Lemurië  en Atlantis
 
Ervoor, tijdens en daarna
 
 
onbegrijpelijke vondsten
 
 
Onderwaterruïnes in Japan
In 1995 ontdekte een sportduiker bij de zuidkust van de Japanse stad Okinawa in zee een bouwwerk dat zo zwaar begroeid was met koraal, dat hij er niet zeker van was of het werkelijk door mensenhanden was gemaakt. Een jaar later vond een andere duiker daar in de buurt een stenen poort van op elkaar gestapelde steenblokken, die nog volledig in tact was. Op die plaats was er namelijk stroming in het water, waardoor de steenblokken niet door koraalaangroei waren aangetast. Duidelijk was toen dat dit geen natuurlijke rotsformatie kon zijn.
 
 
 
Die vondst leidde ertoe dat beroepsduikers in de nabije omgeving gingen zoeken en meerdere locaties vonden die niet dieper dan 30 meter onder de zeespiegel liggen. Het grootste bouwwerk is ongeveer 72 meter lang, 27 meter breed en 13 meter hoog. Behalve gebouwen waarvan de stijl overal dezelfde is, ontdekte men geplaveide straten, trappen en pleinen. Hoewel niemand het volk kent dat in deze steden geleefd heeft, lijken sommige bouwwerken opvallend veel op een bepaald soort rechthoekige tempel die op Hawaï gevonden wordt. Nog frappanter is dat deze bouwwerken ook lijken op sommige Peruaanse bouwwerken die door de Inca’s gemaakt zijn. Hierover schreef Frank Joseph in zijn artikel ‘Japan’s underwater ruins’ in het tijdschrift ‘Atlantis rising’.
 
Natuurlijk zouden we verwachten dat die gebouwen niet meer dan een paar duizend jaar oud zijn. Maar er zijn geen aanwijzingen voor een recente verzakking van de zeebodem, zodat deze steden gebouwd moeten zijn in een tijd dat de zeespiegel veel lager was dan tegenwoordig. En daarvoor moeten we op zijn minst 10.000 jaar terug naar de ijstijden, toen er veel meer ijs was op de polen. Verder weg naar het zuiden werd bij het eilandje Yonaguni dat ongeveer 65 kilometer uit de kust van Taiwan ligt, ook al op 30 meter diepte een bouwwerk gevonden. En dat monument lijkt weer veel op de tempels van de Azteken in Midden-Amerika. Op zich is dat erg vreemd, omdat men van mening is dat de Incabeschaving en die van de Azteken 1200 n.Chr. tot bloei kwamen, terwijl de daarop lijkende gebouwen veel ouder moeten zijn. Dit valt niet te verklaren, tenzij de theosofische leer juist is, dat de mensheid, bepaalde gebouwen en sommige voorwerpen veel ouder zijn dan de wetenschap verkondigt. Dezelfde opvatting lezen we ook in de oudste Indiase geschriften en de bijbel.
 
Verloren gegane technische vaardigheden
 
Een en ander wordt bevestigd door de vondsten van voorwerpen die getuigen van technische vaardigheden die onze verwachtingen ver overtreffen. Zo vond men in Gizeh bij de grote piramide een paar kommen van dioriet, welke steensoort zo hard is dat die niet met een ander gesteente zoals kwarts bewerkt kan worden. Daarop waren hiërogliefen ingekerfd, waarvan de lijnen 0.16 millimeter breed waren, terwijl ze slechts 0.8 millimeter van elkaar waren gegraveerd. Nog onbegrijpelijker is de vrij recente vondst in China, een beeldje van jade dat minstens 5000 jaar oud is. Daarin ontdekte men een boorgat van 0.15 millimeter, zo klein dat zelfs een hoofdhaar daarin nog niet past. Dit is absoluut onmogelijk als men alleen over de technieken had beschikt die men tegenwoordig aan de oudheid toedenkt.
 
De wetenschap stelt dat de Hittieten er in 1500 v.Chr. voor het eerst in slaagden om ijzer te smelten, waarvoor een temperatuur van 1300o nodig is. Toch hebben twee vooraanstaande wetenschappelijke instituten in de U.S.A., het Smithoninan Institute en het Bureau of Standards, voorwerpen onderzocht die bewijzen dat er 7000 jaar geleden al staal werd gemaakt, terwijl ijzer veel eenvoudiger te vervaardigen is. Want om staal te maken van ijzererts, moet er een temperatuur van 1600o bereikt worden. En dan zijn we er nog niet. Want aan de kust van Ecuador werden platina sieraden ontdekt, terwijl men recentelijk in Bulgarije een 5.000 jaar oude dolk heeft ontdekt die was gemaakt van een legering van goud en platina. Zie de foto hiernaast. En daarvoor moet de nog hogere smelttemperatuur van platina worden bereikt (1770o), die de Europeanen pas in de 18e eeuw hebben gehaald.
 
Bij die voorwerpen gaat het alleen om een hogere temperatuur. Maar in het graf van de Chinese generaal Chow Chu (265-316 n.Chr.) werd een voorwerp gevonden, dat voor 85% uit aluminium bestaat. De elektrolytische methode die men tegenwoordig toepast om aluminium uit de grondstof bauxiet te winnen, werd pas in 1808 ontwikkeld. Het feit dat die productie extreem veel energie kost, dwingt ons om te accepteren dat men in de oudheid in staat was om geweldige hoeveelheden elektriciteit op te wekken. En omdat het vast staat dat de Chinezen daar 2000 jaar geleden niet toe in staat waren, moeten we er wel vanuit gaan dat het aluminium voorwerp veel ouder is. Hetzelfde geldt voor de genoemde objecten van staal en platina, die hoogstwaarschijnlijk duizenden jaren vol eerbied van de ene persoon op de andere zijn doorgegeven, zonder dat men in die tijden nog iets wist van de aard en de productie van die gebruiksvoorwerpen.
 
In 1936 vond men bij opgravingen in Khuyut Rabbou’a vlakbij Bagdad een kruik met een koperen holle cilinder, waarin een ijzeren staaf zat die hoogstwaarschijnlijk dienst had gedaan als elektrode. De randen van de koperen cilinder waren vast gesoldeerd met een mengsel van lood en tin, terwijl asfalt werd gebruikt als isolerende stof. Wat had het voor zin om een batterij te maken, als men vroeger niets wist van elektriciteit? In Peru werden voorwerpen ontdekt die zodanig waren verkoperd en verzilverd, dat het erop leek dat die lagen elektrolytisch waren aangebracht. En nog veel ouder was de geode (een holle steen die aan de binnenkant is bedekt met kristallen) die in 1961 in Californië werd gevonden. Binnenin ontdekte men een rond stuk keramiek met in het midden een laagje metaal van twee mm. Toen men daarvan een röntgenfoto maakte, zag men een zeshoekig metalen omhulsel dat weinig anders kon zijn dan een stenen isolator met een metalen koker. Mogelijkerwijs waren dat onderdelen die de basis vormden van een elektrisch voorwerp. De afdrukken aan de buitenkant waren tenminste 500.000 jaar oud, de binnenkant was nog veel ouder.
 
In de Agastya Samhita, een naar schatting 3800 jaar oud Indiaas manuscript, vinden we de instructies om een batterij te maken. Die tekst is weinig opzienbarend. Maar in datzelfde geschrift lezen we dat die elektrische stroom water kan scheiden in zuurstof en waterstof. Wat dat principe betreft, verwacht men dat we over 20 jaar de eerste bruikbare waterstofauto’s hebben ontwikkeld. Het principe daarachter is eenvoudig. Waterstof reageert in de brandstofcellen op toegevoegde zuurstof en wordt dan omgezet in water. Tijdens dat proces komt er elektriciteit vrij, die kan worden gebruikt om een elektromotor aan te drijven. Dit betekent dat men in de oudheid dus wist dat water door elektriciteit in waterstof en zuurstof kan worden omgezet, terwijl we nu ook weten dat die elektriciteit weer vrij komt, als die waterstof zich opnieuw met zuurstof kan verbinden tot water.
 
In Oostenrijk werd een gepolijste stalen kubus gevonden in een kolenlaag die miljoenen jaren oud is. En al helemaal niet meer te bevatten zijn de bollen die in Zuid-Afrika zijn gevonden in een 2,8 miljard jaar oude laag van pyrofiliet, een mica-achtige mineraalsoort. Deze bollen waren allemaal gemaakt van limoniet, een soort ijzererts, terwijl de bollen zelf veel harder zijn dan het erts. Dat maakt de oorsprong raadselachtig. Het verslag van die bollen vinden we in het boek ‘Forbidden Archeology’ van de auteurs Cremo en Thompson. Voor de leek is de juistheid van deze vondst moeilijk te beoordelen. Zo lezen we ergens dat Cremo als bronvermelding voor deze bollen het tijdschrift ‘Weekly World News’ aangeeft, welk blad gespecialiseerd zou zijn in het brengen van zelfbedacht sensatienieuws. “Overenthousiasme” en verdachtmaking zijn soms heel moeilijk te scheiden.
 
