DE BIJBEL
gelezen in een esoterisch perspectief
inleiding
 
In algemene zin zijn er twee redenen om de bijbel te lezen, terwijl er één reden is om de bijbel niet te lezen. Daarnaast zijn er twee redenen om dit manuscript over de bijbel niet te lezen, terwijl er slechts één reden kan zijn om dat wel te doen. De lezer zij dus gewaarschuwd.
 
-           Voor de joden en de christenen is de bijbel de Heilige Schrift. Zij lezen het Oude Testament (joden) of de hele bijbel (christenen) als het woord van God, dat maar op één (= hun) manier kan worden begrepen. Voor die groep bijbellezers heeft dit manuscript geen waarde, terwijl de kans vrij groot is dat het zelfs als vijandig wordt beoordeeld.
 
-           In tegenstelling daarmee hangen veel mensen een andere godsdienst aan, terwijl anderen om niet-geloofsmatige redenen menen dat de bijbel weinig tot geen waarde heeft. Zij geloven niet in God, of achten het onzinnig om aan te nemen dat God alleen de God is van de joden of de christenen. De juistheid van die opvatting blijkt wel uit het feit dat de verheffing van de christelijke leer boven alle andere godsdiensten heeft geleid tot ruzie, moord, oorlog en zelfs martelpraktijken, wat niet echt verheffend was. Verder staat er zoveel onzin in dat boek, dat een logisch denkend mens zich daar niet mee bezig kan houden. De kans is dan aanwezig dat men weerzin heeft tegen het godsbeeld van de christenen of het goddelijke als zodanig, waardoor men niet in de bijbel en ook niet in dit manuscript geïnteresseerd zal zijn.
 
-           Blijft over de vrij kleine groep van mensen die geen belemmerende binding heeft met de christelijke godsdienst, en zich evenmin laat bepalen door het godsdienstig nihilisme dat we zo vaak in de wetenschap aantreffen. Voor die vrij kleine groep is dit manuscript bedoeld, indien men daarbij kennis wil nemen van de esoterische opvatting dat de bijbel veel ouder is dan wordt aangenomen en daarbij gedeeltelijk in geheimtaal is opgetekend.
 
In dat verband is dit manuscript gebaseerd op de theosofische opvatting dat er in de verre oudheid een geheime leer heeft bestaan die gekenmerkt was door een ongekende diepgang, welke leer over de hele aarde dezelfde was. Die universele leer die nooit op papier is gezet, werd alleen gekend door de ingewijden. Enkele honderdduizenden jaren geleden is daaruit in het Midden-Oosten de kabbala tot ontwikkeling gekomen. En pas 2500 jaar geleden zijn daaruit de vijf eerste bijbelboeken ontstaan. De rest van de bijbel is daaraan in de loop der tijden toegevoegd, in welk perspectief de bijbel interessanter wordt naarmate we er beter in slagen om de verborgen betekenis achter de verhalen te reconstrueren. Hoewel dat slechts in zeer beperkte mate mogelijk is, is dat het hoofddoel van dit manuscript dat volledig gebaseerd is op de Universele Gestalttheorie.
 
De bijbel [biblia (Gr.) is boeken] bestaat uit het Oude en Nieuwe Testament, hierna afgekort als O.T. en N.T. Het O.T. is door de joden opgetekend, waarna de christenen dat boek van de joden hebben overgenomen. De inhoud van het N.T. hebben zij in de loop der eeuwen zelf samengesteld en aan het O.T. toegevoegd tot de complete bijbel.
 
het oude testament
1          De eerste vijf bijbelboeken worden in de bijbelwetenschap pentateuch genoemd, welk woord vijfdelig betekent. Voor de joden zijn dat de wetboeken (thora) van Mozes, die we onderverdelen in Genesis (de schepping t/m het ontstaan van het joodse volk), Exodus (uittocht uit Egypte), Leviticus (de priesters en de wetten), Numeri (vervolg van de uittocht uit Egypte) en Deuteronomium (tweede wet).
2          Het tweede gedeelte van het O.T. bestaat uit de vroege profeten: Jozua, Richteren, Samuël en Koningen en de latere profeten: Jesaja, Jeremia, Ezechiël plus twaalf anderen.
3          Het derde gedeelte bestaat uit de Geschriften: Ruth, Psalmen, Job, Spreuken, Prediker, Hooglied, Klaagliederen, Daniël, Ester, Ezra-Nehemia en de Kronieken.
 
De joden hebben het O.T. de naam Tenach gegeven, naar de letters t van thora (wet), n van nebiim (profeten) en de ch van chetoebim (geschriften).
 
het nieuwe testament
De kern van het N.T. die gebaseerd is op het leven van Jezus, bestaat uit de vier evangeliën van Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes. De drie eerste evangeliën worden synoptisch (overzicht) genoemd, omdat ze grote overeenkomsten hebben. Het vierde evangelie van Johannes valt daar buiten, omdat de inhoud daarvan teveel afwijkt. In de begintijd toen de omvang van de christelijke bijbel werd vastgesteld, moesten er volgens bisschop Irenaeus van Lyon vier evangeliën zijn. Waarom dat zo was, lezen we in het niet in de bijbel opgenomen evangelie van Filippus dat in Nag Hammadi is gevonden:
 
“De landbouw in de wereld behoeft vier krachten, want de oogst wordt in de schuur gehaald dankzij water, aarde, wind (lucht) en licht (vuur). 
Zo kent ook Gods landbouw vier krachten geloof, hoop, liefde en kennis.”
 
(oorspronkelijk waren dat de elementen vuur, lucht, water en aarde die we uit de astrologie kennen en die we ook in het bijbelse scheppingsverhaal terugvinden; zie bladzijde 20).
 
De resterende geschriften komen voor het grootste gedeelte van Paulus, de stichter van het christendom, terwijl er daarnaast nog enkele geschriften zijn die in dezelfde tijd zijn geschreven. De Openbaring van Johannes besluit het N.T.
 
De inhoud van het N.T. werd tijdens verschillende concilies samengesteld, waarbij werd besloten welke evangeliën zuiver zijn en welke niet. Een groot aantal niet in de bijbel opgenomen evangeliën noemt men nu apocrief of deutero-canoniek. Daarnaast zijn er de Dode Zee-rollen en de geschriften die in Nag Hammadi zijn gevonden. Enerzijds zijn die bedreigend voor de kerk, omdat ze sterk afwijken van de huidige opvattingen. Anderzijds laten ze zien hoe de bijbel steeds meer werd aangepast bij de opvattingen van de kerkleiders. Tijdens en na die concilies waren bedreigingen, excommunicatie, vogelvrijverklaring en moord aan de orde van de dag. Het is daarom niet erg realistisch om met de christenen te geloven dat God de mens heeft geïnspireerd bij de vaststelling van de juiste leer. Wie daarbij geen oordeel wil vellen, kan zich wel afvragen waarom die door God geïnspireerde leer in zoveel elkaar bestrijdende kerken uiteen is gevallen.
 
 
het uitverkoren volk
Veel mensen geloven op de een of andere manier in het goddelijke, maar wijzen de gedachte af dat de schepper van dit hele universum meer verbonden is met de joden dan met de andere volkeren. Toch is dat de visie van de joden, terwijl de christenen in het kielzog daarvan geloven dat hun God de enig juiste God is. Mohammed heeft die opvatting in de 7e eeuw overgenomen, waardoor er nu drie volkeren zijn die de enig juiste God aanbidden. Opvallend daarbij is dat God de schepper in de bijbel Elohim of Eloah heet, wat verdacht veel lijkt op Allah. Daarbij merk ik ook nog op dat de bijbel spreekt van God (Elohim of Eloah) en de Here God (Jahweh-Jehovah), waaruit blijkt dat er oorspronkelijk meerdere godheden waren.
 
De opvatting dat de joden, christenen en mohammedanen de enig juiste God aanbidden gaat in de kern terug naar een tekst in Genesis. Daarin lezen we dat de Here God (niet de Elohim, maar Jahweh) een verbond sloot met de aartsvader Abraham, waarbij Hij beloofde de enige God te zijn van de nakomelingen van zijn zoon Isaäk, die de vader was van Jacob-Israël.
 
De formulering “Sjema Israël” waarin de joden hun verbond met God tot uitdrukking brengen, vinden we in Deut.6:4-9, welke tekst begint met: “Hoor Israël, de Here is onze God, de Here is één”. Deze bijzondere band met God werd opgetekend nadat het volk van Jacob [= Israël] uit Egypte was weggegaan en onder leiding van Mozes de woestijn introk. Maar lang vóór die tijd had God zoals gezegd al een verbond gesloten met Abraham, waarbij Hij het volgende had gezegd: “Ik zal een verbond oprichten tussen Mij en u en uw nageslacht in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot een God te zijn” (Gen.17:7). Dat klonk veelbelovend. Maar tijdens diezelfde tocht door de woestijn zei God ook tegen Mozes: “Zeg tot de Israëlieten: “Gij zijt een hardnekkig volk. Indien ik ook maar een ogenblik in het midden van u zou optrekken, zou ik u vernietigen” (Exod. 33:5).
 
Dit is tegenstrijdig. Enerzijds had de Here God zich tijdens de tocht door de woestijn met zijn volk verbonden, terwijl Hij in dezelfde tijd weigerde met dat volk op te trekken. Daar staat tegenover dat God met Mozes sprak als een vriend (Gen.32:11), waardoor Mozes erin slaagde om God zodanig om te praten, dat hij met enige tegenzin toch bij zijn volk bleef. Die ontwikkeling zou in de 13e eeuw v.Chr. hebben plaatsgevonden, terwijl er geen aanwijzingen zijn dat die tocht er werkelijk is geweest. Het is daarom opmerkelijk dat die overlevering volgens de theosofie is ontleend aan een Semitisch volk dat veel ouder was en in Atlantis had geleefd. Volgens die leer waren er zeven Atlantische rassen die grofweg in Amerika leefden in een tijd dat de wereld er heel anders uitzag dan tegenwoordig. Een tak van het 5e ofwel Semitisch-Atlanti­sche ras was voorbestemd om als voorouderlijke stam naar Azië te trekken en daar uit te groeien tot de Aziatische bevolking.
 
De wetenschap leert dat de Aziaten enkele tienduizenden jaren geleden Amerika zijn ingetrokken en bevolkten, terwijl de theosofie zegt dat de Atlantiërs al veel eerder Azië hadden bevolkt. Aanvankelijk was daarvoor dat Semitische ras uitgekozen, welke ontwikkeling in Ex.16:4 wordt beschreven. Het volk dat in symbolisch opzicht door de woestijn trok, leidde honger en morde, waarna God het volk manna gaf, een voedend soort brood dat als regen uit de hemel viel. Daarbij zei hij gelijktijdig: “opdat ik het volk op de proef stelle, of het al dan niet wandelt naar mijn wet.” Het verband tussen de wetten van Mozes en dat hemelse brood kan alleen worden begrepen, als we weten dat het woord manna is afgeleid van het Sanskriet woord ‘manas’ dat verwijst naar het hogere bewustzijn. Ook het woord ‘mens’ is daarvan afgeleid. Daarom testte God in die formulering zijn volk of het wel naar zijn wetten leefde.
 
Volgens de theosofische leer gaat hierin een onbekende boodschap verborgen. De meest oorspronkelijke uitverkiezing van dat Semitische volk als voorouder van de Arische beschaving in Azië was een mislukking, omdat die tak van de Atlantische beschaving te weinig plooibaar was. En dat vinden we terug in de tekst: “Gij zijt een hardnekkig volk. Indien ik ook maar een ogenblik in het midden van u zou optrekken, zou ik u vernietigen”. De nazi’s die deze theosofische leringen grondig kenden, misbruikten deze wetenschap om de joden te verachten als het mislukte uitverkoren volk, dat in tweede instantie de Heiland niet had erkend als de Messias en zelfs had gekruisigd. Indirect was dat dus een christelijke veroordeling. Hun kennis van de theosofie leidde zelfs tot de invoering van het hakenkruis dat in de oudheid het meest heilige symbool was, waarvan men de betekenis niet meer begreep en ook nu nog niet begrijpt.
 
deel 1
 
tenach, het oude testament
 
 
bijbelse geschiedenis
 
het begin
Genesis begint met de schepping van de wereld en alle levende wezens, waarna Adam en Eva uit het paradijs werden verbannen, omdat ze van de verboden vrucht van de boom in het midden van de Hof van Eden hadden gegeten. Dat was verboden omdat ze daarmee gelijk werden aan God, in die zin dat ze kennis kregen van goed en kwaad. Als gevolg daarvan moesten ze in de stoffelijke werkelijkheid leven en ploeteren, waarna ze drie kinderen kregen. Eerst waren dat Kaïn en Abel, pas veel later kwam hun broer Seth erbij. Kaïn doodde vóór die tijd zijn broer Abel, waarna hij vluchtte naar het land Nod ten oosten van Eden. In Irak is Eden het land tussen de Eufraat en de Tigris, terwijl Nod in Perzië ofwel Iran lag, alwaar Kaïn gemeenschap had met zijn vrouw. Waar de Perzische inwoners van Nod ineens vandaan kwamen, zal wel altijd een raadsel blijven, want Kaïn was de eerste levende mens na Adam en Eva. Daar komt nog bij dat die Perzen goddelijke reuzen waren (Gen:6). Kaïn stichtte met zijn kinderen een stad waar alle beroepen tot ontwikkeling kwamen. Adam werd 930 jaar oud, Seth “slechts” 912.
 
 
Noach was een nakomeling van Seth, de derde zoon van Adam en Eva. In die tijd waren de mensen al zo slecht geworden, dat God alle mensen en dieren wilde uitroeien, behalve Noach met zijn familie­leden en van elke diersoort een paartje. Alles ging in de ark, waarna de zondvloed uitbrak en alleen de inwoners van de ark gespaard werden. Daarmee werden de drie zonen van Noach, ofwel Sem, Cham en Jafeth met hun vrouwen de voorouders van het nieuwe menselijke ras, terwijl Sem de stamvader werd van de Semieten. Werden de mensen vóór de zondvloed iets meer dan 900 jaar, daarna verminderde dat tot ruim vierhonderd jaar, terwijl de aartsvaders nog maar 100 jaar oud werden.
 
 
de aartsvaders abraham, isaäk en jacob
Een nakomeling van Sem was Abram uit de stad Ur der Chaldeeën, het Irakese land in de buurt van Bagdad waar het paradijs had gelegen. Dit gebied werd ook wel Mesopotamië (tussen twee rivieren) genoemd, omdat het ligt tussen de Eufraat en de Tigris. Deze beide rivieren stroomden al om de Hof, toen Adam en Eva daar nog verbleven. In opdracht van de Here God trok Abram weg uit zijn geboortestad, ging eerst naar Egypte en verhuisde daarna in noordoostelijke richting naar het stadje Hebron. Door het verbond met God veranderde de naam Abram in Abraham. Van de slavin Hagar kreeg hij de zoon Ismaël, terwijl hij veel later van zijn vrouw Sara de zoon Isaäk kreeg. Deze verwekte de zonen Esau en Jacob, waarna Jacob zijn vader Isaäk bedroog om het eerste geboorterecht van Esau over te nemen. Later zag Jacob hoe de engelen van een ladder afdaalden naar de aarde, terwijl anderen omhoog klommen, waarna hij met God worstelde en de naam Israël kreeg.
 

                                                     

 
Men stelt nu dat de Israëliërs van Jacob-Israël afstammen, terwijl de Arabieren van zijn oom Ismaël afstammen die door Abraham werd verjaagd en toen in de woestijn van Egypte ging wonen (Gen.17-21). Het goddelijke verbond met Abraham werd alleen via Isaäk voortgezet en niet via Ismaël, waardoor de Arabieren van dat verbond werden uitgesloten.
 
Israëls zoon Jozef werd onderkoning van Egypte, waarna ook zijn broers daarheen gingen en twaalf in getal de voorouders werden van de stammen van Israël. Omdat een latere farao dat volk knechtte, trokken alle nakomelingen onder leiding van Mozes weg uit Egypte en gingen door de ze die zich opende, waarna ze een lange reis maakten door de woestijn, Exodus ofwel uittocht geheten. Men neemt aan dat die volksverhuizing plaatsvond in de 13e eeuw v.Chr., omdat de bouw van de stad Ramses door farao Ramses wordt genoemd. De Egyptische annalen spreken daarover echter niet, wat verwonderlijk is, omdat het Israëlische volk door zijn grote aantallen bedreigend was geworden voor het veel kleinere volk der Egyptenaren. Toen de 12 stammen het land van melk en honing ofwel Kanaän naderen, stierf Mozes en eindigde de thora.
 
