap bij nul beginnen, welk proces door Descartes werd ingezet. Die nulpositie leidde er uiteindelijk toe dat de mens zichzelf centraal ging stellen en daarmee de centrale plaats van God overnam. Vervolgens werd de menselijke waarneming verabsoluteerd tot het materialistische standpunt dat wij God niet nodig hebben, omdat de wereld is wat wij ervan zien.

In de 20e eeuw werd de kentering zichtbaar, die de mens op de lange duur en op eigen kracht terug doet gaan naar de bron. Als dit boek in dat kader een serieuze poging wil zijn om de UG als een vertegenwoordiger van de universele leer aller tijden te introduceren, moet ik primair het basisuitgangspunt aannemelijk kunnen maken dat er geen dode stof bestaat. Dat is vrij gemakkelijk gezegd, want dat betekent dat alles bezield moet zijn, niets uitgezonderd. Dus ook de bakstenen van uw huis, de kleren die u draagt, de schoenzolen waarop u loopt en zelfs het lichaam van gestorven mensen. In die opvatting zijn zelfs de celzouten bewust die na de vertering van het lichaam overblijven, terwijl dat ook geldt voor de bliksemstraal in een donderbui. Daarbij drukt het bewustzijn zich altijd uit in een zekere mate van gedrag. Dat onlosmakelijke verband te laten zien is het doel van de beide volgende hoofdstukken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Solon

De kosmogonie is de leer van het ontstaan van het heelal. De kosmologie is de leer die het heelal opvat als een geordend geheel. In dit boek gaan we ervan uit dat er in de universele geheime leer van de oudheid geen verschil was tussen de godenleer en de structuur van het heelal ofwel de kosmogonie en kosmologie van die tijd.

Thales

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
Antraxerxes III

 

 

 

 

Darling.
De zwaartekracht.
Veen  magazines, 2006.
 
 
 
 
Anaximander
 
Anaximenes
 
 
Heraclitus
 

 

 

 

 

 
 
 
 
Erathosthenes
 

 

 

 

 

 

 

Plato

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Speusippus

 

Aristoteles

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De oude wijsbegeerte functioneerde primair deductief, terwijl de wetenschap primair inductief te werk gaat. De eerste weg is destijds dood-gelopen, terwijl de tweede weg nu in het materialisme lijkt te smoren. Dat betekent naar mijn mening dat er een nieuw soort evenwicht in het verschiet ligt.