Naast de onzekerheid of bepaalde mededelingen wel juist zijn, is er bij dit soort vondsten nog het interpretatieprobleem, waarvan ik ook een voorbeeld geef. Toen Erich von Däniken de hiernaast staande figuur ontdekte in de Egyptische tempel van Hathor (Denderacomplex), bespeurde hij daarin een gloeilamp met een bij behorende kabel en batterij. Daarmee was het voor hem een uitgemaakte zaak, dat deze figuur bewees dat de oude Egyptenaren gebruik hadden gemaakt van elektriciteit. Volgens de traditionele verklaring van de Egyptologen zien we hier echter een lotus met een slang erin. Welke verklaring is dan juist? Misschien zullen we het nooit weten. Maar zo’n grote onnatuurlijke lotus in die vreemde positie met een dergelijke langdradige wortel lijkt mij het minst realistisch. Een en ander betekent dat we erg kritisch moeten zijn bij de beoordeling van dit soort vondsten. Toch neemt dat niet weg dat talloze vondsten de opvatting ondersteunen dat de mens veel ouder is dan nu gedacht wordt, en zelfs al leefde in het tijdperk van de dinosauriërs.
 
het ontstaan van de Atlantis- theorie
 
De eerste vermelding dat er een oude beschaving is geweest die volledig verloren is gegaan, vinden we in de geschriften van Plato die in de 4de eeuw voor Christus leefde. In zijn boeken Timaios en Kritias beschrijft hij een gesprek tussen Solon en enkele Egyptische priesters uit Saïs. Die stad die nu Sa el-Hagar heet, was in de 6de eeuw v.Chr. de Egyptische hoofdstad, gelegen in de delta van de Nijl. Solon, één der zeven wijzen uit de oudheid en de eerste wetgever van Athene, had zijn volk laten zweren dat zij de door hem ingestelde wetten gedurende de eerste tien jaren niet zouden wijzigen, waarna hij op reis was gegaan (570- 560 v.Chr.). Hij belandde toen in Egypte, waar de priesters de Griekse staatsman vertelden dat er 9000 jaar geleden een belangrijk eilandenrijk was vergaan in de Atlantische Oceaan. Dat rijk dat Atlantis werd genoemd, was 3000 stadiën lang (575 km) en 2000 stadiën breed (380 km) en daarmee groter dan Klein-Azië (een deel van Turkije) en Libië (een deel van N.Afrika) samen. Verder werd hem gezegd dat het eiland voorbij de zuilen van Hercules (de rotsen van Gibraltar en het Atlasgebergte in Marokko) lag in de Atlantische Oceaan. Dit gesprek had Plato gehoord van zijn grootvader Kritias, die dat weer vernomen had van zijn voorvader Dropides, die familie en vriend was van Solon. De Egyptische priesters hadden destijds het volgende gezegd.
 
Solon, jullie Grieken zijn altijd kinderen gebleven. Een oude Griek bestaat niet, want in uw zielen bezit ge geen greintje geloof dat van oudsher door de traditie is overgeleverd en geen wetenschap die met de tijd is gerijpt. In de loop van de geschiedenis is de mensheid herhaaldelijk met totale ondergang bedreigd en zo zal het blijven. Bij u wordt het verhaal verteld hoe Faëton, de zoon van Helios, toen hij de wagen van zijn vader had ingespannen en niet bij machte was die in de baan van zijn vader te houden, alles op aarde verbrandde en zelf door de bliksem werd getroffen. Dit wordt verteld als een sprookje, maar de ware toedracht is de afwijking van de hemellichamen die zich om de aarde bewegen, en de met grote tussenpozen voorkomende vernietiging van alles wat op aarde is door machtig vuur. In ons land brengt de Nijl dan redding door uit te zwellen. Ook reinigen de goden de aarde door overstromingen.
 
Daarom beschouwt men wat hier bewaard is gebleven als zeer oud. Als er ooit ergens dingen zijn gebeurd, waarvan wij weten dat zij roem of eer opleverden, of iets anders dat de moeite waard was, is dat allemaal van oudsher hier opgeschreven en bewaard in de tempels. Bij u en andere volken is keer op keer het schrift uitgevonden en al het andere dat nodig is in een staat. En dan barstte opnieuw na het gebruikelijke aantal jaren de onvermijdelijke zondvloed los, en bij u bleven alleen ongeletterden en onontwikkelden over, zodat ge er weer opnieuw voorstond als een kind zonder iets te weten van wat in dit en uw land in vroeger tijden is gebeurd. Daarom zijn in feite uw afstammingsmythen nauwelijks meer dan sprookjes. Om te beginnen herinnert ge u maar één zondvloed, terwijl er daarvoor al vele geweest zijn.
Solon
 
In die tijd lag er een eiland voor de zuilen van Hercules, groter dan Klein-Azië en Libië samen. Reizigers van toen konden van daar naar de andere eilanden oversteken en zo naar het gehele tegenoverliggende continent dat de oceanen omsloot. Later waren er ongekende aardbevingen en overstromingen en toen kwam het afgrijselijke etmaal waarin alle strijders uit Athene ineens door de aarde zijn verzwolgen. Ook het eiland is door de zee opgeslokt en verdwenen. Daarom is de zee daar ontoegankelijk. Er ligt een geweldige hoop modder in de weg. Die wierp het eiland op toen het verzonk.
 
En Solon, vóór de grootse zondvloed muntte de stad die nu Athene heet uit in oorlog voeren, en was zij onovertroffen in wetgeving op elk gebied. Vele indrukwekkende en opmerkelijke feiten zijn over die stad van u opgeschreven. Maar één ervan is wel bijzonder groots en heldhaftig. De geschiedenis vertelt dat uw stad op een keer een geweldige troepenmacht tot staan heeft gebracht die komend vanuit de richting van de Atlantische Oceaan met veel bravoure tegen heel Europa en Klein-Azië optrok. Op het eiland Atlantis bestond een machtig en indrukwekkend verbond van koningen die heersten over het hele eiland. Bovendien voerden zij nog de heerschappij over Libië tot aan Egypte.
 
Op een gegeven moment maakte de hele troepenmacht, in één leger verzameld, zich op om het hele gebied bij u en bij ons en alles wat binnen de zeestraat ligt in één klap te onderwerpen. Toen heeft de hele wereld kunnen zien tot wat voor moed en kracht uw stad in staat was, want qua moreel en krijgskunde overtrof zij alle volkeren. Eerst als aanvoerder van de Grieken en later, toen zij alleen kwam te staan omdat anderen haar in de steek lieten, heeft zij de grootste gevaren getrotseerd, de binnendringers overmeesterd en gezegevierd. Ons allen die aan deze kant van de zuilen van Hercules wonen (rondom de Middellandse Zee) heeft zij in één groots gebaar bevrijd. Later waren er ongekende aardbevingen en overstromingen, en toen kwam het afgrijselijke etmaal waarin al uw strijders ineens door de aarde zijn verzwolgen. Ook het eiland Atlantis is door de zee opgeslokt en verdwenen.”
 
Deze tekst geeft ondubbelzinnig aan dat het eiland Atlantis zo groot geweest moet zijn als Ierland, terwijl dat ergens midden in de Atlantische Oceaan heeft gelegen. Later heeft men daarvan de hiernaast staande geografische schets gemaakt. Of die klopt, weten we natuurlijk niet. Wel weten we dat Plato in dit opzicht door de moderne wetenschap niet serieus wordt genomen. Dat blijkt bij voorbeeld uit het feit dat men dit verslag als een verzinsel opvat en meent dat hij het piepkleine Griekse eilandje Santorini (Thera) bedoeld moet hebben. Nu is de oppervlakte daarvan ongeveer 76 m2, maar vroeger was dat iets groter, terwijl Plato een gebied had aangegeven dat 3000 maal zo groot was.
 