 
 
In de boeken daarna lezen we dat de twaalf stammen onder leiding van Jozua het beloofde land Kanaän binnentrokken en daar de stad Jericho veroverden. Volgens opdracht van een boodschapper van God moesten ze zes dagen lang om de stad lopen. Op de laatste dag zelfs zeven maal, waarna ze op de ramshoorn moesten blazen en juichen. Daardoor stortten de muren in en mochten ze de stad plunderen en de bevolking uitmoorden. Dat was het begin van een lange tijd, waarin de Israëlieten generaties lang tegen de zeevarende Filistijnen en andere omwonende volkeren vochten. De Filistijnen sloten toen een verbond van vijf stadstaten, namelijk Gaza, Ashdod, Ashkelon, Gath en Ekron. Mede daardoor en dankzij hun ijzeren wapens en de reuzen behielden zij lange tijd het overwicht in het conflict. Dat veranderde toen de 12 stammen Israëls zich aaneensloten onder leiding van koning Saul. Daarna versloeg David de reus Goliath, nam de leiding van Saul over, veroverde Filistea en maakte er één volk van. De naam Filistea is overigens verwant aan de naam Palestina. Zijn zoon Salomo vergrootte toen het Israëlische rijk van de golf van Akaba tot de Middellandse Zee en Damascus. In de 10e eeuw (geschat) viel het rijk uiteen in een noordelijk en zuidelijk deel, toen Rechabeam, de zoon van Salomo, op een gegeven moment weigerde de belastingdruk te verlichten. Tien stammen kwamen in opstand en verenigden zich tot het noordelijke Israël met de hoofdstad Samaria. De stammen van Juda en Benjamin vermengden zich in het zuidelijke Judea. Volgens deze overlevering waren de 12 stammen dus alleen verenigd tijdens de regering van Saul, David en Salomo, terwijl ze daarna uiteenvielen in Israël en Judea.
 
 
geschiedkundige ontwikkelingen
Tot zover de bijbelse geschiedenis van het joodse volk, dat in feite een mixture is van symbolische verhalen en al of niet vervormde overleveringen die veel ouder zijn dan de tijd waarin ze nu worden gedateerd. Daarna begint pas de echte geschiedenis. Als we de samensmelting van de 12 symbolische stammen die in werkelijkheid nooit hebben bestaan daarbij vergeten, bestond Palestina in de 9e eeuw v.Chr. dus uit de koninkrijkjes Israël en Judea.
 
Die twee gebieden kenden een betrekkelijke welvaart, waarna Assyrische legers uit Mesopotamië oprukten en de stad Damascus veroverden. Zij maakten de stad Ninevé aan de Tigris tot hun hoofdstad. In 721 v.Chr. werd Israël een Assyrische provincie, terwijl de belangrijkste bewoners werden overgebracht naar Damascus. In omgekeerde richting verhuisden Assyriërs naar het noordelijke gedeelte van Palestina. Deze nieuwe Samaritanen namen hun eigen leer mee die heel oud moest zijn. De neoplatonist Jamblichus haalde Hipparchus aan in zijn woorden dat de Assyriërs de verslagen van 270.000 jaar ouderdom hadden bewaard. Zelfs die van de alleroudste tijdperken van de zeven heersers van de wereld. Deze Samaritanen bekeerden zich later tot Jahweh, de joodse god, maar behielden hun eigen Samaritaanse thora, wat de basis werd van de latere vijandschap tussen de Samaritanen en joden. Na die tijd ging men het oude Israël verdelen in het noordelijk gelegen Galilea en Samaria dat in het midden lag.
 
Het zuidelijke Judea dat aanvankelijk stand hield tegen de Assyrische legers, viel anderhalve eeuw later voor de Babylonisch-Chaldeeuwse vorst Nebukadnezar, toen deze de hegemonie van de Assyriërs overnam. In 612 v.Chr. nam zijn leger Ninevé in, terwijl Jeruzalem in 587 v.Chr. viel. Daardoor werd de tempel voor de eerste maal vernield, terwijl de belangrijkste joden naar Babylon werden verplaatst, welke gevangenschap bijna vijftig jaar duurde. In tegenstelling tot de Samaritaanse volksverhuizing liet Nebukadnezar de joden bij elkaar wonen, terwijl ze hun oude godsdienst mochten uitoefenen en door hun handel en wandel veelal zelfs in welstand geraakten.
 
De Perzische koning Cyrus de Grote die een halve eeuw later de Babyloniërs overwon, stuurde de joden die daar niet wilden blijven in 538 v.Chr. terug naar Judea en stelde een satraap aan om zijn belangen te behartigen. Daarna bracht de profeet-volksleider Ezra op basis van allerlei mondelinge overleveringen de geschriften van het O.T. bijeen. De kern daarvan was uiteraard de thora, de wetboeken van Mozes, maar daaraan werden de Profeten en Geschriften toegevoegd. Ook Nehemia speelde als koninklijk gouverneur bij de totstandkoming van het O.T. een belangrijke rol. Hij regelde de herbouw van de stadsmuren en de tempel in Jeruzalem.
 
Van 336-323 ondernam Alexander de Grote vanuit Macedonië zijn veldtochten en helleniseerde (vergriekste) het gebied van de Ganges tot aan Spanje. Toen hij stierf, werd dat gebied onder zijn generaals verdeeld. Daardoor kwam Palestina (Galilea, Samaria en Judea) onder het bestuur van Ptolemaeus I die heerste in Egypte. Ten tijde van Ptolemaeus II die de wereldberoemde Alexandrijnse bibliotheek liet bouwen, werd het O.T. in Alexandrië uit het Oudhebreeuws vertaald in het Grieks, welk geschrift de naam septuagint [= 70] kreeg. Volgens een legende waren er 72 joodse geleerden die in de stad Alexandrië in 72 vertrekken werden gezet en daar 72 dagen lang aan de vertaling gewerkt hebben. De vermelding dat alle vertalingen goed op elkaar leken is te mooi om waar te zijn, omdat grondige analysen hebben aangetoond dat de teksten in verschillende perioden tot ontwikkeling zijn gekomen. Daarom bestaat grote onduidelijkheid over de wijze waarop die eerste Griekse vertaling van het O.T. tot stand werd gebracht. De oudste bewaard gebleven bijbelteksten behoren in ieder geval tot deze septuagint, maar daarnaast kwamen er ook andere Griekse vertalingen tot stand. De joden distantieerden zich al gauw van deze Oudtestamentische vertaling die in christelijke kringen wel werd geaccepteerd. In 197 v.Chr. kwam Palestina door een machtsverschuiving onder Syrisch bestuur.
 
 
Een eeuw later vormden de Sadduceeën [= rechtvaardigen] een belangrijke politiek-religieuze groepering. Zij vervulden de functie van hogepriester, of stonden in nauw contact met die kringen en de regering. Evenals de Assyrische Samaritanen wezen ze andere geschriften dan de thora af, wat betekende dat ze niet geloofden in engelen en de opstanding na de dood, waardoor de ziel niet eeuwig is. De Chassidim [= vromen] die naast de thora ook de andere boeken van het O.T. gingen aanvaarden, waren minder streng in de leer. Uit deze groepering kwamen waarschijnlijk de Farizeeën voort die het geloof in engelen tot ontwikkeling brachten. Toen zij de leidende groep vormden, stond het joodse volk voor het grootste deel achter deze groepering, waardoor het O.T. uit onwetendheid veel uitgebreider werd dan de thora. Daarmee lijkt het erop dat de Farizeeën (vrijwel) geen binding meer hadden met de verborgenheden achter de thora, zoals die uit de kabbala tot ontwikkeling was gekomen. Daarnaast waren er nog de ascetische Essenen die om meerdere redenen niet door de Farizeeën werden geaccepteerd. Ook zij bleven trouw aan de oude leer zoals zij die kenden, en wezen daardoor bijvoorbeeld de offerdienst af, wat de Farizeese schriftgeleerden juist belangrijk vonden. Hun oorspronkelijke zetel was het klooster op de berg Carmel, in elk geval nog rond 250 v.Chr.
 
In het jaar 70 n.Chr. kwamen de joden in opstand tegen de Romeinse overheersing, waarna de tempel voor eens en altijd werd verwoest. De Klaagmuur is daarvan overgebleven. Toen Judea een Romeinse provincie werd, verdween de invloed der Sadduceeën, waarna alle gelovige joden het volledige O.T. aan­vaardden. Pas na een nieuwe opstand in 135 kreeg dat gebied de naam Palestina.

 

 

 

In 640 n.Chr. werd Palestina veroverd door het mohammedaanse kalifaat der Umayyaden, waarna het aantal Israëlieten drastisch afnam. Ten tijde van de kruistochten waren het nog maar enkele duizenden, mede omdat het centrum zich had verplaatst naar Babylon. In Spanje was de situatie geheel anders. Daar kregen de joden juist meer ruimte toen de moslims binnenvielen, omdat zij nodig waren om het bestuur op poten te zetten. Dankzij de godsdienstvrijheid die hun werd gegeven, ging het joodse geloof daar bloeien. In de 11e eeuw heroverden de christenen Spanje, waarna de moslims onverdraagzamer werden. Veel joden vluchtten toen naar het noorden, waar ze welkom waren, hoewel de katholieke kerk er alles aan deed om ze te bekeren tot het juiste geloof. Zo nam de onverdraagzaamheid van de overheden hand over hand toe. Onder de joden die in Spanje bleven, was de nog te bespreken Moses de Léon die in de 13e eeuw de Zohar publiceerde, het hoofdwerk van de geheime kabbala. Veel joden hadden zich in die tijd reeds in Duitsland gevestigd en ontwikkelden daar hun eigen taal, het Jiddisch (joods-Duits) dat van het Duits was afgeleid. Tussen de 13e en 16e eeuw werden de meeste joden uit West-Europa verdreven, waarna velen naar Polen trokken, alwaar in de 18e eeuw het Chassidisme tot ontwikkeling kwam. Die beweging moet duidelijk onderscheiden worden van de Chassidim uit de tijd van Jezus. Men spreekt nu van de sefardi-joden uit Spanje, Portugal en het midden-oosten. De ashkenazi-joden woonden in de andere delen van Europa. Andere joden emigreerden naar de V.S.
 
 
de tenach en de talmoed
 
De tenach is zoals gezegd de verzameling geschriften die Ezra in de 5e eeuw v.Chr. bijeenbracht, nadat de joden uit de Babylonische gevangenschap waren teruggekeerd. Noch de Samaritanen noch de Sadduceeën aanvaardden die werken buiten de thora. Dat geldt wel voor de Farizeese schriftgeleerden die steeds meer macht kregen, en in de laatste eeuw v.Chr. de omvang van de joodse tenach definitief vaststelden. De maatstaf die de rabbijnen toepasten bij de selectie van de juiste werken, was de regel dat een boek geschreven moest zijn vóór Ezra en Nehemia, aangezien God na die tijd geen openbaringen meer had gegeven. De tenach wordt sindsdien verdeeld in de wetten van Mozes (thora), de Profeten en de Geschriften. Toch nemen de wetten die zijn opgetekend in Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium bij alle joden de centrale plaats in. Naast de tenach beschikken de joden over de misjna [= lering] die een verzameling is van mondelinge leringen conform de joodse traditie van die tijd. De gemara [= aanvulling] is een verzameling commentaren op deze misjna. Allerlei discussies die in de loop van de eeuwen zijn gevoerd, werden daarin vastgelegd. Samen vormen deze werken de talmoed [= onderwijs geven].
 
Bij de joden neemt het O.T. een andere plaats in dan bij de christenen. Is de tenach allesbepalend voor de joden, de christenen houden zich niet aan de door God opgedragen leefregels. Voor hen is het N.T. allesbepalend. Zo zegt de God van het O.T. in tien geboden dat de mens zich geen gesneden beeld mag maken van alles wat er in de hemel bestaat. Daarom moest het gouden kalf van de Israëlieten tot stof vermalen worden (Ex.32). Het is duidelijk dat de katho­lieke kerk aan dat gebod een eigen draai heeft gegeven. Ook de wettelijke voorschriften van Mozes met betrekking tot de besnijdenis, de indeling en inrichting van de tempel worden alleen door de joden opgevolgd.
 
Taal en vertaling
Een klein deel van het O.T. is in het Aramees geschreven, een soort diplomatentaal die na de ballingschap voor een belangrijk deel het oud-Hebreeuws overvleugelde. Deze taal waarin het grootste deel der teksten is geschreven, was reeds in de 12e eeuw v.Chr. uit het Fenicisch tot ontwikkeling gekomen. Het vreemde was echter dat er in het begin naast de 22 medeklinkers geen klinkers waren. Daardoor was niemand zeker van de juiste uitspraak en betekenis van elk woord. Als gevolg daarvan hebben masoreten tot het begin van de 10e eeuw n.Chr. gewerkt aan de juiste vertaling, door interpuncties aan te brengen die een vaste klinkeruitspraak koppelden aan een serie medeklinkers. De naam JHVH of JHWH (de V en de W zijn gelijk) was de joden evenwel zo heilig, dat die geen interpuncties kreeg, waardoor de uitspraak nooit werd vastgelegd. De naam Jehovah is daarom even juist of onjuist als Jahweh, terwijl het ook JieHoeWuiHee had kunnen worden. De joden zelf spreken van Adonai [= Heer]. We vinden dat terug in het O.T. waar de naam Elohim wordt vertaald als God, terwijl JHVH de Here God is.
 
DE KABBALA
Gelovige joden en christenen zijn ervan overtuigd dat de verschillende bijbelgedeelten door God zelf zijn gedicteerd of geïnspireerd. Zij distantiëren zich daarmee van de esoterische opvatting dat ingewijde kabbalisten de schrijvers waren van de thora. Kabbala komt van Q-B-L-H ofwel Qabalah hetgeen overlevering of ontvangen leer betekent. Het werkwoord quibel is ontvangen, terwijl qabalah daarvan het verleden deelwoord is. Dit houdt in dat de kabbalisten die leer in de oertijd niet zelf hadden ontwikkeld, maar telepathisch hadden doorgekregen van hogere machten. Blavatsky schrijft dat de piramide van Cheops niet van een latere datum is dan de boeken van Mozes, dat wil zeggen van vóór de zondvloed (zie het manuscript over Atlantis). Verder stelde zij dat de kabbala teruggaat naar het Sanskriet, in die zin dat de joods-christelijke leer uit de Indiase leer der brahmanen is voortgekomen. Denk daarbij aan de reis van Abram (niet brahmaan) naar Egypte en Hebron, waarna hij Abraham heette. De kabbalistische katholiek Eliphas Levi zei van de thora: “Dit boek door de Hebreeërs toegeschreven aan Henoch, de zevende meester na Adam, door de Egyptenaren aan Hermes Trismegistos en door de Grieken aan Cadmus, de geheimzinnige stichter van de Heilige Stad, dit boek was de symbolische korte samenvatting van de oorspronkelijke overlevering en wordt sedert die tijd kabbala genoemd”.
 
Dit betekent dat de thora en de kabbala niet gescheiden kunnen worden. Aanvankelijk was de kabbala strikt geheim en kon die niet bestudeerd worden zonder de mercabah of mercavah, het voertuig van de hogere kennis. Wij weten daar vrijwel niets van, want de mercabah werd volgens overlevering in latere tijden alleen onderwezen in de duisternis op een verlaten plaats, nadat vreselijke beproevingen hadden plaats gehad. Later werd de mercabah bestudeerd in die synagogen waar men nog wist dat die “troonwagen” een diepere betekenis had. Dat de kabbalisten de ware betekenis van hun boeken geheim hielden, had vooral te maken met het feit dat zij in de oudheid geen theoretici waren, maar door hun training beschikten over paranormale vermogens. Rabbi Jehoshua Ben Chananea die in de 1e eeuw n.Chr. leefde, deed wonderen en tartte iedereen die daarin niet geloofde het tegendeel te bewijzen. Hij baseerde zich daarbij op de kabbalistische leringen van de sepher van jetzirah [= rekenen met getallen der schepping], een boek dat pas in de 7e eeuw geopenbaard werd. De kabbalisten van die tijd schreven dat werk toe aan de aartsvader Abraham.
 