Bij dat oordeel baseert men zich onder anderen op teksten die suggereren dat de oude Grieken geloofden dat de aarde een platte schijf is, waardoor zij de veilige Middellandse Zee niet durfden verlaten. Buiten deze groteske onderschatting van de kennis uit de oudheid, gaat men “gewetenloos” voorbij aan het heilige ontzag dat alle ingewijden hadden voor de overleveringen uit de oudheid. Alleen al daardoor is het ondenkbaar dat Plato een dergelijk verhaal kon verzinnen. Zoiets kan alleen worden bedacht door mensen die evenals de oude Grieken nog niet beschikken over een wetenschap die met de tijd is gerijpt. Daar komt nog bij dat ook Plato naar Egypte is gegaan. En dat maakt het aannemelijk dat hij het verslag van de alom gerespecteerde Solon gebruikte om zijn eigen kennis over Atlantis te maskeren. Daarmee doel ik met name op het geheime gedeelte daarvan, dat men in die tijd niet mocht openbaren.
 
Plato was overigens niet de enige die in zijn tijd verwees naar Atlantis. Zo lezen we in de veel oudere Odyssee van Homerus dat er een volk had bestaan dat de naam Atlantes droeg. Ook Herodotus, een Grieks geschiedschrijver uit de 5de eeuw v.Chr. sprak over de Atlantes, een West-Afrikaans volk dat zijn naam gegeven had aan het Atlasgebergte. En Apollonius van Rhodos die in de 3de eeuw v.Chr. bibliothecaris was in Alexandrië*, schreef: “Met al hun kracht overwonnen ze de stroming. 's Avonds gingen ze aan land op het eiland Atlantidn. Orpheus vroeg hun dringend om de riten van het eiland niet te verstoren, evenmin als de geheimen, de wetten, de zeden en de heilige werken. Alleen dan zouden ze zich op de gevaarlijke zee kunnen verzekeren van de steun des hemels (Poseidon). Meer durf ik over deze dingen niet te zeggen.
 
* Hij was de vierde bibliothecaris van deze beroemde toen nog niet verwoeste bibliotheek, die naar schatting zo’n 700.000 werken uit de oudheid had opgeslagen.
 
Verder verklaarde een zekere Aelianus in de 2de eeuw v.Chr. dat Theopompus, een vriend van de grote veroveraar Alexander de Grote, een gesprek had afgeluisterd tussen koning Midas van Frygië en de wijze Silenus. Daarbij zinspeelde de laatste op een groot vasteland (Meropis) dat ooit aan de andere kant van de oceaan had gelegen. De inwoners van die tijd zouden tweemaal zo groot en tweemaal zo oud zijn geworden als tegenwoordig. In dat gebied waren vele steden waaronder Eusebes en Machimos. In Eusebus was het leven overvloedig en de mensen leefden gelukkig, terwijl Machimos constant streed met de naburige naties.
 
Poseidon
Diodorus die ten tijde van Caesar en keizer Augustus leefde, schreef dat de Atlantiërs zich erop beroemden dat alle goden in hun land waren geboren. Dat Uranus naar zijn zeggen hun eerste koning was geweest, sluit aan bij de opmerking van Plato dat de geschiedenis van Atlantis begint bij de verdeling van het grote continent door Neptunus, die de kleinzoon was van Uranus. Tot slot verwees de neoplatonist Proclus in de 5de eeuw n.Chr. naar een schrijver uit de oudheid, die had opgetekend dat er voorbij de zuilen van Hercules een groep eilanden lag. En op één eiland in de Atlantische Oceaan circuleerde destijds de overlevering dat een groot eiland, Atlantis geheten, die eilandengroep had beheerst. Ik kom daarop nog terug, omdat de Egyptische chronologie vermeldt dat er in de oertijd (naast de gewone nog zeer primitieve mensen) goden op de aarde waren. Daarna bleven de halfgoden en uiteindelijk "alleen nog maar" de koningen over. En bij die mensen die op een bepaald moment ook niet meer incarneerden, denken we dan aan Uranus, Neptunus (Poseidon), Hercules, Hermes enz.
 
Deze kennis van Atlantis ging verloren na de ondergang van Rome. De herhaalde verwoestingen van de grote bibliotheek in Egypte was daarvan misschien wel de hoofdoorzaak. In de late Middeleeuwen raakte men in het westen geïnteresseerd in de leringen van de Grieks-Romeinse oudheid, waardoor de werken van Plato opnieuw onder de aandacht kwamen. En daarmee kwam vanzelf het bestaan van Atlantis weer ter sprake. Als gevolg daarvan legden sommige mensen na de ontdekking van Amerika een verband tussen De Nieuwe Wereld en Atlantis, zonder daar iets mee te kunnen doen. In die tijd, toen Amerika werd ontdekt door Columbus, noemden enkele inheemse stammen dat land Atlanta. De Azteken die door de Spanjaard Cortez werden uitgemoord, beweerden dat hun volk afkomstig was van een land uit het noorden dat zij Aztlan noemden. De Tolteken spraken van Atlan of Aztlan. En de Popol Vuh van de Maya’s noemt de plaats Atitlan, gelegen tussen de gelijknamige vulkaan en dito meer. De Parias tenslotte, een blanke Indianenstam, woonde vroeger in het dorpje Atlan in Venezuela. Zij bezaten een overlevering van een natuurramp die hun eiland in de oceaan had verwoest. Hieruit blijkt dat deze volkeren veel ouder moeten zijn dan de 13de eeuw n.Chr. wat nu gesteld wordt.
 
        
         Donnelly                     Blavatsky
Een zeer belangrijk moment in dit verband was het jaar 1882 toen Ignatius Donnelly zijn boek ‘Atlantis, The Antediluvium World’ liet publiceren. Daarin toonde hij aan dat er een opmerkelijke overeenkomst is tussen Europa en Amerika aangaande de bouwstijl van oeroude bouwwerken, overgeleverde mythologische verhalen, oude tekens (hiëroglyfen) en astrologische opvattingen. Omdat Darwin net vóór hem had ontdekt dat er een opvallende gelijkenis bestaat tussen de fossielen die gevonden zijn in Afrika én in Zuid-Amerika, veronderstelde Donnelly dat er ooit een verbinding geweest was tussen die beide continenten. In zijn boek schreef hij:
 
Indien onze kennis van Atlantis groter was, zou ongetwijfeld blijken dat in elk opzicht waarin de bevolking van Europa overeenkomst vertoont met de bevolking van Amerika, zij beide overeenkomen met de bevolking van Atlantis. Die overeenkomst blijkt te bestaan in de bouwkunst, de beeldhouwkunst, de scheepvaart, de graveerkunst, de schrijfkunst, het gevestigde priesterschap, de manier van eredienst, de landbouw en de aanleg van wegen en kanalen. Het is redelijk te veronderstellen dat dezelfde overeenkomst zich over alle kleinere details uitstrekte.”
 
Het was echter niet Donnelly maar Blavatsky, een Russin die in het Tibetaans boeddhisme was ingewijd, die de grootste invloed had bij de vestiging van de aandacht op Atlantis. Zij voerde de naam Lemurië in, de beschaving der eenogige cyclopen die volgens die Tibetaanse leer aan Atlantis vooraf was gegaan. In haar mythologisch zeer goed onderbouwde boek ‘De geheime leer’ ging deze grondlegster van de theosofie dwars in tegen de traditionele opvatting van de geschiedkundigen, die alle mythologische verhalen en overleveringen toen afdeden en ook nu nog fdoen als sprookjes.
 
Deze voorgangers werden opgevolgd door een niet aflatende reeks onderzoekers, die zich niet lieten afschepen met de geijkte traditionele wetenschappelijke verklaringen. Maar even kortzichtig als veel archeologen zich vasthouden aan onhoudbare opvattingen, bedenken veel alternatieve onderzoekers alles wat er in hun kraam te pas komt. Mede daardoor is er een tweespalt ontstaan, die in een bepaald opzicht te vergelijken is met de strijd tussen de reguliere en de alternatieve geneeskunde. Ook die strijd zal door niemand worden gewonnen. De integratie heeft alleen veel tijd nodig.
 
betekenis van de namen LEMURIë EN ATLANTIS
 
Lemurië
De naam Lemurië is gelanceerd door de Engelse bioloog Sclater, die tussen 1850 en 1860 tot de conclusie kwam dat er vroeger tussen Madagaskar, Ceylon (Sri Lanka) en Sumatra een continent gelegen moest hebben op de plaats waar nu de Indische Oceaan ligt. Op die manier verklaarde hij het vreemde verschijnsel dat sommige diersoorten op meerdere plaatsen rond de Indische Oceaan voorkomen. Dat veronderstelde gebied vernoemde hij naar de lemuren, een halfaap met een spitse snuit, die eveneens in enkele gebieden rond de Indische Oceaan voorkwam. Blavatsky deelde die opvatting en nam die naam over, maar beperkte zich niet tot het “grondgebied” van de Indische Oceaan. Zij ging er vanuit dat delen van Lemurië ook hadden gelegen tussen Australië en Amerika. Wat dat gebied betreft, vermeldde Churchward in zijn lezenswaardige boek ‘Het verloren werelddeel Mu’ de hieronder staande tekening.
 