De zohar [= lichtglans] is een ander belangrijk kabbalistisch werk. Het werd in de 2e eeuw n.Chr. in het Aramees geschreven, maar door de onophoudelijke censuur ging de diepere zingeving ervan verloren. Rabbi Simeon Ben-Jochaï, de samensteller uit die tijd, schreef dat de belangrijkste punten van zijn onderricht alleen mondeling mochten worden medegedeeld aan een beperkt aantal leerlingen. In de zohar staat: “Wee de mens die in de thora slechts eenvoudige vertellingen en gewone woorden leest. De verhalen van de thora zijn de gewaden der thora. Wee hem die de gewaden voor de thora zelve houdt”. Hij bedoelde daarmee dat de verhalen inhoudsloos zijn, als men de getalswaarde niet begrijpt van de woorden waaruit die zinnen zijn opgebouwd. Verder staat er: “Met zijn gewone verstand kan de mens de openbaring van de mysteriën niet begrijpen. Alles wat ik op het punt sta te openbaren kan slechts onthuld worden aan de meesters, die dankzij hun inwijding het evenwicht weten te bewaren”. De auteur van de zohar zoals die is overgeleverd, is Moses de Léon, een Spaanse jood uit de 13e eeuw. Hij stelde niets anders dan de onthuller te zijn van wat rabbi Simeon in zijn zohar had neergelegd. Toch was hij de laatste die de kabbala nog goed begreep. Daarom schreef Blavatsky: “Na de dood van de grote joodse ingewijde is de kabbalistische leer voor de buitenwereld een ongerept geheim gebleven”. Maar ook schreef ze: “De voor Europa en Amerika toegankelijke kabbala bevat de puinhopen en brokstukken, de verminkte overblijfselen van een oorspronkelijk stelsel dat de sleutel tot alle godsdienststelsels is”. Dat de joodse schriftgeleerden niet allemaal onkundig waren van de diepere betekenis van de thora lezen we in de misjna hagiga tweede afdeling. Daarin staat dat bepaalde gegevens alleen aan de wijzen gegeven mogen worden, terwijl de gemara schrijft dat de belangrijkste geheimen der mysteriën zelfs niet aan de priesters werden onthuld.
 
De kabbala als bron van de thora begint het scheppingsverhaal niet met God die boven de wateren zweefde, maar gaat uit van het Absolute dat Ain-Soph wordt genoemd. Daaruit werden de oergedachten gegenereerd, de 10 Sefi­roth waaruit alle functies van de geest, de ziel en de lichamelijkheid zijn voortgekomen. Waarschijnlijk is niemand meer in staat om de thora te begrijpen zoals die door de kabbalisten is ontworpen, omdat de kabbala geen eenduidig systeem is. We gaan er in algemene zin vanuit dat de letters, woorden en zinsneden een verborgen betekenis hebben die we pas begrijpen als we de getallensymboliek kennen#. Dat doet zich bij voorbeeld voor in de betekenis van de letter ‘men’ die 40 waard is en in symbolisch opzicht ‘zeer langdurig’ betekent. Nadat de ark van Noach op de berg Ararat vast kwam te zitten, duurde het 40 dagen ofwel een eeuwigheid voordat Noach het venster opende. Alleen al uit de symboliek van dat getal blijkt dat we die situatie niet letterlijk moeten nemen. Een tweede voorbeeld is de damp die de hele aardbodem bevochtigde (Gen.2:6). Deze damp (ad) wordt geschreven met de letters alef en daleth en heeft daarmee de waarde 1-4, terwijl de mens Adam 1-4-40 is, wat een toevoeging is van de letter ‘men’ aan de damp. Wie begrijpt de betekenis van die getallen nog? Een ander voorbeeld. De slang die Adam en Eva in de stof deed vallen is noen-cheth-shin, ofwel 50-8-300, terwijl het woord vallen 50-80-30 is, noen-peh-lamed.
 
Bij deze interpretatie blijft het niet, omdat de getallenconstructies kunstmatig werden gewijzigd om ze nog onbegrijpelijker te maken. De zohar vermeldt vijf verschillende methoden om de getallen te bewerken en te interpreteren. Achtereenvolgens zijn dat gematria, notarikon, temura, albath en algath. Volgens de gematria worden belangrijke woorden door een ander woord of zin vervangen dat dezelfde letterwaarde heeft. Zo staat er in Genesis 49:10 “totdat Silo komt” (ad ki jabo Schiloh). De betekenis van het woord Schiloh is onduidelijk, maar de letters jabo schiloh hebben de getalswaarde 359, wat
 
# De 22 letters van het oud-Hebreeuws vertegenwoordigen de getallen 1 t/m 9, 10 t/m 90 en 100 t/m 400. J(e)H(o)V(a)H is bijvoorbeeld 10-5-6-5 waard. Alleen als we de verborgen betekenis van die getallen kennen, zijn we in staat om de betekenis van de “woorden” te begrijpen,
hetzelfde is als het woord Messias. Er staat dus eigenlijk “totdat de Messias komt”. Notarikon is afkorting ofwel een soort stenografie. In Gen.2:8 staat  ‘Hof in Eden’ (Gan Eden). Volgens deze tweede methode vormen de grondletters G-N-E-D-N de woorden Guph (lichaam), Nephesh (ziel), Ezem (beenderen), Daath (weten) en Netzach (eeuwigheid) waardoor de Hof van Eden betekent: “de uit lichaam en ziel bestaande natuur der aarde waarin de onsterfelijke mens geplaatst werd”. In de temura werden de letters verschoven totdat een woord zijn geheime betekenis middels een anagram kon verklaren. Als voorbeeld is de waarde van de naam Elohim [= God] 13514 waard. Anagrammatisch is dat 31415 ofwel het getal pi, de verhouding tussen de middellijn en de cirkel.
 
Vervolgens is er nog de vraag waarom er in het Hebreeuws tweeëntwintig medeklinkers waren (en geen klinkers). Blavatsky schreef daarover dat de tweede sefiroth geest uit geest was. Deze ontwierp en hakte de 22 basisletters uit, drie moeders, zeven dubbele en twaalf enkele. Dit betekent dat de belangrijkste kosmische getallen 3-7-12 werden opgeteld om er één systeem van te maken. Dat het Tarotspel uit 22 grote arcana bestaat, terwijl er 22 beelden waren in de Egyptische mysteriën, maakt dit aantal niet toevallig. Er zijn aanwijzingen dat er sprake was van een structurele samenhang tussen deze 22 lettertekens, de getallen (1 t/m 9, 10 t/m 90 en 100 t/m 400) en de wiskunde. Zo weten we dat de eerste oud-Hebreeuwse letter, het getal 1, aleph heet, wat runderhoofd betekent. Daarnaast was de Fenicische aleph als tekening een stierkop met de horens erop, terwijl de oud-Egyptische A letterlijk op die manier werd weergegeven_. In symbolisch en wiskundig opzicht was deze eerste letter oorspronkelijk een cirkel met een halve cirkel erboven, in welke tekens een zeer fundamenteel inzicht verborgen ging. Verder was de valk in Egypte een andere hiëroglyfe voor de A, terwijl de valk door Horus werd gesymboliseerd. Zijn linkeroog stond voor de maan (donker) en zijn rechteroog symboliseerde de zon (licht). Het lijkt er dan op dat alle hiervoor genoemde elementen een verband hadden. Hoe kort en gebrekkig deze weergave ook mag zijn, toch hoop ik hiermee aangegeven te hebben dat de eerste vijf bijbelboeken nooit begrepen kunnen worden als ze louter als proza worden gelezen. Daarmee is de bijbel het meest verkochte en minst begrepen boek ter wereld. Want zelfs de moderne kabbalisten begrijpen dat niet meer.
 
de verborgen betekenis van het o.t.
 
in den beginne
Het eerste bijbelboek Genesis [= wording] begint met de tekst: “In den beginne schiep God hemel en aarde. De aarde nu was woest en ledig en duisternis lag op de vloed en de geest Gods zweefde over de wateren”. Deze vertaling van de tekst B-rashith bara Elohim is ontstaan door de interpuncties die masoreten hebben aangebracht, welke zin ons doet geloven dat er een aanwijsbaar moment was waarop God begon te scheppen. Deze tekst kan echter ook anders worden geïnterpreteerd als Brash ithbara Elohim en betekent dan: “In de hoofdbron ontvouwden de Goden de hemelen en de aarde”. Daarmee hebben we de oorspronkelijke bedoeling naar alle waarschijnlijkheid gevonden. De hoofdbron is het kabbalistische Ain Soph, de oerbron waaruit de scheppende goden tot ontwikkeling kwamen, op welke constructie de UG is gebaseerd.
 
Vervolgens blijkt dat Genesis veel meer dan één God kent. Zo zegt God eerst dat er een uitspansel moet komen, waarna een andere God het uitspansel maakt (Gen.1:6). Verder maakt Genesis een duidelijk verschil tussen de Elohim die de hemel en aarde schiepen en Jehovah/Jahweh die de mens schiep in het paradijs. De Elohim die met de term God zijn vertaald, treden vooral op in Gen.1 en het begin van Gen.2. Zij schiepen de zes dagen en hielden daarna een rustdag. Jehovah die als de Here God wordt vermeld, bouwde daarna de Hof van Eden, het paradijs, verstootte de mens daaruit en volgt hem sindsdien tot het einde der tijden. De joden en christenen negeren dat onderscheid, maar de naam Elohim is afgeleid van de wortel El die de heerlijkheid, kracht en het scheppend vermogen uitdrukte en in algemene zin God betekende. Hoâ was in het Hebreeuws één der heilige namen van de godheid, terwijl de letter hé het goddelijke vrouwelijk maakte. Het achtervoegsel -im maakte het mannelijk meervoudig, waarmee de Elohim een schare was van goddelijke wezens van beider geslacht, hetgeen overdrachtelijk was bedoeld. Het woorddeel ‘him’ komen we ook tegen in Himalaya, het gebied der onsterfelijke (âlaya) goddelijke wezens (him) dat in het verleden de woonplaats was der hoogste ingewijden. Deze woorden komen uit het Sanskriet.
 
Jehovah is van die Elohim een lagere afdeling en dient te worden begrepen als de schepper van de stoffelijke mens, alleen dus van zijn lichaam. De functie die zijn naam verraadt is zo essentieel, dat we de getallenreeks J-H-W-H [J=10, H=5, V=6, H=5] overal in Genesis tegen­komen. Zo zijn er van Adam tot Noach tien geslachten. De geschiedenis van Noach bevat vijf geslachten van Sem tot en met Peleg, waarbij het opvallend is dat Peleg splijten of delen betekent, wat ook de betekenis is van het getal vijf, de helft van 10, de letter Hé. De zes nakomelingen van Peleg zijn Rehoe tot en met Isaäk, terwijl het vervolg van Jacob tot en met Mozes weer uit vijf personen bestaat. Samen levert dat het getal 26 op (10+5+6+5).
 
We mogen hiermee dan een acceptabel begin gevonden hebben, verwarrend is het wel. In den beginne (vóór de eerste dag) schiep God hemel en aarde, waarna de aarde woest en ledig was, terwijl hij de 3e dag pas de droge aarde schiep. De 1e dag zei God: ”Er zij licht en er was licht”, waarna hij de 2e en 3e dag de wateren, de aarde en de planten schiep. “Klaar”, zou ik dan denken, maar de 4e dag begon hij met de zon en sterren, terwijl hij op de 5e en 6e dag verder ging waar hij de 3e dag was gebleven. Hoe is het mogelijk dat God de wereld in zo'n waanzinnige volgorde wist op te bouwen? Daarom zei de kerkvader Origenes al in de derde eeuw n.Chr.: “Welk mens met gezond verstand zal de uitspraak aannemen dat de 1e, 2e en 3e dag zonder zon, maan en sterren zijn geweest, en de 1e dag zonder uitspansel”.
 
Hij vroeg zich dus af al 1700 jaar geleden af hoe het mogelijk is dat sommige christenen kunnen geloven dat de 1e dag het licht geschapen werd, terwijl de 2e dag de hemel ofwel de wateren boven en beneden werden gecreëerd, de 3e dag de aarde en de 4e dag pas de sterren. Daarmee had deze kerkvader een beter inzicht dan de pausen van de vorige eeuw die dat verhaal nog letterlijk namen, niet wetende dat de jood Maimonides in de 12e eeuw n.Chr. had gezegd dat de zes dagen een geheimenis bevatten dat niet geopenbaard mag worden.
 
 
 
De kabbalist Weinreb wijst in zijn boek op de volgende samenhang. In de 4e dag zei God: “Dat er lichten zijn aan het uitspansel des hemels om een scheiding te maken tussen dag en nacht”. Dat is geen vervolg op de 3e dag, maar sluit aan bij de 1e. We moeten de scheppingsdagen daarom niet in de gebruikelijke tijdvolgorde lezen, maar moeten de 1e en de 4e dag (licht), de 2e en de 5e (water) en tot slot de 3e en de 6e dag (aarde) combineren. Vervolgens merken we op dat de wateren van de 2e dag worden verdeeld in de wateren boven (lucht) en beneden (water), waardoor het in werkelijkheid gaat om de vier elementen vuur (1e dag), lucht en water (2e dag) en aarde (3e dag). Dat die vier elementen een verborgen wiskundige betekenis hebben, wordt in de UG besproken. Daarbij beweer ik dat die vier elementen verwijzen naar een verbluffend inzicht in de structuur van de kosmos dat buiten de UG nog niet is beschreven.
 
DE MENS IN HET PARADIJS
Het moet daar prettig toeven zijn geweest, omdat er in de Hof van Eden aan schaduw, fruit en water geen gebrek was. Het eerste echtpaar had geen kleren nodig en niemand verstoorde hun zondagsrust. Het water kwam van een rivier die zich splitste in vier stromen die de hof bevochtigden (dit komt overeen met de vier armen van het hakenkruis, de swastika, bladzijde 5). Aanvankelijk was Adam Kadmon, de Mens uit Gen.2:1-20, alleen. Ad-am-ak-ad-mon betekent namelijk de Ene Zoon van de goddelijke Vader-schepper. Daarmee was de eerste Adam de oerbron waaruit niet alleen de mensheid tot ontwikkeling kwam, maar al het bestaande. “En de Here zeide: "Het is niet goed dat de mens alleen zij, ik zal hem een hulp maken die bij hem past. En de Here formeerde uit de aardbodem al het gedierte des velds en al het gevogelte des hemels. Ook bracht hij het tot de mens om te kijken hoe die het noemen zou”. Hieruit blijkt dat de dieren pas na (uit) Adam Kadmon tot ontwikkeling kwamen. Daarna werd Adam geslachtelijk en kreeg hij de vrouwelijke Eva naast zich. Om Eva te laten ontstaan, trad Jehovah op als de eerste chirurg die transplantaties verrichtte. Eerst bracht hij Adam in diepe slaap, verwijderde daarna één der ribben, sloot de plek keurig toe met vlees, en uit dat stukje bot vormde hij de vrouw. Zo wordt het voorgesteld, maar die rib is de vertaling van het woord tselah dat deling betekent. Daarmee is die paradijselijke operatie niets anders dan de geslachtelijke deling in het Lemurische tijdperk, de fase waarin de mens volgens de theosofie verstoffelijkte en geslachtelijk werd.
 
Midden in de Hof stond de boom der kennis van goed en kwaad. Van de andere bomen mochten Adam en Eva eten, maar van die boom niet. De slang zei toen: “Gij zult daarvan niet sterven, want uw ogen zullen geopend worden en gij zult als God worden. En de vrouw zag dat de boom begeerlijk was om daardoor verstandig te worden, en zij nam van zijn vrucht en at en gaf ook haar man”. Sommige mensen stellen dat het ook een andere vrucht dan een appel geweest kan zijn zoals een vijg, dadel of johannesbrood. Toch geeft die verpletterende verruiming van mogelijkheden geen andere kijk op de Hof, omdat het in wezen gaat om de ontwikkeling van de ziel (boom der kennis) en het lichaam (boom des levens). “Toen werden hun ogen geopend en zij bemerkten dat ze naakt waren. Zij hechtten vijgenbladeren aaneen en maakten schorten”. Deze naaktheid geeft aan dat mens in het paradijs nog niet tot lichamelijke ontwikkeling was gekomen. Na de vijgenbladeren die de vegetatieve evolutie van de mens symboliseren, volgt de animale ofwel dierlijke evolutie. De Here God die loeiend kwaad was om de diefstal van zijn fruit, kleedde als blijk van zijn ongenoegen de mens en zijn vrouw daarna in klederen van (dierlijke) vellen, waarna de mens pas echt mens werd en de Here God zei: “Zie de mens is geworden als één onzer”, waarna de boom der kennis van goed en kwaad kon gaan bloeien.
 