Om het mogelijke verband tussen de namen Mu en Lemurië te vinden, moeten we terug naar de Romeinse tijd. Lemuria was toen de naam van een reusachtig eilandkoninkrijk dat overzee in het Verre Oosten (Indische Oceaan) gelegen zou hebben en na zijn verzinking de woonplaats was geworden van de verontruste Romeinse zielen. Die overlevering had ertoe geleid dat Lemuria in het oude Rome een jaarlijks ritueel was geworden, uitgevoerd door het hoofd van elk huishouden, met het doel om de geesten van de overledenen te kalmeren. Deze ceremonie was ingesteld door Romulus als boetedoening voor de moord op Remus, welke broeders beschouwd worden als de stichters van Rome. In de vroege 19de eeuw, toen de Engelse biologen een naam zochten om de primitieve boomprimaten te beschrijven die in Madagaskar werden gevonden, kozen zij daarvoor de term lemuren, omdat die halfapen grote schitterende ogen hebben, vergelijkbaar met de ogen van de onrustige zielen uit Lemuria, zoals die in de Romeinse mythe zijn beschreven.
 
Opvallend is dat de namen van de beide broers werden uitgesproken met het accent op de tweede lettergreep: Ro-MU-lus en Re-MU-s. Dit suggereert dat er tijdens hun leven een verband was tussen de namen Lemuria en Mu. Maar misschien is dat te ver gezocht. Toch blijkt uit meerdere dingen dat de naam Mu in de oudheid op verschillende plaatsen bekend is geweest. Zo wordt de eerste keizer van Japan herinnerd als Jim-MU, terwijl zijn directe nakomeling Ka-MU, één van de legendarische stichters was van de Japanse maatschappij. Een andere voorouderlijke keizer was Tem-MU. In dat verband is het opvallend dat er in het noorden van Japan een rivier loopt met de naam Mu. Die rivier was heilig, omdat die de eerste halfgoddelijke wezens in het land vervoerde. In het Japans en Koreaans betekent het woord ‘Mu’ overigens “dat wat niet (meer) bestaat”.
 
De naam Mu die volgens Churchward ‘moeder’ betekent, afgeleid van ‘moederland’, vinden we ook terug in het Troana manuscript, een Mayaboek dat in Yucatan (Mexico) is geschreven. De naam Mu is daarin geschreven met dezelfde symbolen die we in India, Birma en Egypte aantreffen. Ook in de codex Cortesianus, een ander Mayaboek, komen we die naam tegen. Veel verder op de eilanden in de Stille Oceaan werd het steeds terugkerende verhaal vernomen van een verdwenen moederland. Op Kaua’í vertelden de bewoners over de Mu die in een grijs verleden aankwamen vanaf een drijvend eiland. Het belangrijkste voorouderlijke verhaal bij de bewoners van Hawaï was de Ku-MU-lipo, waarin melding wordt gemaakt van een verschrikkelijke vloedgolf die de wereld lang geleden verwoestte. En tenslotte is het opvallend dat alle geschriften uit Azië zeggen dat het moederland Mu in het oosten lag, terwijl de Amerikaanse geschriften spreken van een land dat in het westen lag. Mu moet zodoende een gebied zijn geweest in de Stille Oceaan.
 
Opvallend is dat de golflijntjes van de letter M(u) in het verleden altijd symbool stonden voor water. Tenslotte is mu ook nog de 12e letter van het Griekse alfabet. Hoewel de juistheid ervan wordt aangevochten, plaatste Churchward het Griekse alfabet in een geheel andere context dan gebruikelijk. Hij schreef dat de Griekse taalkundigen het Atheense alfabet in 403 v.Chr. (Plato was toen 24 jaar oud) hadden herschikt in de tegenwoordige vorm, terwijl het Oudgriekse alfabet uit Maya-woorden was samengesteld, woorden die een heldendicht vormden over de vernietiging van Mu. Of dit juist is of niet, wonderlijk is in elk geval wel de samenhang tussen het Griekse alfabet en de Maya-talen. Daarom heb ik die interpretatie in zijn geheel overgenomen, waarbij naast de Griekse letters de Cara-Maya betekenis staat die de letters oorspronkelijk zouden representeren. De Cara-indianen leefden destijds in Ecuador en zijn toen door de inca's overwonnen. Het is opvallend hoeveel Japanse woorden met die Cara-taal en de Inca-taal overeenkomen.
 
Grieks
Alfa
Beta
Gamma
Delta
Epsilon
Zeta
Eta
Theta
Iota
Kappa
Lambda
Mu
Ni
Xi
Omikron
Pi
Rho
Sigma
Tau
Upsilon
Phi
Chi
Psi
Omega
Cara-Maya
al-páa-ha
be-ta
 am-ma
 tel-ta
ep-zil-on-om
ze-ta
 et-ha
thetheha-ha
io-ta
ka-páa
lam-be-ta 
Mu
ni
xi
om-ik-le-on
pi
la-ho
zi-ik-ma
ta-u
u-pa-zi-le-on
pe-hi
chi
pe-zi
o-mec-ka
Vertaling
Hevig breken de wateren
zich uitbreidend over de vlakten.
Zij bedekken de landen
in lage plaatsen waar
belemmeringen zijn, schorren vormen en draaikolken
strijken over de aarde
met water.
De wateren spreiden
over alles wat leeft en beweegt.
Belemmeringen bezwijken en
ondergedompeld is het land
Mu.
Alleen pieken.
verschijnen boven de wateren.
Wervelwinden waaien rondom
en beetje bij beetje
totdat er komt
koude lucht. Vroeger
waar valleien bestonden, zijn
nu afgronden en koude diepten. Rond de steden
is modder gevormd.
Een mond
opent, dampen
komen op en vulkanisch bezinksel.
                  
Deze opmerkelijke overeenkomst tussen het oudste Griekse alfabet dat in het jaar en de taal van de Cara indianen is in wetenschappelijk opzicht onmogelijk, omdat de wetenschap de theorie verwerpt dat er in oude tijd contact is geweest tussen Europa/Afrika, Amerika en Azië. Er zijn echter talrijke vondsten die bevestigen dat die contacten er wel zijn geweest. Zo heeft men ontdekt dat er overeenkomst is tussen de taal der Micmac indianen (Oost-Canada) en het Baskisch. Die taal kwam in de 16de eeuw ook overeen met de taal van sommige Zuid-Amerikaanse stammen. Daardoor konden Spaanse missionarissen in het gevolg van Cortez, de vernietiger van de Azteekse beschaving, zich soms in hun eigen taal verstaanbaar maken. Verder beschrijft Plato het een en ander over de Midden- en Zuid-Amerikaanse landbouw. Hoe kan dat? En hoe verklaren we de sporen van Amerikaanse cocaïne die zijn gevonden in een aantal Egyptische mummies?
 
Atlantis
Niemand weet meer wat de oorspronkelijke betekenis was van de naam atlantis. Maar enig spitwerk maakt het een en ander misschien toch iets duidelijker. Om te beginnen is er een opvallende overeenkomst tussen de begrippen At-lantes, het volk dat in de Odyssee wordt genoemd, de god At-las en de stad At-tica uit het oude Griekenland die nu At-hene heet.
 
   
        Atlas                          Athena
Het goddelijke element daarvan vinden we terug in de god Atlas, de godin Athena, het begrip At-ziluth wat de goddelijke sfeer is van de kabbalisten en het Indiase begrip at-man, de goddelijke geest. Mogelijkerwijs komt zelfs de naam A(t?)z-oren daar vandaan, de eilandengroep die midden in de Atlantische Oceaan ligt. In dat verband zou die naam naar het eiland verwijzen waar goddelijke ofwel zeer hoogontwikkelde mensen hebben gewoond. Verder lijkt het erop dat de relatie tussen God en de Vader ertoe heeft geleid dat het voorvoegsel ‘At’ in de loop der tijd de medebetekenis van vader heeft gekregen. Denk daarbij aan At-tila, de gevreesde “god-vader” van de Hunnen of Ata-türk, de vader der Turken. In het Hebreeuws is dat ab-ba. In de bijbel lezen we: “En de stadhouder zeide tot hen: Welke van deze twee wilt gij, dat ik u zal loslaten? Jezus of Barabbas. En zij zeiden: Barabbas”. (Matt 27:20, 21). De naam van deze moordenaar betekent ‘zoon van God’, wat de vraag doet ontstaan of de optekenaars van dit verhaal wel begrepen wat ze opschreven.
 
De Azteken die in de 12de eeuw in Mexico verschenen, beweerden zoals gezegd afkomstig te zijn van een land uit het noorden dat Aztlan heette. Bij de Nahuatl-Indianen is “atl” water en oorlog, terwijl Atlan zoiets betekent als “aan de oevers gelegen, midden in het water.” Nahuatl is de taal die gesproken werd door de Azteken, maar nu nog de belangrijkste Indiaanse taal is in Mexico. Woorden als avocado, chocolade, coyote en tomaat komen daar vandaan. In dat verband is opvallend dat er in Mexico veel plaatsnamen zijn, waarin de wortel atl(an) voorkomt. Dat zijn bijvoorbeeld Atlán, Autlán, Mazatlán, Cihuatlán, Cacatlán, Tecaltitlán, Tihuatlán, Atitlán, Zapotlán, Minititlán, Ocotlán, Miahuatlán, Tecaltitlán, Tepatitlán, Tihuatlán of Texiutlán.
 
Naast de namen Lemurië en Atlantis kennen we ook de naam Pangaea, welk begrip hiermee niets te maken heeft, omdat het voortkomt uit de wetenschappelijke opvatting dat al die grote rampen zich nooit hebben voorgedaan. Conform de theorie van Wegener neemt men aan dat de werelddelen Amerika, Afrika en Europa geleidelijk en rustig uit elkaar zijn gedreven, waarbij het vaste land vroeger één eiland was, Pangaea genoemd (pan is alles, Gaia is aarde).  Dat daarvoor iets te zeggen valt, blijkt uit het feit dat Europa/Afrika en Amerika vrij aardig aan elkaar passen, als ze tegen elkaar geschoven worden. De veronderstelling dat Lemurië en Atlantis hebben bestaan, veronderstelt echter dat er meerdere rampen zijn geweest van zo’n geweldige omvang, dat complete werelddelen zijn verzonken en weer opgekomen. Dat betekent dat de Pangaea-theorie niet te rijmen valt met het bestaan van Lemurië en Atlantis.
 
Lemurië en/of Atlantis?
 
De naam Mu die even bekend is als Lemurië, wordt daaraan doorgaans gelijkgeschakeld, terwijl er evenmin onderscheid wordt gemaakt tussen Lemurië en Atlantis. Even gemakkelijk spreekt men dus van Atlantis, Mu of Lemurië. Het enige verschil is topografisch van aard. Want Atlantis plaatst men in de Atlantische Oceaan, terwijl Mu en Lemurië in de Indische Oceaan en de Pacific worden gedacht. Dat is verwarrend, temeer daar er qua bouwstijl een wezenlijk verschil is tussen de bouwwerken met gewone afmetingen en die bouwwerken die door hun hoogte en omvang door reuzen gemaakt lijken te zijn. De zonnepoort in Tiahuanaco (Bolivia) is daarvan een voorbeeld, wat ook geldt voor de ontzagwekkende stenen uit Carnac. Alleen al dat verschil in bouwstijlen vereist dat we daarbij een fundamenteel onderscheid maken. Dit lesmateriaal onderschrijft de visie van Blavatsky dat die gigantische bouwwerken onwaarschijnlijk oud zijn. Daardoor heeft de tand des tijds daaraan zo geknaagd, dat niets meer verwijst naar de mensen die ze oorspronkelijk gebouwd hebben. Blavatsky onderscheidde in dat opzicht Lemurië van Atlantis en gaf de naam Lemurië aan de beschaving die aan Atlantis vooraf was gegaan. In dat verband waren de Lemuriërs cyclopische eenogige wezens, de reuzen van de oudheid die alle grote bouwwerken neer hebben gezet. De latere Atlantiërs waren veel kleiner en uiteindelijk zelfs “normaal” van postuur.
 
Bij de verkondiging van deze opvatting doet zich het bijna onoverkomelijke probleem voor, dat de invloed van de theosofische leer op de Atlantis-visie behoorlijk groot is, terwijl die leer een andere tijdindeling kent dan de moderne wetenschap, waardoor de overgang van Lemurië naar Atlantis niet gedateerd kan worden. Blavatsky stelde bijvoorbeeld dat de mens als stoffelijk wezen 18½ miljoen jaar geleden tot ontwikkeling kwam, terwijl ze ook schreef dat de Lemurische oermens al in het secondaire tijdperk leefde (Trias, Jura en Krijt), samen met de reuzenhagedissen. En daarvan weten we dat die volgens de wetenschappelijke tijdberekening 65 miljoen jaar geleden zijn uitgestorven, tijdens een ramp die zo desastreus was dat de aarde er totaal door veranderde. Daarmee eindigde het secondaire ofwel tweede tijdperk, waarna het tertiaire ofwel derde tijdperk aanbrak. De helderziende waarnemingen die mijn vrouw in Carnac heeft gedaan, bevestigden mijn vermoeden dat de reusachtige cyclopen door die ramp bijna zijn uitgestorven, terwijl de overlevenden langzamerhand evolueerden tot de veel kleinere tweeogige mens uit Atlantis. Hieruit leid ik af, dat de grootste zondvloed die we in alle mythen tegenkomen 65 miljoen jaar geleden plaatsgreep, waarna het nog vele miljoenen jaren duurde voordat de Atlantische beschaving tot bloei kwam die ook vele miljoenen jaren heeft gebloeid. Deze visie wijkt radicaal af van de moderne opvatting, maar sluit naadloos aan bij de Indiase veda’s, de oudste mythen en alle onbegrijpelijke archeologische vondsten.
 
de eerste mens(en) op aarde
 
Hierna gaan we op zoek naar de oudste mens op aarde en volgen die ontwikkeling dwars door het Lemurische en Atlantische tijdperk heen tot aan het heden. Daartoe haal ik enkele teksten aan uit de Popol Vuh, het heilige boek van de Mexicaanse Maya’s en plak die aan elkaar, waarna we ze vergelijken met de bijbel en een mythe van de Eskimo’s. Deze teksten komen dus uit Azië, Noord- en Midden-Amerika, in welke tijd de mens volgens de wetenschap nog niet over de wereldzeeën voer. Maar hoe verklaren we dan al die opmerkelijke overeenkomsten? We beginnen hierna met het scheppingsverhaal.
 
Popol Vuh (Mexico)
Tepëu en Gucumatz spraken over licht en duister. Het geschiede. De leegte vulle zich! Wijk jullie wateren opdat de aarde kan opstijgen en vast worden. Het worde licht. De wateren deelden zich. Daarna schiepen zij het wild en de vogels.
 
De bijbel Genesis 1:1-6 (Azië).
De aarde was woest en ledig. En God zei: Er zij licht en er was licht. God noemde het licht dag en de duisternis noemde hij nacht.  Daarna maakte God een scheiding tussen de wateren en de wateren. En God zei: Dat de wateren op een plaats samenvloeien en het droge te voorschijn kome. En God noemde het droge aarde. En God zei: Dat de aarde jong groen voortbrenge (3de dag) en levende wezens naar hun aard (5de dag).
 
Dit universele verslag uit de oudheid heeft zowel een symbolische als een letterlijke betekenis. In de letterlijke betekenis wordt er gezegd dat de aarde na een beginfase van eeuwige regen uit de wateren te voorschijn kwam. Daartoe deelden de wateren zich in de waterdamp in de lucht (de wateren boven uit Gen. 1:6-7) en de zeeën en rivieren die over de aarde gingen stromen (de wateren beneden). Het landoppervlak werd toen droog, op welk moment de mens nog niet was geschapen. Hoe konden deze mensen uit de oudheid dat weten, terwijl de westerse mens anderhalve eeuw geleden nog geloofde dat God de wereld in zes dagen had geschapen? Deze verslagen gaan daarna verder.
 
De bijbel (Gen. 2:5-7, 2:19-20, 3:7 en 3:21)
Toen er nog geen veldgewas en kruid des velds was ontsproten, formeerde God de mens van stof uit de aardbodem. En God zeide dat het niet goed is dat de mens alleen is. En de Here God formeerde uit de aardbodem al het gedierte des velds. En hij bracht het tot de mens om te zien hoe deze het zou noemen. Nadat zij (Adam en Eva) in de Hof van Eden van de vrucht (de verboden appel) hadden gegeten, ontdekten zij dat ze naakt waren en hechtten vijgenbladeren aaneen. Daarna maakte de Here God klederen van vellen en bekleedde ze daarmee.
 