DE MENS, HIJ TUIMELDE OMLAAG
Prompt nadat de mens was gevormd, zette Jehovah het goddelijke paar uit de Hof en gaf de cherubs opdracht om de boom des levens te bewaken. De arme wachter zal daar lang moeten wachten tot de mens weer terugkomt in dat hemelse paradijs, waardoor hij wel voor die klus zal zijn aangewezen wegens zijn engelengeduld. Als straf voor het eten van de vrucht moest de mens ploeteren in het zweet des aanschijns en gelijktijdig kruipen in het stof der aarde. Het is een uiterst vermoeiende houding om de grond op die manier te moeten bewerken, zeker als die vrucht ons karmisch doet rondwroeten totdat we erbij neervallen. Maar als wij helemaal zijn ingestort, mogen we in Exodus met Mozes het land van het lijden (Egypte) verlaten en weer terugkeren naar Kanaän, het beloofde land, het paradijs aan het einde van de menselijke evolutie.
 
Maar zo ver zijn we nog lang niet. Want toen Adam ontwaakte en zich oprichtte, zag hij Eva, die na de eerste de beste gemeenschap Kaïn de landbouwer baarde. Deze op de aarde ploeterende mens kreeg al spoedig een broer, de schaapherder Abel. Abels naam die Adem betekent staat voor het geestelijke, Kaïn de ploeteraar vertegenwoordigt het stoffelijke. Deze eerstgeborene die als bezigheid de dienst aan de aarde kreeg, pakte direct flink aan en sloeg in het veld zijn broer dood. De betekenis daarvan vinden we in de kabbala waar Jehovah als Kaïn wordt genoemd, wat als volgt verklaard kan worden. Jehovah was oorspronkelijk niet God, maar de scheppende macht van de menselijke lichamelijkheid (stof). Kaïn symboliseerde hetzelfde door als landbouwer door de stof te kruipen en zijn broer Abel (het geestelijke in de mens) dood te slaan. Daarmee symboliseerde die moord het afscheid van de geestelijke afkomst uit het paradijs, waarna de evolutie in de stof bij Kaïn en Jehovah geplaatst werd. Vergelijkbaar daarmee vielen Adam en Eva uit het paradijs in de stof, waarbij de slang ze had ingefluisterd om de appel van de levensboom te eten. De Here werd bij wijze van uitzondering na die moord een keertje niet boos, want hij besefte dat de mens zijn goddelijke afkomst moest vergeten om die in de stof bewust te kunnen worden. Toen Kaïn zei: “Gij verdrijft mij uit uw land en ik zal een vluchteling op aarde worden”, antwoordde de Here God: “Wie Kaïn doodt, zal zevenvoudig boeten”. Daarmee werd bedoeld dat de mens op aarde zeven ontwikkelingscycli moet doormaken om terug te kunnen komen in het hemelhuis Kanaän.
 
DE AARTSVADERS
Aangaande de betekenis van de naam Abraham komen we talloze opvattingen tegen die tegenstrijdig lijken, maar elkaar misschien wel aanvullen. De jehovistische joden beschouwen Abraham als hun voorvader, die een nakomeling was van Noachs zoon Sem, de voorvader der Semieten. Polyhistor, een bron uit de oudheid, beweerde dat Abram was geboren in Uria en daar de sterrenkunde had uitgevonden. In dat opzicht komt hij volgens de theosofie overeen met de brahmaanse Asûramâyâ uit Atlantis die de mensheid de kennis leerde van de astrologie. Aan de andere kant maakt het verband met Brahmâ duidelijk dat A-brahm een ingewijde was in de Indiase leer. Assyriologen hebben in dat verband aangetoond dat Abraham in de Chaldeeuwse boeken de naam Zeroe-an of Zerb-an had en een rijk machtig vorst was. En bij de Parsen uit Perzië was Zerb-an de hoofdgod, de oerbron, waardoor Abraham in feite een mengsel was van goddelijkheid en vorstelijke welgesteldheid. In dat verband legde Blavatsky er de nadruk op dat alle verhalen rond de persoon Abraham allegorisch zijn, terwijl Ezra een aantal namen in de bijbel opzettelijk heeft verward om Abraham in de bestaande geslachtsregisters te kunnen inpassen.
 
“Hierna gebeurde het dat God Abraham op de proef stelde. Neem uw zoon, de enige die gij lief hebt, en ga naar het land Moria en offer hem daar tot een brandoffer op één van de bergen die ik u zal noemen” (Gen.22:2). Hier gaat het uiteraard niet om een werkelijk offer, maar om het verband tussen de Vader en de Zoon, welk verband in zekere zin overeenkomt met de christelijke leer dat God de Vader zijn Zoon Jezus naar de aarde stuurde. De Vader is de goddelijke bron, terwijl de Zoon het bewustzijn is in de stof. De vader (Abraham) moest zijn zoon (Isaäk) zodoende op geestelijk gebied laten sterven om op de aarde te kunnen incarneren. Maar omdat hij in dat lichamelijke opzicht wel zou leven, zei God op het allerlaatste moment dat het brandoffer niet nodig was.
 
Deze Isaäk verwekte bij Rebecca de zonen Esau en Jacob. Esau betekent zoiets als hij die handelt, de mens die gericht is op de uiterlijke wereld der verschijnselen. Daarom staat Esau voor het lagere ofwel dierlijke in de mens, dat tot uitdrukking werd gebracht door de toevoeging dat hij volledig behaard was. Vervolgens bedroog Jacob (het geestelijke in de mens) zijn vader met het eerste geboorterecht dat recht gaf op alle belangrijke bezittingen (de geest incarneerde in de stof). Hij had dat recht van Esau gekocht, maar moest daartoe zijn vader bedriegen door zich voor te doen als Esau. Na zijn vraag of hij hem het eerste geboorterecht wilde toedienen, vroeg Isaäk hem wildbraad te maken. Jacob trok daarna de vellen van de geitenbokjes over zijn handen en gladde hals, zodat hij leek op de naar dierenvellen ruikende Esau. Ruikend aan die vellen gaf Isaäk zijn zegen aan Jacob, die daarna vluchtte omdat Esau hem tegen de afspraak in wilde doden. Het lagere dreigde daarmee het hogere te overwinnen, maar Jacob leerde snel en kreeg al gauw een prachtig inzicht en zag een ladder die tot de hemel reikte, waarlangs engelen afdaalden en opklommen. Bovenaan in Beth-el (huis van God) stond de Here God van Abraham, en op dat moment besefte Jacob “dat hij dat hoogste bewustzijn niet geweten had” (vergeten was). Tot in het diepste van zijn ziel getroffen voelde Jacob dat hij nu de goede weg op moest gaan, terug naar het paradijs. “Ook Jacob ging zijns weegs en engelen Gods ontmoetten hem.” Als gevolg daarvan ging hij de strijd aan met zijn lager zelf, waarna hij met de MENS worstelde, die na zijn heup ontwricht te hebben God bleek te zijn (Gen. 33:25). Na die innerlijke strijd tot een goed einde gebracht te hebben, verbroederde hij zich met Esau. De naar het hogere strevende mens verdrong zijn dierlijke behoeften niet meer, maar zuiverde zijn wezen. Jacob noemde de plaats van de overwinning Pniël, want hij had God gezien van aangezicht tot aangezicht. Daarna heette hij Israël, wat inhield dat hij baas werd van zijn lagere zelf, want Israël betekent heersen.
 
JOZEF ONDERKONING
Jacob/Israël kreeg twaalf zonen, waaruit de twaalf stammen van Israël tot ontwikkeling kwamen. Dat iedere stam een astrologisch teken tot uitdrukking brengt, blijkt uit:
 
1 de leeuw van de stam Juda het leeuwenjong
2 de stier van de stam Jozef, de vruchtbare tak
3 de stam van de waterdrager Ruben die onbestendig en onvast
   wordt genoemd (waterman)
4 de schorpioen Dan.
 
Daarom staat er in Openb.4:7: “rond de troon van God waren een leeuw, een rund (stier), een mens (waterman) en een arend (schorpioen)”. Als we terugtellen, worden er in deze volgorde telkens twee tekens van de dierenriem overgeslagen, wat in de astrologie een kruis is, de swastika.
 
De twaalf stammen verlieten het land Goshen, welke naam vertaald kan worden als dichtbij doch niet in Egypte, het land waar zij terecht zouden komen. De naam Egypte is in het Hebreeuws samengesteld uit de delen mitsr en ajim. In mitsr vinden we de betekenis van vorm en leed, terwijl het achtervoegsel jim op verdubbeling en verbinding duidt. Aldus betekent de naam Egypte: het land waar de mens verbonden is met het leed. Als psychologische toestand verwees Egypte naar datgene dat ons op aarde bindt en loutert.
 
Jozef, de meest geliefde zoon van Jacob, werd in eerste instantie door Poti­phar gekocht, een hoveling van de pharao, die genegenheid voor hem opvatte. Jozef die schoon was van gestalte (zuivere geest) weigerde alles wat hem werd aangeboden, behalve (het geestelijk) brood (Gen.39:6). Toen de vrouw van Potifar probeerde hem te verleiden (wereldse verlangens), weigerde hij daarop in te gaan en liet zijn (dierlijke) kleed bij haar achter en vluchtte naar buiten. Dat had tot gevolg dat zij hem valselijk aanklaagde, waardoor Jozef in de gevangenis terechtkwam. Hij werd daar bediend door de bakker (geestelijk brood) en de schenker (bewustzijnsverruimende wijn) waardoor zijn geestelijke groei verder ging. Omdat de farao een dromenduider zocht en Jozef al eerder had blijk gegeven daarin goed te zijn, werd hij uit de gevangenis bevrijd.
 
Zowel in de woorden Pharao als Potiphar zien we het woorddeel phar dat koe betekent. Daarover ging de droom van de farao, de afwisseling van zeven vette en zeven magere koeien, zeven grote en zeven kleine korenaren. De koe is in dat verband de gever van melk, het symbool van vruchtbaarheid, terwijl hetzelfde geldt voor die aren. Met deze droom werd in feite aangegeven dat Jozef de kabbalisatische leer der zeven grotere tijdperken had begrepen en een ingewijde was geworden. De vette jaren zijn de zeven fasen van ontwikkeling, de manvantara’s van de theosofie, terwijl de magere jaren de zeven fasen van uitblussing zijn, de zogenaamde pralaya's waarin de evolutie als het ware tijdelijk tot rust komt. Door deze uitleg (dit hogere inzicht) werd hij ontslagen uit de (stoffelijke) gevangenis en koning onder de farao, de meest verlichte mens.
 
Jozef die de droom begreep en wist dat er uiteindelijk zeven magere jaren zouden komen, had de farao geadviseerd in de komende vette jaren al het overtollige koren te bewaren en op te slaan. Dit advies vond de farao zo verstandig, dat Jozef als onderkoning de opdracht kreeg dit zelfstandig te regelen. Hij verzamelde in de vette jaren zo'n hoeveelheid voedsel (inzichten), dat er overvloed leek te zijn toen de hongersnoden aanbraken. Om aan voedsel te komen, kwamen de elf broers van Jozef die hem indertijd hadden verraden naar hem toe om graan te kopen. Zij wisten uiteraard niet dat hij die onderkoning was. Hij liet daarna ook zijn vader naar Egypte komen, waarna ze in Goshen gingen wonen, dichtbij Egypte. En zo ging het volk van Israël in Egypte wonen.
 
MOZES
 
als leraar
We komen daarna bij Mozes terecht die de Pentateuch geschreven zou hebben. Zijn ouders waren Levieten, nakomelingen van Jacobs zoon Levi. Die groepering vormde een orde van tempeldienaren die met het goddelijke in verband werd gebracht. Met de vermelding dat zijn ouders Levieten waren, werd indirect aangegeven dat Mozes in de geest van de aartsvaders leefde. De combinatie dat hij bij zijn geboorte schoon was, in het water werd gelegd en daarin wegdreef, waarna hij weer uit het water werd gehaald (de betekenis van zijn naam), duidt op zijn hoge afkomst als geestelijk leider van zijn volk. In dat kader mocht Mozes het volk wel naar Kanaän brengen, maar trad zelf het beloofde land niet binnen. De overeenkomst met de wereldleraar Boeddha is op sommige punten opvallend. Beiden hadden een geestelijke en een aardse moeder en werden aan het hof opgevoed, terwijl de wereld die hun vreemd was, een en al ellende was. Met Krishna had hij gemeen dat hij het volk de wetten gaf om naar te leven. Dat betekent dat Mozes vooral gezien moet worden als een grote wereldleraar uit de oudheid.
 
Gedurende drie maanden werd Mozes door zijn (hemelse) moeder verborgen, maar langer kon zij hem niet geborgen houden. Hiermee wordt waar­schijnlijk bedoeld dat hij lange tijd niet op aarde geïncarneerd was. Zijn (aardse) moeder maakte na de geboorte een kistje van biezen en liet hem daarna de Nijl afdrijven terwijl zijn zuster hem nakeek. Met de stroom der evolutie mee dreef hij als het ware zijn incarnatiecyclus in. De dochter van de farao vond het kind in het riet aan de oever van de rivier en gaf het terug aan de echte moeder, die de baby voor haar moest opvoeden totdat die groot was geworden. Daarna werd hij aan het hof opgevoed. Het volk der Hebreeën dat hij later door de woestijn begeleidde, nam in die tijd sterk in omvang toe. De farao wenste die groei niet en beval de vroedvrouwen Sifra en Pua alle Hebreeuwse jongetjes te doden. De wereldse farao wilde daarmee voorkomen dat het volk groeide (Ex.2). De vroedvrouwen weigerden deze moordpartij en werden door God beloond, omdat zij de jongetjes (de Zoons van de Vader) lieten leven.
 
Evenals Boeddha besefte Mozes aan het hof maar weinig van de ellende in de wereld, terwijl de ontmoeting met zijn vrouw Zippora (licht) laat zien dat hij daarvan bewuster werd. Dat hij haar tegenkwam bij een put waar zij door de herders werd weggejaagd terwijl hij haar liet drinken, is met betrekking tot de bron en het levenswater veelzeggend. Mozes hoedde een tijdlang de kudde van zijn schoonvader de priester Jethro en meerdere malen bracht hij ze dwars door de woestijn naar de overkant. Eens ontmoette hij aan de overkant in een brandend braambos een engel des Heren die zich voorstelde als de God van zijn Vader Abraham, Isaäk en Jacob. Zijn goddelijke bron deed hem toen beseffen dat het zijn taak was om het volk van Israël terug te brengen naar het beloofde land Kanaän (Ex.3:4). Typerend is het antwoord van God, als Mozes hem vraagt wie hem die opdracht geeft. “Ik ben die ik ben”, was daarop het antwoord. Een uitspraak die duidelijk uit de hindoefilosofie stamt. Aangezien de op dat moment verlichte Mozes de opdracht accepteerde, keerde hij terug naar het hof waar hij de farao en zijn wijsgeren tegenover zich zag geplaatst. Hij bestreed hun door van zijn staf een slang te maken, maar de wijzen van de farao konden dat ook. De staf of scepter staat symbool voor de wereldse en wetgevende macht (thora), de slang is het symbool der hogere krachten en de evolutie (slang met staart in de bek).
 
De mens die het geestelijke pad opgaat, de woestijn intrekt, moet daartoe langdurig getest en voor-gelouterd worden. Dat proces komt tot uitdrukking in het lijdende volk van de farao. Mozes veroorzaakte in opdracht van zijn innerlijke God tien plagen door zijn staf op te heffen. De negende en tiende plaag zijn wel heel duidelijk symbolisch, want na de duisternis van de negende plaag moeten alle eerstgeborenen van Egypte sterven. Het woord eerstgeborene wordt gespeld als 2-20-200 en laat zien dat het ene een tweezijdige structuur heeft. Omdat het er daarbij gaat om wat er uit dat eerste tevoorschijn komt, is dit geen moord, maar de opstanding van de geest uit het lagere ik. En dat was de voorwaarde om mee te kunnen gaan op de zware beproevingsreis door de woestijn. In dat opzicht wordt iedere mens geestelijk herboren, wiens eerstgeborene (de zoon) in de stoffelijke wereld sterft. De Here zei daarvan: “Heilig mij, alle eerstgeborenen die onder de Israëlieten het eerst uit een moederschoot voortkomen; zij zijn mijn eigendom”. De tiende plaag duidde op het einde van het lijden en het gloren van een nieuwe tijd. Op dat moment gaf de farao toe, waarna het volk het land van het lijden mocht verlaten.
 