Popol Vuh
Nadat die schepping was voltooid, spraken de verwekkers aldus: Laat een ieder spreken naar zijn eigen aard. Maar de dieren konden niet spreken als mensen, waarna de verwekkers zeiden dat het niet goed was. Wij zullen jullie vervangen door anderen die wel bereidwillig zijn. Toen ging het om een nieuwe poging om de mens te scheppen. Uit aarde maakten zij toen het vlees van de mens, maar het was te week. Het sprak, maar had geen verstand. Opnieuw vernielden zij het werk van hun schepping en schiepen wezens van hout. Deze spraken (al wel) als mensen, maar hadden (nog steeds) geen verstand. In hen was niets vasts, geen vlees, geen bloed. Het was maar een ontwerp, een poging tot mens. Deze vormen van hout werden vernietigd. Daarna schiepen zij mensen van vlees. Men zegt dat de apen hun nakomelingen zijn. Daarom lijkt de aap op de mens, als herinnering aan een schepping van mensen die niets anders waren dan poppen van hout.
 
Een mythe van de Eskimo’s
Hij zat op zijn hurken in het donker. Hij was helemaal alleen op de aarde, toen hij plotseling tot bewustzijn kwam en zichzelf ontdekte. Wie was hij? Alles om hem heen was donker. Waar hij ook voelde, alles was leem. Hij vond zijn gezicht en voelde dat hij een neus had, ogen en een mond, armen en benen. Hij was een menselijk wezen- een man. Hij betastte zijn voorhoofd en trof daar een harde kleine knobbel aan. Waarom zat die daar? Hij had er geen vermoeden van dat hij voorbestemd was eens een raaf te worden en dat die knobbel dan tot snavel zou uitgroeien. Daarna ontdekte hij dat het voorwerp dat hij in de grond had geduwd wortel had geschoten. Er was een boom uit de grond omhoog gerezen, de naakte aarde had haren gekregen.
 
VERKLARING
 
Deze mens in het donker en Adam (bijbel) waren er al, toen er nog geen planten en dieren waren. Zij waren geen echte mensen, maar symboliseerden de oerbron waaruit alle levensvormen zijn ontstaan. Daarom plantte de mens de eerste begroeiing op aarde, waarna de dieren en echte mensen kwamen. In de bijbel lezen we dat God uit de oerbron (Adam Kadmon) een rib haalde, waarna Adam en Eva in het paradijs tot ontwikkeling kwamen en daarna in de stof vielen (incarneerden). Die wordende mens moest echter verschillende fasen doormaken, voordat de mens ontstond zoals we die kennen. Eerst ontstonden de mensen van hout (Popol Vuh), ofwel de mens die vijgenbladeren omschortte (bijbel); dat was de mens in zijn plantaardige ofwel vegetatieve ontwikkelingsfase. Daarna ontstond de mens van vlees (Popol Vuh) en de mens met dierenvellen (bijbel); de mens in zijn dierlijke ofwel animale ontwikkelingsfase. Pas daarna ontstond de werkelijke mens.
 
Wie het scheppingsverhaal van de Popol Vuh goed leest, zal opmerken dat de mens van vlees pas na de vierde poging tot ontwikkeling kwam. Daarmee werd bedoeld dat de voorgaande menstypen nog niet stoffelijk waren. Dat waren ijle onzichtbare vormen waaruit in eerste instantie het stoffelijk-cyclopische menstype is ontstaan, de bijbelse reuzen (nephilim) uit de oertijd (Genesis 6:4). Deze harige schepsels (uit Lemurië) paarden na de grote zondvloed met vrouwelijke diersoorten, die nu al heel lang geleden zijn uitgestorven. Als gevolg daarvan brachten die nephilim mensen voort zonder spraak, ‘monsters’, zoals de stanza’s zeggen. Deze stanza’s (dichtregels) zijn de oeroude verzen waarop het esoterisch boeddhisme in Tibet en daarmee de theosofische leer is gegrondvest. Zie 'De Geheime Leer' van Blavatsky. De Popol Vuh spreekt in dat verband niet van monsters, maar van de apen die uit de mens zijn voortgekomen. Die reuzen ontwikkelden zich na verloop van tijd tot de tweeogige wezens uit Atlantis die veel kleiner waren. Omdat de mensapen uit de mens zijn ontstaan, is de ontbrekende schakel tussen de aap en de mens nooit gevonden. En die schakel zal volgens de theosofie ook nooit gevonden worden, omdat wij niet uit de apen zijn ontstaan, maar een geheel eigen evolutie hebben gevolgd. Ook de Hopi-Indianen spreken van vier scheppingen en vernietigingen van de mens, welke opvatting overeenkomt met de leer uit Tibet die wij dus kennen als de theosofie. Die leer werk ik hierna verder uit.
 
Het eerste ras dat niet kon praten
 
In de Popol Vuh lezen we dat God aanvankelijk een mens schiep die geen vlees en geen bloed had, terwijl die ook nog niet kon praten. Overal in de wereld komen we dit ras tegen onder andere namen. George Smyth verzamelde in de 19de eeuw enkele opgegraven brokstukken van de Chaldeeuwse* tafelen, waarop de Babylonische scheppingslegende was opgetekend.
 
*  De Chaldeeën waren het Babylonische volk van astrologen in Mesopotamië. De drie wijzen uit het oosten die de ster van Bethlehem volgden om de pas geboren Jezus goud, mirre en wierook te brengen, werden gedacht daar vandaan te komen.
 
Die leringen zouden ongelofelijk oud zijn. Want toen Alexander de Grote in de 4de eeuw v.Chr. Babylonië veroverde en de paleisbibliotheek vernielde waarin de belangrijkste heilige werken waren opgeslagen, liet hij Berosus enkele niet verloren gegane teksten vertalen, die naar zijn zeggen een tijdperk van 200.000 jaar omvatten. Deze Berosus was een priester van de god Bel, Belus, Baäl ofwel Marduk. Onder Alexanders bewind publiceerde hij een werk dat ‘Babyloniaca’ werd genoemd. Andere Babylonische priesters spraken volgens de Romein Cicero zelfs van 470.000 jaar. Op die in Irak opgegraven kleitabletten staat het volgende te lezen: “In het midden van de aarde groeiden zij op en werden groot, zeven koningen, broeders uit hetzelfde gezin”. Wie geen kennis heeft van de theosofie, begrijpt daar niets van. Maar ook in de kabbala# komen we die ‘broeders uit hetzelfde gezin’ tegen als de zeven koningen van Edom, terwijl dat in de bijbel de nakomelingen zijn van Esau (Gen.36:1.)
 
# De kabbala was de oeroude geheime leer van de Semieten in het Midden-0osten. De eerste vijf bijbelboeken van Mozes (Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium) kunnen alleen op hun juiste waarde worden geschat, als we ervan uitgaan dat ze zijn voortgekomen uit de kabbala. In dat systeem was elke letter (medeklinker) een getal met een verborgen betekenis die helaas verloren is gegaan.
 
In de leringen van de Parsen* kunnen we lezen wat er met die zeven koningen werd bedoeld.
 
* De Parsen, Parsi’s of Parten (oude Perzen) die nu in Bombay leven en hun doden neerleggen voor de gieren, aanbidden het vuur. Zoroaster (Zarathoestra in het Grieks) is hun grote leermeester. Hun heilige boek, de Zend-Avesta bevat restanten van de oudste geheime leringen en komt daarin overeen met de oudste werken uit India.
 
Daarin staat dat de aarde eerst een grote lauwe waterwoestijn was, waarna “de eerste mens werd geboren op de zeven zones van het onverwoestbare land, het hoofd van de aarde dat de wijzen de kap noemden”. Uit deze tekst kunnen we afleiden, waarom er in ‘De geheime Leer’ van Blavatsky staat vermeld dat de Noordpool in de oertijd het eerste droge land was, waardoor de allereerste nog niet stoffelijke mensen op de Noordpool leefden, welk gebied in sommige geschriften Meru werd genoemd. Toen Blavatsky bij de beschrijving van de allereerste mensen voor dat ras een naam zocht, bedacht ze om begrijpelijke redenen de naam ‘het polaire ras’. De theosofie leert dat die nog niet zichtbare wezens amper bewust waren van hun lichamelijkheid. Hun geslachtloze lichamen leken op reuzengrote protozoën (eencellige vormen) die ronddreven in de dampkring en de ziedende zeeën. Dit redeloos passieve ras ontwikkelde de zintuiglijkheid van het gehoor.
 
Deze “wezens” voelden de hitte van het vuur, maar vuur noch water kon ze vernietigen waardoor er geen dood bestond. Hoewel deze wezens amper bewust waren van hun “lichaam”, reageerden ze door het maken van geluiden, maar spreken konden ze niet (Popol Vuh). Ook konden ze zich al zwevend in de dampkring verplaatsen, terwijl zij zich vermenigvuldigden door splitsing en knopvorming, wat te vergelijken is met de voortplanting van bacteriën. Gedurende deze periode koelde de zee af tot lauwwarm, de aarde werd rustiger en de rampen plaatselijker.
 