 
Ze trokken weg onder leiding van Mozes en aangekomen bij de Schelfzee opende dat “water” zich voor Mozes, die door de dochter van de farao al eerder uit het water was gehaald. Lopend over de bodem van de zee verliet de eerste groep bewuster wordende mensen de geknechte wereld, terwijl de farao als symbool van het aardse bezit het vluchtende volk achterna reisde om ze weer terug te halen. Het volk ontkwam, omdat het water net op tijd sloot en de Egyptenaren deed verdrinken. De keuze om de weg naar omhoog vol te houden was daarmee definitief. In de woestijn moest het volk daarna vele ontberingen leiden om geestelijk te kunnen groeien, maar het manna, het geestelijk brood dat veertig!! jaar lang uit de hemel viel, gaf goede voeding. Op Paaseiland betekende mana magische kracht, terwijl manas in het Indiase Sanskriet denk­vermogen betekent. In Joh.6:32 lezen we: “Voorwaar voorwaar ik zeg u, niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader geeft het ware brood uit de hemel, want dat is het brood Gods dat aan de wereld het leven geeft”. Daarmee was dat brood de geestelijke voeding die het volk bij alle moeilijkheden deed volharden, waarna ze dichterbij Kanaän kwamen, het beloofde land. Niet iedereen slaagde daarin, want in de woestijn zond Jahweh giftige slangen!!, wier beten velen deden sterven. Mozes stierf volgens overlevering op de late namiddag van de zevende!! dag. Aldus eindigt het evolutieverhaal bij de mens die Kanaän ingaat en daarna niet meer op aarde incarneert. Vergelijk dat met Boeddha die het nirvana inging. Het eten van de vrucht van de boom der kennis van goede en kwaad verdreef de onbewuste mens uit de geestelijke dimensies van het bestaan, het paradijs. Na een zware leerschool op aarde keert hij weer terug in het land van melk en honing, Kanäan. En daartoe is de mens alleen is staat als hij de juiste leefregels in acht neemt (wetten) en zich daarbij laat begeleiden door mensen die al veel verder zijn ontwikkeld (Mozes).
 
Na deze vijf bijbelboeken is de thora beëindigd. Maar omdat Ezra na de gevangen­schap allerlei Babylonische overleveringen verzameld had en evenals de Farizeeën de betekenis van Kanaän niet meer begreep, kwam er een vervolg. Het O.T. gaat daarom vrolijk verder met allerlei circulerende overleveringen uit de Atlantische tijd die Ezra daaraan zo goed mogelijk vast plakte. Jozua trok daarom Kanaän in, alsof Exodus een ware trektocht door de woestijn was geweest.
 
mozes als wetgever
Mozes geldt als de schrijver van de thora, wat buitengewoon knap is omdat hij daarin zijn eigen dood beschrijft. Over zulke onbelangrijke dingen moeten we ons niet al te druk maken, want relevanter is dat hij in de woestijn het volk de tien geboden gaf. Dat getal geeft aan dat alle belangrijke normen uit die tijd in de geboden waren vervat. Het merendeel daarvan is nu toch wel verouderd. Het verbod de ezel van de buurman te begeren spreekt weinig mensen meer aan; vaker raakt men bepaalde ezels liever kwijt. Het verbod een gesneden beeld te maken van wat er boven in de hemel is, werd door de katholieke kerk zelfs volledig genegeerd. Daarnaast stelde Mozes de wet op het nazireeërschap in (Num.6:1-21), de wet die werd nageleefd door diegenen die zich volledig aan de dienst aan God wijdden. Wat daarover in de bijbel is vermeld, heeft uitsluitend betrekking op uiterlijke verplichtingen zoals voeding en verzorging, maar er was zoveel meer. Mozes schonk de Hebreeën in dit verslag niet alleen een morele gedragscode, maar was de leraar die een bijdrage leverde aan de ontwikkeling van de esoterische kennis. De bouw van de tabernakel en de ark, met het heilige der heiligen (inwijding) wijzen daarop. Letterlijk staat er: “Gij zult in de tabernakel de ark der getuigenis plaatsen, en gij zult de ark door het voorhangsel aan het oog onttrekken” (Ex.40-3). Duidelijker kan niet gezegd worden dat de Nazireeërs esoterische kennis gegeven werd die niet aan het volk verkondigd mocht worden. Na de dood van Jozua en de vele tochten in Kanaän, verrichtten helden als Gideon en Simson onder Gods leiding prestaties waartoe ze op eigen kracht niet in staat waren. Simson uit de stam van Dan waaruit de antichrist geboren zou worden, beschikte over geweldige lichaamskracht. Die kracht was echter onverbrekelijk verbonden met de lengte van zijn haar, wat een duidelijke verwijzing was naar de Nazireeërgelofte (Num.6:5). Tot slot de visie van Blavatsky. Exodus is nooit door Mozes geschreven, maar werd door Ezra gereconstrueerd op basis van oude gegevens. Het is tragisch, maar waar. Het joodse volk zou in rouw gestort worden als die visie onomstotelijk bewezen zou worden. Gelukkig is dat niet mogelijk. Hetzelfde geldt voor de christenen die hun leven volledig op de Heiland bouwen.
 
 
deel 2
 
het nieuwe testament
 
jezus??
Voor de beschrijving van het N.T. gaan we terug naar de tijd dat Jezus op aarde leefde. Als we niet naar de landstreken Galilea, Samaria en Judea kijken, maar alleen naar de religieuze groeperingen in Judea, waren er in die tijd drie hoofdgroepen: de Sadduceeën, de Farizeeën en de Essenen. Onderlinge spanningen leidden ertoe dat koning Yanneüs die in 76 v.Chr. stierf, duizenden protesterende Farizeeën liet vermoorden. In die tijd leefde er een zekere Jehosuah in het stadje Lud of Lydda dat westelijk van Jeruzalem was gelegen. Volgens de theosofie was dat de echte Jezus, wat bevestigd wordt door een enkel geschrift. Over die tijd bestaat de overlevering dat koning Yanneüs een feest hield en daar de dienst leidde. Hij sprenkelde het water niet over het altaar volgens de opvattingen van de Farizeeën, maar aan de voet van het altaar volgens de opvattingen der Sadduceeën. De koning-priester werd toen door de Farizeeën bekogeld met citroenen, waarna hij velen liet doden. Deze riepen op hun beurt de hulp in van de Syrische koning die zijn leger versloeg. Uit wraak doodde Yanneüs daarna een aantal andere opstandige leiders, waardoor rabbi Elhanan met de jonge Jezus naar Egypte ging. In de Sepher Toldos Jeshu staat namelijk letterlijk: “Toen Maria moeder was geworden van een zoon, vertrouwde zij hem toe aan rabbi Elhanan. Koning Jannaeüs gaf bevel alle ingewijden om te brengen, waarna de rabbi en Jehosuah naar Alexandrië vluchtten. Daar werd de laatste ingewijd, en nadat de vervolgingen voorbij waren, keerden zij beiden terug.” En de Codex Nazareüs vermeldt: “Jehosuah is de onechte Messias, de vernietiger van de oude rechtzinnige godsdienst. Hij is de stichter van de sekte der nieuwe nazirs.” Dit roept de vraag op of de bijbelse Jezus wel bestaan heeft zoals die in het N.T. is beschreven. Temeer daar zijn leven in geen enkel geschrift wordt vermeld en er veel verhalen zijn die niet kunnen kloppen.
 
ÉÉN ORIGINEEL EVANGELIE?
De drie eerste evangeliën worden zoals gezegd synoptisch genoemd, omdat ze grote overeenkomsten hebben. Overleveringen hebben eerder tot de hypothese geleid dat de drie evangeliën zijn voortgekomen uit een soort oer-Mattheüs, terwijl men nu meent dat Mattheüs aan een soort oer-Marcus werd ontleend. Daarnaast zouden Mattheüs en Lucas toegang hebben gehad tot een verloren gegane bron Q die allerlei uitspraken van Jezus bevat zou hebben. Met Blavatsky neem ik echter toch aan dat Mattheüs de oerbron was. Want hoewel het evenals de andere bijbelse evangeliën grondig is bewerkt, heeft het overeenkomsten met het Lucas-evangelie, in die zin dat ze wijsheidsspreuken vermelden die Jezus uitgesproken zou hebben. En omdat die spreuken [= logia] beginnen met de tekst ‘Jezus zegt’, pretendeerden de schrijvers kennis te hebben van de uitspraken van Jezus. De theosofe Blavatsky gaf al aan het einde van de 19e eeuw aan dat deze logia de ware bron zijn van het evangelieverhaal, terwijl daaraan de talrijke gebeurtenissen uit zijn leven zijn toegevoegd c.q. verzonnen.
 Een halve eeuw later (1945) werd in Nag Hammadi onder anderen het evangelie van Thomas gevonden met 114 logia, spreuken van Jezus die niet gnostiek zijn, maar oosters gekleurde wijsheid bevatten. Slavenburg schrijft daarvan in zijn boek ‘De verborgen leringen van Jezus’: “Het is opvallend dat het evangelie volgens Thomas veel kernachtiger en to the point is dan de vergelijkbare uitspraken in de synoptische evangeliën#. Je zou kunnen zeggen dat het de bouwstenen geeft zonder de cement van het Jezusverhaal. Het is dan ook niet verwonderlijk dat moderne onderzoekers de bron waaruit Thomas putte, steeds meer als het oer-Marcus of de voorloper daarvan gaan zien. Dit ondanks het feit dat de geschreven vorm waarin dit evangelie is overgeleverd pas uit de 2e eeuw dateert; de traditie is echter beduidend ouder”. Het komt mij voor dat Thomas evenmin uit een andere bron heeft geput als Mattheus wiens evangelie aanvankelijk strikt geheim was (Blavatsky) en nooit is gepubliceerd. Dit door de kerk niet bewerkte evangelie van Thomas werpt zo’n volstrekt ander licht op de mens Jezus dan de Zoon van God, die in de bijbel wordt beschreven, dat hij veel geloofwaardiger overkomt. Pas in de 5e eeuw stelden de kerkvaders vast dat Jezus en Christus dezelfde waren, zodat de Zoon des mensen twee naturen kreeg; een menselijke (Jezus) en een goddelijke (Christus). Vóór die tijd had Jezus gewoon broers en zusters, welk gegeven we zelfs in het N.T. vinden. De in dit hoofdstuk nog te bespreken kerkvader Hiëronymus maakte daar echter veiligheidshalve neven en nichten van. Daarmee lijkt het erop dat een evangelie des te zuiverder is, naarmate Jezus meer als een wijs mens beschreven wordt. 
# De eerste drie evangeliën zonder het evangelie van Johannes.
 
DE STICHTER VAN HET CHRISTENDOM
Vermoedelijk geboren in het jaar 21 n.Chr. in Tarsus, Turkije, was de tollenaar Saulus aanvankelijk een fel bestrijder van de christelijke leer, maar beschreef daarna dat Christus zich in Damascus aan hem had geopenbaard. Drie dagen lang kon hij daardoor niets zien, niet eten of drinken en na zijn doop veranderde hij de naam Saulus (hel) in Paulus (lichtbrenger).
 
Dat aantal van drie dagen moet welhaast symbolisch zijn, want traditioneel duurde elke inwijding drie dagen. Hij ontmoette met Christus dan ook niet de persoon Jezus als een verschijning na zijn dood, maar kreeg een verlichtende ervaring. De gnosticus Marcion die de geschriften van Paulus volgde, was van mening dat Christus Jezus geen stoffelijk wezen was geweest, dus nimmer op aarde had geleefd. “Blinde dingen voor de blinden overeenkomstig hun blindheid; voor de dommen overeenkomstig hun domheid”. Christus was voor de gnostieken uit de 1e en 2e eeuw geen mens, maar de verhoogde staat van het bewustzijn die Plato had omschreven als epopteia. De geestelijke toestand waarin de ingewijde zich verlicht weet. Het woord Christus komt dan ook van het Griekse woord chrestos dat het goede betekent, waarmee dat begrip overeenkomt met het Chinese woord tao dat al evenzeer de juiste weg betekende. Was christos vóór de tijd van Jezus de hoogste toestand van het bewustzijn die de ingewijde kon ervaren, de kerk heeft dat begrip vergoddelijkt in de mens Jezus.
 
QUMRAN EN NAG HAMMADI
In de vorige eeuw zijn er enkele vondsten gedaan die van grote invloed zijn op de kennis der oudste christelijke en gnostische geschriften. Ten eerste zijn dat de Dode Zeerollen van Qumran (1947) die duidelijk maken dat er veel overeenkomsten zijn tussen de leer van de Essenen en de leer van Jezus. Hun belangrijkste kloostergemeenschap lag in die tijd vlak bij Qumran. Volgens sommige onderzoekers heeft de katholieke kerk veel tegenwerking gegeven bij het onderzoek van deze geschriften, omdat er onwelgevallige zaken in beschreven staan. Zo bleek dat een aantal christelijke rituelen en opvattingen honderd jaar v.Chr. al bij de Essenen bestonden en dus niet christelijk zijn. Verder bleek de leer van Jezus overeenkomsten te vertonen met enkele oude Indiase geschriften, de leer van Boeddha en Plato. Daarnaast is er de kruik met geschriften uit Nag Hammadi (1945) die wel omschreven wordt als een complete gnostische bibliotheek. In deze kruik uit Boven-Egypte zaten dertien leren banden met tweeënvijftig geschriften die nimmer de aandacht hebben gekregen die de Dode Zeerollen was vergund. Toch zijn die werken voor een goed begrip van de woorden en daden van Jezus en een betere kennis van het vroege christendom veel belangrijker dan de Qumran-vondst. Oorspronkelijk in het Grieks geschreven, zijn de Nag Hammadi-geschriften later vertaald in het Koptisch, in welke vorm ze bewaard zijn gebleven en weer opgegraven.
 
Algemeen wordt vermoed dat de monniken van het nabijgelegen Pachomiusklooster ze daar begraven hebben, nadat bisschop Athanasius in 367 n.Chr. de paasbrief had doen uitgaan. Daarin gaf hij een volledige opsomming van de geschriften waarvan hij geloofde dat ze goddelijk waren en dus tot de Canon behoorden. Deze lijst stemt nauwkeurig overeen met het N.T., wat aantoont dat die brief grote invloed gehad moet hebben. In die brief waarschuwde Athanasius voor de evangeliën die door ketters geschreven waren om de eenvoudigen van geest op een dwaalspoor te brengen. De abt van het Pachomiusklooster, een zekere Theodosius, kreeg opdracht deze paasbrief te vertalen in het koptisch en voor de verspreiding ervan zorg te dragen. Omdat er gevaar dreigde van excommunicatie als de verboden boeken niet uit hun bezit verwijderd werden, zouden deze in een kruik zijn gestopt en begraven aan de voet van een bergmassief vlakbij het klooster. Ik citeer verder uit het boek van Slavenburg. “De grootste waarde van deze geschriften ligt hierin dat we kennis kunnen nemen van de indringende spiritualiteit uit de eerste eeuwen van onze jaartelling. Ze werpen door hun aanvullend karakter een nieuw perspectief op de ontstaansgeschiedenis van het christendom en tonen een beeld van Jezus van Nazareth dat door de latere kerkelijke traditie om allerlei redenen is aangetast en vervormd. Na Nag Hammadi moet de geschiedenis van het christendom herschreven worden”. Mij lijkt dat noodzakelijk, maar voor de christenen is dat onverteerbaar.
 
het jezusverhaal klopt niet
In eerste instantie onderzoeken we dan de verschillende tegenstrijdigheden die het Jezus-verhaal op zijn zachtst gezegd ongeloofwaardig maken. Daartoe beginnen we bij de bijbelse vermelding dat Herodes de landvoogd was in de tijd dat Jezus geboren werd. Dat is vreemd, want Herodus leefde niet meer in de tijd dat Jezus geboren zou zijn. In dat verband is het relevant dat we iets meer over zijn leven weten. In 63 v.C veroverde de Romeinse veldheer Pompejus de provincie Judea. Julius Caesar die Pompejus opvolgde, werd verliefd op de Egyptische Cleopatra die was afgezet door de regenten in Alexandrië. Hij zette haar samen met haar broer Ptolemaeus XIV weer op de troon en in Judea benoemde hij Herodes de Grote tot landvoogd. In 40 v.Chr. vluchtte deze voor de Parten, krijgers uit Perzië die Jeruzalem innamen. Daardoor vertrok hij naar Masada, de versterkte vesting op de top van een berg langs de Jordaan. Nadat Julius Caesar vermoord was, kreeg Marcus Antonius de macht. Ook hij werd verliefd op Cleopatra. En omdat ook Marcus Antonius in Palestina meer invloed wenste, accepteerde hij Herodes’ verzoek om hulp, die daardoor in 37 v.Chr. Jeruzalem kon veroveren. Later betuigde Herodus zijn steun aan keizer Augustus die daardoor zijn gebied kon vergroten. Hij stierf in het jaar 4 v.Chr. En omdat het N.T. vermeldt dat hij alle pasgeboren joodse kinderen vermoordde om Jezus te kunnen doden, gaat men er nu vanuit dat Jezus 6 à 7 jaar v.Chr. geboren moet zijn. Aan de andere kant levert die keuze weer een ander probleem op. Want Lucas vermeldt dat keizer Augustus aan Quirinius de opdracht gaf de volkstelling te houden die Jozef en Maria naar Bethlehem deed gaan. De enige volkstelling uit die tijd werd echter in 6 n.Chr. gehouden, waardoor we niet weten wanneer de bijbelse Jezus geboren is. Daar komt nog bij dat de wijsgeer Philo Judaeus uit Alexandrië niets over zijn leven heeft vermeld. Deze jood die van 30 v.Chr. tot 45 n.Chr. leefde, trachtte de verschillende Helleense filosofieën op één lijn te krijgen door ze in te passen in de alles overkoepelende leer van Mozes. Daartoe maakte hij verscheidene reizen naar Jeruzalem en beschreef zeer nauwgezet alle sekten uit die tijd. Toch vermeldde hij niets over het leven van Jezus, noch over zijn twaalf discipelen. Hij had daarover blijkbaar nooit iets gehoord. En alsof dat nog niet genoeg is, zwijgen alle geschriften uit die tijd over de bijbelse Jezus. Zelfs de joodse geschriften vermelden niets.
 