Hoewel de theosofie stelt dat deze eerste mensen nog niet zichtbaar stoffelijk waren, staat er in de Popol Vuh dat God die eerste mensen uit aarde had gemaakt, wat als volgt verklaard kan worden. Dit eerste mensenras ontwikkelde de meest primaire beginselen en vorm van het lichaam, welke kern uit subatomaire deeltjes bestond. En omdat de stoffelijke werkelijkheid uit subatomaire deeltjes is opgebouwd, werden die eerste “lichamen” dus van “aarde” gemaakt.
 
Het tweede (HYPERBOREïSchE) verstandloze ras
 
De Popol Vuh geeft aan dat de goden daarna een verstandloos wezen schiepen, dat nog geen vlees en bloed had en daardoor te week was. Volgens de theosofische leer kreeg dat tweede ras een relatief stijvere schil rond de eerste, waardoor er twee structuren ontstonden, een ijlere en een grovere. Daarmee ontstond er in feite een scheiding tussen het zich ontwikkelende fijnstoffelijke levenslichaam en het wordende stoffelijke lichaam. Bij levenslichaam denken we aan de aura, de chakra’s en de meridianen, terwijl dit stoffelijke lichaam nog steeds niet vast en zichtbaar was. Door deze geleidelijke ontwikkeling stierf het eerste ras niet uit, maar ging het onmerkbaar over in het tweede. Deze mensen hadden complexer wordende draadvormige structuren, terwijl hun kleur varieerde van goudkleurig geel tot oranje of citroengeel. Er waren twee hoofdtypen, het vroegere en het latere verstandloze ras. Het oudste type was geslachtloos en plantte zich voort door uitzetting en knopvorming. Maar omdat deze vorm door de dikker wordende schil veranderde, werd die wijze van voortplanting na verloop van tijd onmogelijk. Daarna werden er kleine lichaampjes uitgestoten, die in figuurlijke zin zweetdruppels werden genoemd. Dit verklaart waarom we in de Indiase purâna’s* lezen dat die rassen geboren werden uit de huidporiën van hun voorvaderen.
 
*  De Purâna’s zijn Indiase godenverhalen waarin Vishnu, Shiva, Ganesha en andere goden optreden. De belangrijkste Purâna beschrijft echter het leven van Krishna. Men meent nu dat deze werken niet ouder zijn dan 1700 jaar. Maar geleerde brahmanen stelden aan het einde van de 19e eeuw nog dat delen ervan veel ouder zijn.
 
Deze “druppels” werden na de uitstoting hard, gingen groeien en kregen uiteindelijk boomvormige, dierlijke en half menselijke vormen, die aan het einde van deze ontwikkeling latent tweeslachtig werden. Dit tweede ras van de verstandloze mensen ontwikkelde eerst het lichamelijke gevoel, terwijl zij naast het vuur lijfelijk gewaar werden van water en lucht. Verder gaven die halfmenselijke wezens kreten van toorn, vreugde en smart, welke reacties leken op fluitende geluiden. In de oud-Indiase literatuur worden ze ‘de zonen van de passieve yoga’ genoemd, omdat ze ondanks die reacties nog niet waren gericht op de uiterlijke wereld.
 
In die tijd verscheen er meer land in de vorm van een groot hoefijzer rondom de pool, waardoor er een tweede vasteland ontstond, terwijl het centrale poolgebied bleef bestaan. Dat land viel aanvankelijk samen met N.Azië en later ook met Spitsbergen, Zweden, Noorwegen, de Britse eilanden, Baffinsbaai en Groenland. En in het zuiden werd dat gebied begrensd door de Centrale Zee zoals die in de esoterie genoemd wordt, de plaats waar nu de Gobiwoestijn ligt. Er waren toen nog geen koude winters, omdat de aarde onvoldoende was afgekoeld en dichter rond de zon draaide, in welke tijd de bodem met weelderige plantengroei bedekt was geraakt. Blavatsky noemde dit hoefijzervormige gebied het Hyperboreïsche land, welke naam de oudste Grieken hadden gegeven aan een verafgelegen geheimzinnige streek waarheen de Hyperboreër (de zon Apollo) elk jaar reisde en een half jaar lang niet onder ging. Dit verklaart waarom Blavatsky die naam koos voor dat noordelijke gebied, terwijl ze dit volk het Hyperboreïsche ras noemde.
 
Het derde Lemurische ras van hout en van vlees
 
NIEUW LAND
 
Volgens de oudste overleveringen deed de aarde in de derde fase van ontwikkeling het midden van haar lichaam verschijnen. Die overlevering is over de hele aarde bekend als de mythe van de navel der aarde. Met die navel (het midden van het lichaam) werd gedoeld op het Aziatisch-Australische vasteland dat in die tijd boven water kwam en aansloot bij het noordelijker gelegen Hyperboreïsche gebied. De volgende daarnaar verwijzende tekst heb ik ooit opgetekend uit een boek over de Parsen waarvan ik de titel niet meer weet.
 
De grote moeder verkeerde daarna in barensnood onder de wateren en nieuw land werd toegevoegd bij het gebied dat de wijzen de kap noemden. Zij had daarna zware weeën te verduren vóórdat het derde ras en haar middel en navel verschenen boven het water. Dat was de heilige Himavat dat zich rondom de aarde uitstrekte.
 
Waarom Blavatsky dat hele gebied Lemurië noemde is al vermeld, terwijl datzelfde Lemurië ofwel Mu uiteindelijk het vasteland omvatte van de Himalaya tot Sumatra en Australië, van Paaseiland tot Madagaskar en Afrika en daarmee dus het hele gebied van de Indische en de Stille Oceaan. Miljoenen jaren bleef dat bestaan. Grofweg ontwikkelde de Lemurische beschaving zich in het secondaire tijdperk (225-65 miljoen jaar), terwijl een klein gedeelte de ramp van 65 miljoen jaar geleden overleefde en dus nog enige tijd voortleefde in het tertiaire tijdperk.
 
In dat secondaire tijdperk kwamen de reuzenplanten en –dieren tot ontwikkeling, in welke periode zoals gezegd ook het derde ofwel Lemurische ras ontstond en voor het grootste gedeelte ook weer verging. Dit derde ras ofwel de Lemurische beschaving viel in twee delen uiteen, de mensen van hout en de mensen van vlees zoals de Popol Vuh dat weergeeft. Het eerste Lemurische menstype was al vaag zichtbaar, terwijl het tweede mens type stoffelijk werd in de vorm van de cyclopische reuzen. Eerst bespreken we de fijnstoffelijke Lemuriërs ofwel de mensen van hout, daarna de Lemurische cyclopen.
 
De ei-geboren mens
De eerste Lemuriërs (de mensen van hout) veranderden zodanig, dat de uitgestoten kleverige lichaampjes geleidelijk ronder en harder werden en daarmee de vorm kregen van eieren. Binnen dat ei brachten zij de vroegste ontwikkelingsstadia door en werden meer menselijk en duidelijk tweeslachtig. Toen die eieren een harde schil kregen, werden die mensen geboren door hun schil te breken. Zij waren toen volledig ontwikkeld, wat vergelijkbaar is met de nestvlieders die direct hun nest verlaten. In de volgende subfase werd de mens geleidelijk éénslachtig, wat betekent dat de voortplanting geslachtelijk werd. De ei-geboren vrouwelijke en mannelijke wezens waren toen even hulpeloos als de nestblijvers. Toen die ontwikkeling was bereikt, vergingen de vroegere Lemurische rassen heel snel, waarbij de eieren niet meer werden uitgestoten maar binnengehouden. Daarmee werd de mens geboren, in welk stadium de ijle vorm zo tastbaar werd, dat de mensen verstoffelijkten tot de mensen van vlees. Die cyclopische reuzen komen we in de Indiase Mahâbhârata* tegen onder de naam dânava’s.
 
* De Mahâbhârata, een religieus en filosofisch heldendicht uit India, is het op twee na grootste literaire werk van de wereld.
 