Daaruit blijkt dat we van het geboortejaar van Jezus niets weten. Dat geldt ook voor de datum 25 december. Bij kerstmis denken we aan de geboorte van Jezus, een tijd van vrede waarin zelfs oorlogen zijn stilgelegd. Toch herdachten de eerste christenen op 6 januari de doop in de Jordaan en niets anders. De datum van het kerstfeest ontstond pas in de 6e eeuw, toen Dionysius Exiguus op basis van onbekend gebleven literair materiaal berekeningen maakte en daarmee de datum van zijn geboorte vaststelde. Dat was dus 500 jaar later, vlak voordat de christelijke jaartelling werd ingevoerd. In werkelijkheid hing die datum samen met de terugkomst van de zon, omdat 25 december in die tijd de kortste dag was, terwijl de winter nu iets eerder begint, op 22 of 23 december. We weten dus helemaal niet wanneer hij is geboren.
 
de maagdelijkheid van maria
Volgens het apocriefe# evangelie van Jakobus, de stiefbroer van Jezus, konden Joachim en Anna door hun hoge leeftijd geen kinderen meer krijgen. Toen zij door God werden geholpen (dogma van de onbevlekte ontvangenis), kregen ze alsnog een dochter, Maria de moeder van Jezus.
 
Zij werd na haar derde jaar in de tempel opgevoed, maar tegen de tijd dat ze twaalf jaar oud was en kon gaan menstrueren, moest ze de tempel verlaten. Er werd toen voor haar een echtgenoot gezocht, waardoor Jozef, weduwnaar en vader van vier zonen, de tempelmaagd Maria tegen zijn zin onder de hoede moest nemen.
 
# Apocriefe evangeliën zijn niet als echt erkend.
 
De bijbel stelt het anders voor, want volgens Mattheüs-Lucas was Jozef even jong als Maria en waren ze beiden in ondertrouw. Toch wordt Jozef ook in het evangelie van pseudo-Mattheüs als een oude man met grijze haren voorgesteld. Luc.1:34 schrijft dat de engel Gabriël Maria zei dat zij zwanger zou raken (het dogma van de maagdelijke geboorte). Aanvankelijk vroeg ze zich af hoe dat kon, omdat zij nog geen omgang had met haar ondertrouwde man, maar Mattheüs 1:19 ging dat niet ver genoeg. Want daar lezen we dat Maria zwanger werd van de Heilige Geest, terwijl Jozef er al over dacht om Maria te verlaten ten einde haar niet in opspraak te brengen. Daarna verscheen hem een engel in een droom, die zei dat wat in haar verwekt is uit de heilige geest komt. Als we dit vergelijken met het niet door de christenen bewerkte en daarom zuiver gebleven evangelie van Filippus (Nag Hammadi), lezen we daarin: “Sommigen zeggen: Maria is bevrucht door de Heilige Geest. Ze dwalen en weten niet wat ze zeggen. Wanneer is een vrouw (Maria) ooit zwanger geworden door een vrouw?” (de Heilige Geest). Als we het apocriefe evangelie van Jakobus volgen, was het een mirakel dat Anna nog zwanger werd, maar mirakels gebeuren wel vaker. En Jezus moest wel verwekt worden door God in plaats van door een man, want hij was Gods zoon. Daarom kan het dogma van de onbevlekte ontvangenis als een mirakel worden beoordeeld, terwijl de maagdelijkheid van Maria niet meer dan een vrome aanvulling was.
 
zijn geboorteplaats
Jozef en Maria woonden volgens Lucas in Nazareth, maar Jezus werd in Bethlehem geboren. Dat verzinsel was noodzakelijk, omdat enkele teksten uit het O.T. zeggen dat de Messias in het geslacht van David in het huis van de goden (Bethlehem) geboren zou worden. Om die reden werd er een volkstelling bedacht die Jozef en Maria per ezel naar Bethlehem deed reizen. In bijna alle niet-bijbelse verhalen werd Jezus echter geboren in een grot, en niet in een kribbe in een afgelegen stal bij een herberg zoals Lucas schrijft. De geboorte in een grot symboliseerde de geboorte van het hogere in de duistere wereld. De kribbe fungeerde als de plaats der inwijding, hetgeen vergeleken kan worden met de sarcofaag in de piramide van Cheops.
 
de wijze astrologen
Mattheüs schrijft dat de drie Babylonische wijzen naar de kribbe van Jezus gingen, om hem daar te aanbidden. Zij hadden namelijk aan zijn ster in het oosten gezien dat hij geboren was en gingen toen naar Jeruzalem waar Herodes hun verhaal aanhoorde. Hij riep de drie mannen in het geheim bij zich, waarna ze argeloos vertelden dat Jezus geboren was en naar hem op zoek waren. De ster ging hun daarna voor en bracht ze naar Bethlehem, alwaar ze Jezus de nodige hulde brachten met goud, wierook en mirre, de drie geestelijke attributen van de opstanding. Van Gods wege werden de drie wijzen daarna in een droom gewaarschuwd niet naar Herodes terug te keren, waarna een engel verscheen die Jozef opdroeg naar Egypte te vluchten. Omdat de wijzen niet vertelden waar Jezus leefde, vermoordde Herodes alle jonge kinderen van twee jaar en jonger. Iedereen weet dat astrologen niet achter een ster aan kunnen lopen. En geen astroloog is in staat om dat moment te berekenen. We weten alleen dat de joden destijds in Babylonië hadden gewoond en daar ongetwijfeld in aanraking waren gekomen met de Chaldeeuwse astrologen uit dat land. Hun wijsheid was alom geroemd, waardoor juist zij voor Jezus moesten knielen.
 
zijn woonplaats en de nazireeërs
Lucas had gehoord dat Jozef in Nazareth woonde en in verband met die volkstelling naar zijn geboortestad Bethlehem was gegaan, waar Jezus werd geboren. Hij vermeldde niet dat het gezin naar Egypte moest vluchten, zodat ze na de geboorte van Jezus weer gewoon teruggingen. Eerst naar Jeruzalem en daarna naar hun woonplaats. Die mededeling vinden we overigens alleen in Mattheüs.
 
De woonplaats Nazareth suggereert dat Jozef een Nazorener ofwel Nazireeër was. De betekenis daarvan vinden we in de Codex Nazareüs waar geschreven staat dat Jehosuah de stichter was van de sekte der nazirs. Nazir en nazorener is hetzelfde. Daarmee verwijst de naam van het stadje Nazareth indirect naar Jehosuah die een eeuw eerder had geleefd. Daarbij lijkt het er dus op dat Bethlehem alleen werd opgevoerd om Jezus tot DE Messias en Heiland te kunnen verklaren, terwijl Nazareth verwees naar de sekte der nazirs. Nazir betekende ‘het zich binden aan de dienst Gods middels een gelofte’; zie de nazireeërgelofte die Mozes had ingesteld. In die zin werd de oersterke Simson met zijn lange haren evenals Samuël in het O.T. een nazir genoemd. In de oudheid beschikten die mensen op hoog niveau over geheime kennis. En veel later waren de nazir(eer)s ingewijde Chaldeeën die zich altijd aan de regels hielden, dat wil zeggen kabbalisten die zuivere astrologie beoefenden.
 
Jezus’vader Jozef behoorde mogelijkerwijs tot een sekte die van die nazireeërs afstamde en in Nazareth zijn geheime vergaderingen hield. Omdat de bevolking en de Farizeeën zich verzetten tegen die leer, verfoeiden zij de Nazareners. Dat blijkt uit de opmerking van de Hebreeër Natanaël: “Kan er uit Nazareth iets goeds komen” (Joh.1:47). Jezus was ook een Nazarener, omdat zijn vader volgens sommige verhalen behoorde tot de sekte der genezing uitoefenende nasaria die in de Jordaan werden gedoopt. Van Plinius en Josephus weten we dat deze sekte al ongeveer 150 jaar v.Chr. bestond aan de oevers van de Jordaan en de oostkust van de Dode Zee. Omdat de school van Johannes de Doper behoorde tot een tak daarvan, wordt hij in drie evangeliën genoemd voordat Jezus werd geboren. Aanvankelijk kreeg hij zelfs meer aandacht dan Jezus zelf, terwijl Johannes maar een half jaar ouder was (Lc.1:26). De talmoed stelt dat ook Petrus een nazarener was. En met hem was elke christen in een bepaalde streek een nozari, wat in de ogen van de rechtzinnige jood geen gunstig oordeel was.
 
zijn leeftijd
Maria moest op twaalfjarige leeftijd de tempel verlaten, omdat zij ging menstrueren. Jezus ging op die leeftijd voor het eerst naar de tempel en deed de schriftgeleerden verbaasd staan van zijn kennis. Dat getal is evenals het aantal discipelen afgeleid van de twaalf tekens van de dierenriem. In tegenstelling tot Johannes de Doper trad Jezus pas op na zijn dertigste levensjaar en verrichtte alle wonderen gedurende de laatste drie jaar. Wat zijn uiteindelijke leeftijd betreft merkt Blavatsky op: “Het heilige getal 33 is het wortelgetal van het hindoeïstisch pantheon dat 33 crores ofwel 330 miljoen goden en godinnen bevat”.
 
het stervensproces
Tot driemaal toe voorspelde Jezus dat de zoon des Mensen overgeleverd zou worden aan de hogepriesters en schriftgeleerden die hem ter dood zouden veroordelen. Judas, één der discipelen, besprak daarna met de hogepriesters en opperleiders hoe zij Jezus buiten de schare volgelingen gevangen konden nemen. Deze werd daarna geleid naar de Romeinse stadhouder Pontius Pilatus op beschuldiging dat hij beweerde Christus te zijn, de koning der joden. Pilatus vond daarin niets strafbaars en stuurde hem naar Herodes (een latere) die hem terugstuurde, waarna Pilatus nog steeds geen reden zag om hem meer straf te geven dan de geseling, maar de hogepriesters hielden vol. Dit prachtig verzonnen verhaal werd gevoed door het gegeven dat de joden Jezus afwezen als hun Messias. Gelijktijdig met Jezus werd de misdadiger Barabbas gevangen genomen die oproer en doodslag had gepleegd. Pilatus vroeg toen: “Wie wilt ge dat ik zal loslaten, Barabbas de misdadiger of Jezus die Christus wordt genoemd, en zij zeiden Barabbas” (Mt.27:17). Dit is zuivere symbo­liek, want de volledige naam in oude manuscripten luidt ‘Jezus Barabbas’, wat de Zoon (bar) is van de Vader (Abba), terwijl de naam Jezus betekent Jahweh redt. Deze samenhang verwijst naar de aloude leer dat de zoon (het geïncarneerde ego of zelfbewustzijn) eens zal terugkeren naar het vaderhuis (goddelijke bron, hemel). Pilatus zwichtte daarna en veroordeelde Jezus tot de kruisiging.
 
Het stervensverhaal is zuivere allegorie. Hoe symbolisch is het niet dat Jezus te midden van twee rovers werd opgehangen, één aan zijn rechter- en één aan zijn linkerzijde. Volgens Mattheüs en Marcus beschimpten zij hem, de koning der joden. Maar Lucas maakte van één der misdadigers een berouwvol mens die niet alleen zijn fout erkende, maar inzag dat Jezus onschuldig was. Als dank daarvoor zei Jezus: “Voorwaar, heden zult gij met mij in het paradijs zijn”.  Wat was het in die tijd eenvoudig om daar te komen. Als Jezus aan het kruis hangt en stervende is, zegt hij: “Vader,  als Gij wilt neem deze beker van mij weg; doch niet mijn wil maar de uwe geschiedde. En hem verscheen een engel om kracht te geven”(Lc.22:42). Als bedenksel is dat nog acceptabel. Maar in Mc.15:34 en Mt.27:46 lezen we: “Eloi, Eloi, lama sabachthanit”, wat vertaald wordt als: “Mijn God mijn God, waarom hebt ge mij verlaten”.
 
De aangeslagen Marcus vervolgt deze lijdensweg met de opmerking dat Jezus een luide kreet slaakte. We zijn hiermee toe aan de conclusie dat het N.T. geschreven en herschreven is dat het een lieve lust was, want dit is werkelijk bij de wildste spinnen af. De eerste de beste getrainde Indische yogi heeft een dusdanige controle over zijn lichaam dat hij de ergste pijnen glimlachend doorstaat. Maar Jezus, de Zoon van God slaakte een luide gil. Blavatsky ontdekte dat die tekst ook anders bedoeld kan zijn. Wanneer die wordt terugvertaald naar het Hebreeuws, de oorspronkelijke taal, en daarna opnieuw wordt overgezet in het Grieks, kan er gestaan hebben: “Mijn God, mijn God, hoe verheerlijkt ge mij”.
 
Daarna kreeg Jezus uit genade de speerstoot van de Romeinse soldaat die hem doodde. We lezen in de levensbeschrijving van Zarathoestra dat ook hij stierf door een speer. Die speerstoot aan het kruis symboliseerde de dood van het lagere driftleven en het eeuwige leven dat erop volgt na de overwinning. Daarom staat er geschreven dat Jezus na drie dagen opstond uit de doden en niet uit de dood, waarmee werd verwezen naar de inwijdingsbeproeving die veel ingewijden liggend op het kruis hadden doorstaan. Niet alleen het kerstverhaal (geboorte), maar ook de gebeurtenis van goede vrijdag (kruisiging) en pasen (opstanding uit het graf) zijn verzinselen.
 
verschijningen na de dood
 Met betrekking tot de verschijningen van Jezus na zijn dood, is het bekend dat het Marcusevangelie oor­spron­kelijk eindigde bij de opstanding uit het graf. De verschijningen zijn er dus later bij verzonnen. Zo wordt in Lc.24 beschreven dat Jezus na zijn dood met Kleopas en zijn metgezel (de Emmaüsgangers) wandelde, terwijl zij hem niet herkenden. Jezus ging toen met hen mee en at wat brood, waarna hij verdween. Als zij dat daarna willen vertellen aan de discipelen, verschijnt hij opnieuw en laat zich betasten als bewijs dat hij weer een stoffelijk lichaam heeft. Ook toen nam hij iets te eten. Volgens Lucas was dat gebakken vis, waarschijnlijk omdat hij de mensen met vis had gespijzigd. In geen enkele andere godsdienst gaat men zo ver dat een overleden mens in dezelfde vorm terugkomt. Wel in een volgend leven.
 
Na Paulus werden de vele verschijningen van Jezus niet meer als authentiek geaccepteerd. Paulus die beweerde een ingewijde te zijn, schreef daarover: “Eensklaps kwam er uit de hemel een geweldige windvlaag die het hele huis vulde en zich vertoonde als tongen van vuur. Dat zette zich op een ieder van hen en zij begonnen met andere tongen te spreken zoals de heilige geest hun gaf te spreken” (Hand.2:2-5). Als we deze gebeurtenis (Pinksteren) isoleren uit de verhalen eromheen, vertelde die situatie niets van Jezus opstanding na de dood, noch van zijn aanwezigheid. Deze begeestering refereerde naar het ontwaken van het Christosbewustzijn in de geest van de apostelen. Het spreken met andere tongen (talen) tijdens de extase is een bekend verschijnsel dat glossolalie wordt genoemd. Ook in Hand.10:46 werd met tongen gesproken, wat alleen te verklaren is in termen van vorige levens. Ik heb in mijn werk als regressietherapeut meegemaakt dat iemand tijdens een regressie naar het oude Egypte onbegrijpelijke zinnen zei, maar ik kan niet beoordelen of dat werkelijk oud-Egyptisch was. Maar in de gevallen dat ik oud-Duits, oud-Engels en oud-Frans heb horen spreken, kan ik dat wel. Verder merk ik nog op dat het begrip ‘verschijning’ oorspronkelijk was afgeleid van de verschijning die Pythagoras epifaneia noemde. Dat was geen menselijke verschijning na de dood, maar de verschijning van het goddelijke bewustzijn dat ook met Pinksteren zou hebben plaats gegrepen. In dat opzicht kan en mag het begrip verschijning wel gerelateerd worden aan het christos-bewustzijn. Ook die verschijningen na de dood zijn er dus bij bedacht.
 
de twaalf apostelen
De namen van Jezus' leerlingen waren Petrus, Jacobus (2x), Johannes, Andreas, Filippus, Bartolomeüs, Mattheüs, Thomas, Thaddeüs, Simon en Judas. Dat er twaalf discipelen waren kan geen toeval zijn, want dat getal duidt op de twaalf tekens die een jaar volmaken, ofwel een hele cyclus. Ook bij de stammen Israëls komen we dat aantal tegen. Als één schrijver moeite heeft gedaan de waarde van het getal 12 en de astrologie aan te tonen, was het wel de Johannes van de Openbaring die niet de apostel Johannes was. In Op.21 lezen we van het nieuwe Jeruzalem. “Er waren 7 engelen en 12 engelen, 7 schalen, 12 poorten naar elke windstreek 3, 12 stammen Israëls, 12 apostelen des lams, 12.000 stadiën, 144 el, 12 edelstenen, 12 paarlen en 12 bomen die vrucht dragen.” De waarde van dat getal was in die tijd zo belangrijk, dat er zeker geen twaalf discipelen zijn geweest.
 
De meeste apostelen waren vissers, wat zou kunnen duiden op de overgang van het ramtijdperk naar het vissentijdperk rond 100 v.Chr. We vinden die symboliek ook in de vermelding dat Jezus als het lam gods (ram) werd gekruisigd. Ook de visserij op het meer van Tiberias en de bisschoppelijke mijter die lijkt op een vissenkop, kan naar dat teken verwijzen. Ook kan er sprake zijn van een overeenkomst tussen de vissende apostelen en de vis die Jona opslokte. Dat is niet de reuzenwalvis die planktonachtige diertjes “verslindt” met een doorsnede van een paar millimeter, maar de grote vis van het dodenrijk. In Jona:1-2 lezen we samengevat: “De Heer gaf Jona opdracht om te prediken. Toen hij scheep ging, viel hij in het ruim in diepe slaap, waarna een geweldige storm opstak. Bevreesd meende de kapitein dat Jona de oorzaak was, waardoor de laatste zich vrijwillig in het water liet werpen. De Here beschikte daarna een grote vis om Jona in te slikken en Jona was in het ingewand, drie dagen en nachten. Daar bad hij tot de Heer en schreeuwde uit de schoot van het dodenrijk.” Het zal wel duidelijk zijn dat die vis zelfs in de woeligste wateren niet kon verdrinken en daarom de drie dagen durende opstanding symboliseerde. Daardoor werd Jona na beproefd te zijn weer uitgespuugd. De apostelen waren in dat geval vissers omdat zij de leer van de geestelijke opstanding dienden uit te dragen. We herkennen in de vis ook nog de eerste avatâra van Vishnu, de vis Matsya die in de oerwateren zwom, vergelijkbaar met God die boven de wateren zweefde (Gen.1:2). Daarvan was mogelijkerwijs het verhaal afgeleid dat Jezus voor vijfduizend mensen twee vissen oneindig lang deelde (Joh.6:11), zodat iedereen te eten had.
 
Hoe wonderlijk hun gedeeltelijk verzonnen levens waren, zien we aan de hand van de ervaringen van Petrus. Die naam betekende in het Fenicisch en Aramees ‘tolk’, waardoor hij de vertolker kon worden van de christelijke godsdienst. Petrus heette eerst Simon, maar Jezus zei van hem: “Op deze rots (Petrus) zal ik mijn gemeente bouwen.” Dat had niets met de tot ontwikkeling komende kerk te maken, want die naam komt uit de mysteriën en was de titel van de hogepriester die Phtah aanbad, een der oudste Egyptische goden. Patras komt van dezelfde stam, waarvan de naam Petrus is afgeleid, zodat die naam duidt op zeer hoge afkomst. In dat verband is er weinig verschil tussen Mozes die op de Nijl dreef en de Schelfzeewateren met zijn hand scheidde en Petrus die over het water leerde lopen. Het was daarom rampzalig dat juist hij Jezus driemaal verloochende.
 
Zoveel begrepen de christenen van de levitatie, dat de discipelen door Jezus gedwongen werden scheep te gaan naar Bethsaïda (Mc.6:45). Zij hadden wind tegen en omstreeks de vierde nachtwake zagen zij een spook op het water dat Jezus bleek te zijn. Toen die aan boord klom, ging de wind meteen liggen, want in alles was Jezus machtiger dan de andere figuren uit het O.T. Petrus zonk daarom eerst in het water (Mt.14:31). Over hem is zoveel onzin geschreven, dat hij de meest controversiële discipel werd. Hij wordt door de anderen afgeschilderd als de lafste en op Judas na de minst betrouwbare volgeling. Jezus zei tegen hem toen hij hem had verloochend: “Ga weg van mij, satan”, en die Petrus, de eerste paus, staat nu aan de hemelpoort.
 
jehosuah leefde een eeuw v.chr
Wanneer we al deze wonderlijke verhalen weglaten en ook nog weten dat alle gelijkenissen vóór zijn tijd al bestonden, blijft er weinig over van het N.T. Toch is dat meer dan genoeg, omdat Jezus als wijsgeer grote invloed had op de mensen die zijn wijsheid begrepen. Ik wijs dan weer op de overeenkomst tussen Herodes die Jezus wilde doden en de eerder vermelde Jannaeus die de ingewijden liet ombrengen, waarna Jezus naar Egypte ging. Dit sluit nauw aan bij het evangelie van Mattheüs (2:13-14), dat beschrijft dat er in een droom een engel verscheen aan Jozef die hem zei: “Sta op, neem het kind en zijn moeder tot u en vlucht naar Egypte en blijf daar totdat ik wederom tot u spreek; want Herodes zal trachten het kind te doden. Hij stond op en nam in de nacht het kind en zijn moeder tot zich en vluchtte naar Egypte.” Marcus en Johannes spreken daar niet over, terwijl Lucas vermeldt dat ze daarna naar Jeruzalem gingen. Daar klopt iets niet. Als we dan ook nog weten dat die engelen pas tijdens het leven van Jehosuah door de Farizieeën tot leven zijn gewekt, moet het evangelie van Mattheüs op de een of andere manier zijn bewerkt. Jezus leefde zodoende een eeuw eerder en was de Jehosuah die met rabbi Elhanan naar Egypte was gevlucht. Blavatsky schreef daarover het volgende: “Jezus Christus was voor mij nooit een historische figuur. Hij is de vergoddelijkte personificatie van het verheerlijkte voorbeeld van de grote hiërofanten der tempels. Zijn geschiedenis is een allegorie en de legende zoals die tot ontwikkeling kwam, is gebaseerd op het leven van Jehosuah
 
vrome aanvullingen
Dat men in de oudheid over veel fantasie beschikte, blijkt uit de vergelijking van het Johannes-evangelie (Joh.11) met het Lucas-evangelie (Lc.16:19-31). Met betrekking tot de opwekking van Lazarus is er in het eerste evangelie zo koddig geknoeid, dat het op de lachspieren werkt. De tekst begint met: “Here, zie, dien gij liefhebt is ziek. Toen Jezus het hoorde zei hij: Deze ziekte is niet ten dode maar ter ere Gods, opdat de Zoon erdoor verheerlijkt worde”. Daarin wordt die ziekte nog met de opstanding der doden in verband gebracht. Jezus heeft echter alle tijd en wacht nog twee dagen, waarna hij over slapen spreekt en ronduit zegt dat Lazarus is gestorven. Daarna gaat hij naar Lazarus, die al vier dagen in het graf ligt en daarmee zo “verziekt” is dat de lijklucht er ijselijk afdruipt. Voor Jezus geen enkel probleem, want als hij roept “Lazarus kom naar buiten”,  komt hij eraan met gebonden handen en voeten. Daarmee was Jezus de grootste magiër aller tijden, wat de bedoeling geweest moet zijn van dit verhaal.
 
verborgen geheimenissen in het n.t.
De christenen beweren dat hun leer door iedere gelovige begrepen kan worden. Toch geeft de bijbel in dat opzicht heel duidelijk het tegenovergestelde aan. Omtrent het bestaan van een geheime traditie lezen we in de brieven aan de Kolossenzen 1:25-29 “het geheimenis dat eeuwen en geslachten verborgen is geweest, maar thans geopenbaard aan zijn heiligen”. In Rom.16:25-27 staat: “de prediking van Jezus Christus naar de openbaring van het geheimenis, eeuwenlang verzwegen maar thans geopenbaard”. 1Cor.2:6-7 vermeldt: “Toch spreken wij wijsheid bij hen die daarvoor rijp zijn, echter niet van deze eeuw, ..... maar wat wij spreken als een geheimenis, is de verborgen wijsheid Gods die God van eeuwigheid voorbeschikt heeft tot onze heerlijkheid”. Dat zijn niet mis te verstane woorden. Na deze constatering dienen we na te gaan wie toegang had tot geheimenissen die niet van deze eeuw zijn. In het onbewerkte evangelie van Thomas dat gevonden is in Nag Hammadi, verkondigt Jezus: “Ik zeg mijn geheimenissen aan hen die mijn geheimenissen waardig zijn” (logia 62). In Mt.7:6 staat: “Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uw paarlen niet voor de zwijnen, opdat die niet vertrappen met hun poten en zich omkerende u verscheuren”. En in Mc.4:11 zegt Jezus tegen de apostelen: “Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid ...., maar degenen die buiten zijn, geschieden al deze dingen door gelijkenissen, omdat zij ziende zien en niet bemerken, en horende horen en niet verstaan”. Veelzeggender is echter Jezus' opmerking in Joh. 16:12: “Nog veel heb ik u (apostelen) te zeggen, maar gij kunt het thans niet dragen, doch wanneer de geest der waarheid komt, zal hij u den weg wijzen tot de volle waarheid ... en de toekomst zal hij u verkondigen”. In Mc.4:34 staat zelfs dat Jezus die kennis aan iedere apostel in verschillende mate overdroeg: “zonder gelijkenis sprak hij niet tot het volk, maar zelfs afzonderlijk aan zijn discipelen verklaarde hij niet alles”.
 
REïNCARNATIE EN KARMA
 
het koninkrijk gods
Dat het koninkrijk Gods niet het leven is na de dood zoals de kerk verkondigt, blijkt wel uit het Thomas-evangelie. Daarin lezen we: “Zijn discipelen zeiden tot hem: Op welke dag zal het koninkrijk komen? Jezus zeide: Het komt niet in een verwachting. Men zal niet zeggen: ziet hier of ziet daar. Maar het koninkrijk van de Vader is uitgebreid op de aarde en de mensen zien het niet” (logia 113). In Mt.7:13-29 vervolgt hij die mededeling met: “Gaat in door de enge poort, want wijd is de poort en breed de weg die tot het verderf leidt; want eng is de poort en smal de weg die ten leven leidt en weinigen zijn er die hem in leven vinden”. Deze tekst wordt besloten met: “de scharen stonden versteld over zijn leer, want hij leerde hen als gezaghebbende en niet als hun schriftgeleerden”. Jezus was blijkbaar een man die leerde wat hij zelf van het koninkrijk Gods ervaren had.
 
de opstanding uit de doden
Wat nu de opstanding der doden betreft, hebt gij niet gelezen wat door God tot u is gesproken. Ik ben geen God van doden maar van levenden” (Mt.22:29-32). Evenals het koninkrijk Gods is de opstanding uit de dood het transformatieproces op aarde dat de mens op een hoger niveau bewust maakt. Vóór het leven van Jezus werd dat nog het christosbewustzijn genoemd, het verhoogde bewust­zijn van de ingewijde, in welke toestand men de ideeën aanschouwt (Plato). Later werd dat bewustzijn uit verregaande onwetendheid exclusief met Jezus verbonden tot de mensgoddelijke Jezus-Christus. Nog een flinke stap verder dan die verlichting wordt de mens bevrijd van het proces van de wedergeboorte, het nirvâna waarover Boeddha sprak. Deze bevrijding is echter zo uitzonderlijk, dat Jezus in Lc.20:27-41 zei: “De kinderen dezer eeuw huwen en worden ten huwelijk genomen, maar zij die waardig gekeurd zijn deel te verkrijgen aan die eeuw en aan de opstanding uit de doden, huwen niet. Zij kunnen niet meer sterven, want zij zijn immers aan de engelen gelijk”. Deze engelen waren overigens niet de bevleugelde engelen van de Farizeeën, maar de aartsengelen die verder ontwikkeld zijn dan de mens zoals wij die kennen.
 
wedergeboorte
Het letterlijke begrip wedergeboorte komt minstens driemaal voor in het N.T. In Mt:19:28: “Jezus zeide tot hen: Voorwaar, ik zeg u, gij die mij gevolgd zijt, zult in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen op de troon zijner heerlijkheid zal zitten, ook op 12 tronen zitten om de 12 stammen van Israël op te richten”. Dit heeft niets met de wedergeboorte in het vlees te maken, maar met de wedergeboorte op aarde in de geest. Wat directer vraagt één van de discipelen aan Jezus (Mt.17:10-13 en Mc.9:11-13): “Waarom zeggen de schriftgeleerden dat Elia eerst moet komen?” Jezus antwoordt dan in Mattheüs: “Elia zal komen en alles herstellen, maar ik zeg u dat Elia gekomen is en zij hebben hem niet erkend, maar met hem gedaan al wat zij wilden. Toen begrepen de discipelen dat hij over Johannes de Doper had gesproken”. Het lijkt erop dat Johannes de Doper en Elia dezelfde zijn, want ook in Mt.11:14 staat: “Indien gij het wilt aanvaarden, hij (Johannes) is Elia die komen zou. Wie oren heeft die hore”. In Lc.1:17, de aankondiging van Johannes de Dopers geboorte staat: “En hij zal uitgaan in de geest en de kracht van Elia”. Maar in Joh.1:21 zegt Johannes de Doper zelf: “Ik ben het niet” en spreekt daarmee alles tegen. Blavatsky meent dat Mattheüs die zinnen schreef om de oude kabbalis­tische overlevering vorm te geven dat Elia zal komen, zodat die ontkenning het meest waar­schijnlijk was. Johannes de Doper was Elia niet. Toch vragen de farizeeën onmiskenbaar of hij Elia de profeet is, waarmee het geloof in de leer van de wedergeboorte in dat gebeuren moeilijk ontkend kan worden. In Mt.14:1-3 hoorde Herodes de viervorst wat van Jezus werd verteld en zeide: “Dit is Johannes de Doper; hij is opgewekt uit de doden en daarom werken zijn krachten in hem”. Hier wordt zelfs gesuggereerd dat de krachten van de opgestane Johannes de Doper in Jezus doorwerken. En wat doen we hiermee? “En niemand is opgevaren naar de hemel, dan die uit de hemel is nedergedaald”. De lezer mag het zelf beoordelen.
 
Ook met betrekking tot het begrip karma vinden we de nodige verwijzingen. In Joh.3:8 lezen we: “Gijlieden moet wederboren worden, de wind blaast waarheen hij wil, maar gij weet niet vanwaar hij komt en waarheen hij gaat”. Het woord wind is volgens Blavatsky verkeerd vertaald en moet geest zijn. Daarom staat er dat men niets begrijpt van de werking van karma. In Joh.9:2-4 wordt gevraagd: “Rabbi, wie heeft gezondigd, deze blinde of zijn ouders dat hij blind geboren is?” Het antwoord is: “Noch deze (blinde mens) heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar de werken Gods moesten in hem openbaar worden”. Omdat de werken Gods al tot uitdrukking kwamen bij de geboorte (blindheid), wordt hiermee zelfs de karmische doorwerking uit vorige levens aangegeven. Mt.5:18 vermeldt: “Want voorwaar zeg ik u, totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota noch één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied”. Karma werkt dus uit tot het einde der tijden. In Openb.14:13 staat: “En ik hoorde een stem in de hemel zeggen: Schrijf, zalig de doden die in de Here sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, dat zij rusten van hun moeiten, want hun werken volgen hen na”.
 
het vijfde concilie
Tijdens het vijfde concilie van Constantinopel in het jaar 553 werd de leer van Origenes afgezworen. Dat hij een aanhanger was van de reïncarnatiegedachte, blijkt uit deze tekst die beschreven is in zijn Principiis. “Vóór de schepping der zichtbare wereld schiep God geestelijk rationele wezens die aanvankelijk opgingen in het schouwen van God. Zij keerden zich daarna van God af, op enkele uitzonderingen na, en vervielen tot engelen, in het ergste geval tot demonen en tot een categorie zielen die zich met het menselijk lichaam verbonden. Alle redelijke wezens zijn door God met een vrije wil toegerust. Het is daarom mogelijk dat de zielen na de dood van de mens terug willen keren en ook terug kunnen keren naar hogere sferen, doorheen een louteringsproces, tot zij met een etherisch lichaam kunnen verrijzen. Ook de demonen zouden zich op deze wijze tot God kunnen bekeren zodat God weer Alles in allen is”.
 
Omdat deze leer van Origenes werd veroordeeld, wordt wel gesteld dat de kerk tijdens dit concilie afstand deed van de leer der wedergeboorte. Veel belangrijker is echter de constatering dat Origenes' invloed door zijn veroordeling tot ketter nauwelijks had ingeboet. Men is het er vrij algemeen over eens dat de veroordeling van Origenes niet plaatsvond tijdens het concilie, maar op een extra-conciliaire bijeenkomst, listig bijeengeroepen door keizer Justinianus om paus Vigilius te slim af te zijn. Omdat de banvloek over Origenes dus niet officieel was, is dit concilie vermoedelijk nauwelijks van belang geweest. Toch mogen we stellen dat met de veroordeling van Origenes de kerk de allerlaatste contacten met de oude universele leer had verbroken. Zo schreef de christen Karpokrates nog in de 2e eeuw: “De zielen passeren bij hun verhuizingen door verschillende lichamen alle vormen van leven en verrichten alle soorten handelingen, tenzij een ziel bij het komen in een lichaam alle handelingen ineens heeft volbracht”, een tekst die maar heel weinig onduidelijkheid overlaat. Ook in de 3e eeuw n.Chr. beleden bepaalde groepen van christenen nog de leer van de wedergeboorte, maar in de 4e eeuw kwam daaraan een einde.
 
enige woorden om over na te denken
 
het evangelie van thomas
Jezus zei: “Misschien denken de mensen dat ik gekomen ben om vrede te brengen op de wereld en weten zij niet dat ik gekomen ben om verdeeldheid te brengen op aarde, vuur, zwaard en oorlog. Want er zullen er vijf zijn in een huis, drie zullen zijn tegen twee, en twee tegen drie. Vader tegen zoon en zoon tegen vader en zij zullen staan als eenlingen”.
 
het evangelie van filippus
God schiep de mens
en de mensen schiepen zich een god.
Zo gaat het in de wereld:
de mensen scheppen zich goden en vereren hun scheppingen.
Waarlijk, zo zouden de goden de mensen moeten vereren.
 
DE EEUWEN DAARNA
 
de eerste eeuwen n.chr.
Van meet af aan was er christelijk verschil van opvatting tussen het oosten en het westen over de waarde der verschillende in omloop zijnde werken. Origenes maakte daarom in de 3e eeuw onderscheid in de algemeen erkende en de betwijfelde geschriften. In 367 n.Chr. kreeg de westerse bijbel zijn definitieve vorm toen aartsbisschop Athanasius van Alexandrië vaststelde welke geschriften van het N.T. goddelijk geïnspireerd waren en welke niet. In dezelfde tijd kwam er behoefte aan een Latijnse vertaling. De reeds genoemde Hiëronymus kreeg toen gezien zijn grote kennis van het Hebreeuws, Grieks en het Latijn van paus Damasus I opdracht het O.T. uit het Hebreeuws in het Latijn te vertalen. Ook de geschriften van het N.T. werden door Hiëronymus in het Latijn vertaald, waardoor het vanaf het begin van de 5e eeuw niet meer relevant is onderscheid te maken tussen de ontwikkeling van het Oude en Nieuwe Testament. Omdat oudere Latijnse vertalingen niet in onbruik geraakten, werden er tot de 8e eeuw drie vertalingen naast elkaar gebruikt. Maar tegen het einde van de middeleeuwen had de vertaling van Hiëronymus reeds de naam Vulgata (algemene populaire) gekregen. De apocriefe (verborgen) werken waren daarin niet opgenomen, omdat de kerk meende dat deze niet of niet voldoende waren geïnspireerd door de Heilige Geest. Aangaande die beoordeling ontstonden er na de reformatie nieuwe meningsverschillen tussen de katholieken en de protestanten, maar voor ons doel zijn die niet relevant.
 
In de 4e eeuw voordat de Bijbel zijn definitieve vorm kreeg, speelden twee belangen door elkaar. Ten eerste was dat het belang van de eerste christenkeizer Constantijn die in 313 in het Edict van Milaan had vastgelegd dat het christendom erkend werd. Hij achtte zich door God aangesteld als leider der buitenkerkelijken en al die onderlinge tegenstellingen beschouwde hij min of meer als beuzelarij. Rust in zijn rijk was het belangrijkste. Daarnaast was er het belang van de kerkvaders die eenheid wensten, doch hun persoonlijke opvattingen niet prijs konden geven. Het eerste concilie in Nicea werd in 325 door keizer Constantijn bijeengeroepen om die gewenste eenheid in de kerk en dus zijn rijk te verkrijgen. De strijd tussen Arius en Alexander ging toen om de aard van de zoon en de Vader, de verbinding van het menselijke en het goddelijke, het relatieve en het absolute. Arius stelde vanuit esoterisch perspectief gezien volkomen juist dat God de Vader (oerbron) de zoon (de geestelijke bron van alle evoluerende wezens) als eerste had geschapen vóór alle dingen. De zoon was daarmee voortgekomen uit de Vader en daaraan dus niet gelijkwaardig, noch waren de Vader en zoon menselijke wezens. De zoon was als schepsel het oerbeeld van de ware door God beminde mens. De behoefte de Vader en de zoon te concretiseren in één wezen overwon het echter, en alle tegenstellingen die de verschillende heidense leringen zoals het gnosticisme en het neo-platonisme onderscheidden, werden in één klap opgelost door één theoretische constructie. De (tijdelijk op aarde levende Ene) Zoon des mensen en de (eeuwig levende Ene) goddelijke Vader werden geacht van dezelfde natuur te zijn. En in de uitspraak: “Wij geloven in één Vader en één Heer Jezus Christus” werd de leer van Arius veroordeeld. Jezus was daarmee al eeuwig Gods enige zoon, hoewel hij door zijn geboorte een tijdelijk mensenkind was. Na zijn dood leefde hij echter weer voor eeuwig voort in het paradijs. Sommige kerkvaders ging deze simplificatie te ver, maar hun verzet baatte niet.
 
Hoewel de Arianen waren verslagen, was de gewenste eenheid niet bereikt. De strijd om de natuur van Jezus woekerde door, terwijl het niet verheffend is te zien hoe de verschillende groeperingen hun gelijk probeerden te krijgen. In N.Afrika vormden de volgelingen van Donatus heuse knokploegen, en in een periode van anderhalve eeuw volgden vijfentwintig pausen elkaar op. Sommigen waren tiener, anderen bezochten bordelen, enkelen werden afgezet en een aantal vergiftigd of gewurgd. Daardoor riep keizer Theodosius in 381 het tweede concilie uit in Constantinopel. Opnieuw werd de godmenselijke natuur van Jezus vastgesteld, zelfs nog wat aangescherpt om misverstanden te voorkomen. En hoewel de gewenste eenheid daardoor niet werd verkregen, werd dit de algemeen geldende geloofsbelijdenis. Duidelijk komt het verschil tot uiting in de volgende teksten. Zongen de Arianen nog: “Ere zij de Vader door de Zoon in de Heilige Geest”, de katholieken zongen: “Ere zij de Vader, EN de zoon EN de Heilige Geest.” De kerkvader van Rome, Siricius (384-399), was in die tijd de eerste die zich paus liet noemen.
 
Mede met het doel de aard van Maria bij haar inmiddels vergoddelijkte zoon aan te passen, werd het derde concilie in Efese (431) bijeengeroepen. Maria was een menselijk wezen dat zonder enige verwijzing naar het goddelijke onmogelijk zijn moeder kon zijn. Door interne ruzies werd dit concilie onmiddellijk beantwoord met een tegenconcilie, waarbij de belangrijkste bisschoppelijke tegenstanders elkaar over en weer excommuniceerden. Een definitieve scheuring volgde. Nestorius was in Efese de verdediger van Christus die naast een goddelijke ook een menselijke natuur had die daarvan duidelijk onderscheiden moest worden. Aangezien de maagd Maria in dat geval niet de moeder van God kon zijn zoals toen algemeen werd verkondigd, werd die leer veroordeeld, waarna hij moest vluchten naar het oosten. In Syrië en Irak kwam toen de Syrische kerk tot bloei die vervolgens in een westelijke en oostelijke tak verdeeld werd. In de eeuwen daarna werden die kerken tijdelijk zelfs belangrijker dan de westerse kerk van Rome.
 
Terug naar het vierde concilie in Chalcedon (451) waar het compromis werd gesloten dat Jezus twee verschillende naturen had, een menselijke (Jezus) en een goddelijke (Christus). En zo ontstond de constructie van de Ene Zoon, de Heer Jezus Christus die volmaakt is in zijn godheid en even volmaakt in zijn menselijkheid. Omdat het goddelijke ook in Maria tot zijn recht moest komen, werd Jezus door de Heilige geest verwekt, waarmee de timmerman Jozef buiten spel werd gezet. En met die oplossing werd de godmens gecreëerd die boven alle andere wezens staat.
 
Het vijfde concilie werd in 553 gehouden, weer in Constantinopel. Van die vergadering wordt beweerd dat daarin de reïncarnatieleer werd afgezworen omdat de leer van de kerkvader Origenes werd veroordeeld. In dit warme klimaat volgden meerdere door de Heilige Geest geïnspireerde concilies, waarna de grote scheuring in 1054 aanbrak die de Grieks-orthodoxe kerk van de Rooms-katholieke kerk scheidde. En dat allemaal over de vraag of de Heilige Geest niet alleen van de Vader maar ook van de Zoon uitgaat. Welke zoon vragen we ons langzamerhand af. Het negende concilie werd voor het eerst in het westen gehouden, terwijl er twintig zijn geweest in totaal.
 
de waldenzen
Critici die in de middeleeuwen de handel en wandel van de kerk toetsten aan de hand van bijbelteksten, werden daarin fiks tegengewerkt. Het volk zei echter:
 
"Toen de kerken waren van hout, waren de harten van goud.
Maar nu de kerken zijn van goud, zijn de harten van hout."
 
De kerk als institutie, kon zich vanaf de 13e eeuw alleen in stand houden door het op straffe van excommunicatie te verbieden om de bijbel te lezen. Uitzonderingen werden uitsluitend gemaakt in kerkelijk belang. Het hierna volgende verhaal dat ik dankzij een regressie op het spoor kwam, wil ik de lezer niet onthouden. Petrus Waldus leidde in de 12e eeuw een leven van armoede. Tijdens zijn leven heette hij Petrus noch Waldus maar Qui(llaume) Valdes, welke achternaam verwees naar een vallei in de buurt van Lyon waar hij gewoond had. De naam waaronder hij bekend is geworden, werd hem twee eeuwen later gegeven door zijn volgelingen, uiteraard naar de apostel Petrus. Deze Qui leerde van zijn vriend Jean veel over de bijbel die hijzelf niet kon lezen omdat hij het Latijn niet beheerste. Als rijk koopman deed hij afstand van zijn bezit en door beider ascetische levenswijze wisten zij veel armen te bezielen. Een orde werd Petrus door de Paus niet gegund en zijn al te geestdriftige naspeuringen in de bijbel werden verboden omdat hij het rijke leven van de kerk aan de kaak stelde. Zijn beweging van ‘de armen van Lyon’ nam zelfs zo sterk toe, dat de bisschop het als een bedreiging opvatte. Qui en Jean werden om die reden in het diepste geheim opgepakt en gemarteld tot de dood volgde, maar zij herriepen hun ideeën niet. Dit verklaart waarom Petrus Waldus plotseling uit de geschiedenis verdween. De bisschop die dit uiteindelijk niet met zijn geweten in het reine kon brengen, stortte zich naderhand van de bergen naar beneden. Deze beweging leidde tot de vorming van de Waldenzische kerk die in 1947 in Italië bij de wet werd erkend en ruim 30.000 leden telt. Het kan vreemd gaan, maar de wedergeboren stichter leeft vrolijk in ons land verder, aanvankelijk onbewust van wat zijn vorig leven in het verleden had aangericht. Af en toe komt een regressietherapeut wat aardigs op het spoor, want ook die Jean kwam terug en deed naast Qui zijn eigen verhaal. Zelfs de bisschop ging in therapie en deed geheel los van de anderen zijn eigen verhaal. Deze samenloop was niet toevallig, want in veel meer levens waren ze elkaar tegengekomen.
 
de katharen
In dezelfde eeuw leefde het gnostieke gedachtegoed op en verspreidde zich over West-Europa als de beweging der katharen. De Albigenzen uit de stad Albi in Zuid-Frankrijk waren van deze beweging het sterkst georganiseerd. Evenals de Waldenzen uit Lyon streefden zij het armoede-ideaal na, maar omdat de leer der katharen gericht was op het gnosticisme, week hun dualistische leer (het goede tegenover het kwade) sterk af van de kerkelijke drievuldigheid. De stoffelijke schepping werd in die leer als slecht beoordeeld, terwijl het geestelijke goed was. Het Griekse woord katharos dat zuiver betekent geeft de visie weer dat de lagere aandriften overwonnen moesten worden. Hiervan afgeleid is het protestantse begrip ketter dat in de 16e eeuw bedelaar betekende. De katharen noemden zich echter christenen naar de gnostieke betekenis van het woord, wat inhield dat het individu in staat wordt geacht op eigen kracht het christusbewustzijn te verwerven. Dat zij daarom de kerkelijke voogdij met alle macht verwierpen, was daarvan het gevolg. Als reactie op deze beweging werd er een heilige kruistocht georganiseerd, maar alleen de totale uitroeiing bleek voldoende effectief te zijn.
 
na de middeleeuwen
Na een schier eindeloze polemiek over de juiste wijze van vertalen werd in 1546 door het concilie van Trente bepaald dat er een eensluidende katholieke bijbelvertaling moest komen. In het begin van de zeventiende eeuw werd die tekst vastgesteld, maar in de twintigste eeuw bleek die niet meer juist genoeg en werd daarom grondig herzien. Tot aan het concilie van Trente bleef de katholieke kerk consequent het verbod op het bijbellezen handhaven. Dat leidde in de zestiende eeuw tot een Griekse vertaling van Erasmus die Luther gebruikte voor zijn Duitse vertaling. Daarna had een ieder die geen Latijn kende toegang tot de bijbel. Indirect is daar de Reformatorische Statenvertaling uit voortgekomen, waarna varianten ontstonden zoals de Nieuwe Vertaling waarnaar ik geregeld verwijs.

 

   Overzichtspagina