DE MENSHEID VERSTOFFELIJKTE
 
De wijze waarop de verstoffelijking van het Lemurische ras heeft plaatsgegrepen, zal voor veel mensen moeilijk te aanvaarden zijn. Ik heb er bijvoorbeeld zelf betrekkelijk veel moeite mee gehad, totdat ik de logica ervan begreep. In feite moeten we hierop de oude Egyptische regel van Hermes toepassen die zegt ‘zo boven (hemellichamen) zo beneden (de mensen)’. Daarmee zegt die regel dat er een parallel moet zijn tussen de wording van de sterrenstelsels, de aarde en de levende wezens op aarde. Ook de sterrenstelsels waren na de big bang nog niet zichtbaar, omdat die toen alleen nog bestonden uit subatomaire golfdeeltjes. En vanuit die onzichtbare toestand hebben de sterrenstelsels zich geleidelijk verdicht tot de stoffelijke werelden zoals wij ze nu kennen. Vergelijkbaar daarmee was de mens in het begin ook niet zichtbaar, waarna zijn lichaam zich op een enigszins vergelijkbare wijze heeft verdicht. Dat er in dat verband verschillende graden zijn van stoffelijkheid, blijkt wel uit het feit dat ufo’s zomaar uit het “niets” opduiken, daarna enige tijd zichtbaar zijn, plotseling hun snelheid verhogen en ineens weer in hetzelfde ”niets” verdwijnen”. Natuurlijk zijn ze dan niet weg. Waarom zouden we dat verschijnsel gemakkelijker accepteren dan het wordingsproces van de mens?
 
Beide menstypen leefden lange tijd gelijktijdig naast elkaar
Volgens een overlevering van de Inuits (Eskimo’s) hebben de niet zichtbare en de zichtbare mensen in die Lemurische periode enige tijd naast elkaar geleefd. Er was eens een legendarische stam die geen oogleden kende en nooit iemand had gezien die sliep. Hun lichaam was bedekt met een vacht van korte haren. Als je een van deze mensen vol in het gezicht aankijkt, zie je alleen een schaduw. Vanuit je ooghoeken zie je echter hun gestalte. Pas wanneer een van hen sterft, wordt zijn lichaam zichtbaar. Toen er oorlog uitbrak tussen beide volkeren, konden de Inuit (Eskimo’s) het Schaduwvolk niet verslaan, omdat ze steeds onzichtbaar bleven”.
 
De mensen leerden sterven
Volgens een andere overlevering van de Inuits leerden deze mensen in tegenstelling tot de vorige rassen geleidelijk sterven. Lang geleden kenden de mensen de dood nog niet en werden daardoor erg oud. Ze konden ten slotte niet meer lopen en moesten daardoor gaan liggen. Ze kenden de zon niet en leefden in duisternis omdat de dag nooit aanbrak. Alleen in de huizen hadden ze licht en brandden daar water in hun lampen, omdat water toen nog kon branden. Maar er kwamen teveel mensen die niet wisten hoe ze dood moesten gaan. Ze krioelden op aarde en toen kwam er een geweldige overstroming. Menigeen verdronk en er waren  dus minder mensen. Nu de mensen kleiner in aantal waren, begonnen twee oude vrouwen een gesprek met elkaar. Een van hen zei: “Laten we van het daglicht afzien als we daarmee de dood kunnen ontlopen”. “Nee”, zei de ander, “we zullen zowel daglicht als dood krijgen”. En daar de oude vrouw deze woorden in de mond had genomen, werden ze werkelijkheid. Er kwam, licht, vreugde en dood. Het lijk van de eerste man die doodging, begreep nog niet goed hoe het dood moest gaan en kwam weer omhoog nadat het met stenen was bedekt. De oude vrouw duwde toen het hoofd terug en liet de man achter. En met de dood kwamen de zon, de maan en de sterren, want als mensen sterven, stijgen ze omhoog naar de hemel waar ze stralende sterren worden.”  (De raaf in de walvis, De Bezig Bij).
 
In de tijd dat deze wezens nog geen stoffelijke zintuigen hadden, konden zij het licht van de zon niet zien. Maar in hun huizen (lichamen) keken ze met hun innerlijke astrale oog naar de geestelijke verlichte binnenwereld. Aangezien deze mensen al gevoelig waren voor vuur en water, stierven ze massaal tijdens een grote aardbeving. Daarna zou de afwisseling van licht en duister ontstaan, omdat de mens ging verstoffelijken, waarmee de dood onomkeerbaar werd. En omdat die ontwikkeling in evolutionair opzicht onvermijdelijk was, gebeurde er wat de vrouw zei. De stoffelijk geworden mens die het licht van de zon zag, besefte dat hij uit de hemel was afgedaald, waardoor hij begreep dat hij na de dood weer tot de hemelse sterren zou terugkeren. Zij waren de eenogige cyclopen van de oudheid, wier ene oog aanvankelijk nog primair gericht was op de astrale binnenwereld, maar daarna steeds meer gericht raakte op de buitenwereld.
 
Goden en mensen
In de tijd dat de Lemurische mens geslachtelijk werd en verstoffelijkte, incarneerde er een groep hogerbewuste mensen. In de bijbel (Gen.6:1-4) lezen we daarvan: “Toen de mensen zich op de aarde begonnen te vermenigvuldigen, en hun dochters geboren werden, zagen de Zonen Gods dat de dochters der mensen schoon waren en zij namen zich daaruit vrouwen wie zij maar verkozen.” In het oeroude boek Henoch waaraan het O.T. dit verhaal heeft ontleend, staat het volgende. “Toen de mensenkinderen zich vermenigvuldigden, werden er mooie lieflijke dochters geboren. Toen de engelen, de zonen des hemels, hen zagen verlangden zij naar hen en zeiden tot elkaar: “Wij willen ons vrouwen uit de mensenkinderen kiezen en kinderen bij hen verwekken”. Hun aanvoerder Semiaza sprak tot hen: “Ik vrees dat jullie dit niet durven uitvoeren en dan moet ik geheel alleen de straf voor die grote zonde betalen”. De anderen antwoordden hem: “Wij zullen allemaal een eed zweren en ons met wederzijdse vervloekingen verplichten dit plan niet op te geven maar het door te zetten”. Het waren er tweehonderd in getal die in Jareds dagen naar de top van de berg Hermon afdaalden.” De diepere betekenis hiervan is dat deze wezens hun goddelijke scheppingskracht aan de mens schonken in de vorm van de seksualiteit die de mens zelf tot ontwikkeling moest en nog moet brengen.
 
Het bestaan van dergelijke hogerbewuste wezens wordt in de Egyptische annalen vermeld. In de Boven-Egyptische stad Abydos staat de tempel van Seti I, een farao uit de 19e dynastie die regeerde van 1306-1290. Daarin bevindt zich de beroemd geworden koningslijst die Seti aan zijn zoon Ramses II toont. ”Kijk mijn zoon”, zegt hij, “hier vind je de lijst van alle Egyptische koningen die begint bij Menes, de eerste koning van het dynastische Egypte. Die chronologie hebben de Egyptologen overgenomen, maar de teksten op de muur daarnaast worden steevast genegeerd, terwijl daar geschreven staat dat lang vóór Menes de goden en halfgoden over Egypte regeerden. Die eerste leiders hebben dus vèr voor het dynastieke tijdperk der farao's geleefd, terwijl de archeologen er nu vanuit gaan dat die mythische goden en halfgoden er nooit werkelijk zijn geweest. De oude Egyptenaren dachten daar anders over, want voor hen was dat de werkelijkheid van een zeer ver verleden.
 
In de oudheid wist men van het bestaan van reuzendieren
Wat die onvoorstelbare oudheid betreft, zegt een overlevering van de Pueblo-indianen in Mexico het volgende:Vlak voordat de mens op aarde verscheen was de grond nog zo zacht en waterig dat geen mens erop zou kunnen lopen. Zijn voeten zouden dan in de grond zijn weggezakt, waardoor hij er nog niet kon leven. Later toen hij wel op de aarde verscheen (stoffelijk werd), waren er monsters en roofdieren met klauwen en vreselijke tanden. Een bergleeuw is daarmee vergeleken slechts een mol. Toen zeiden Zij van Boven tegen de beesten:  “Gij zult in steen veranderd worden, opdat gij de mens niet tot onheil zij maar tot een weldaad.” Hoe konden die Indianen dat weten? Want hoewel men de vorm van deze dieren tegenwoordig perfect heeft gereconstrueerd, zijn er alleen wat botten en onherkenbare eieren gevonden en zeker geen complete lichamen. Nog onbegrijpelijker is deze rotsafbeelding uit Arizona, terwijl er in de buurt daarvan ook versteende dinosauruspootafdrukken gevonden zouden zijn. Er wordt zelfs beweerd dat deze pictogrammen door een ijzerhoudend patina (kopergroen) zijn behandeld. Hoe konden die Indianen weten dat de aarde onbegaanbaar was in het oerbegin toen er nog geen bergen waren. Verder zegt deze tekst niet dat de mens in den beginne geschapen werd, maar dat hij pas op de aarde verscheen toen hij er kon leven. Daarmee wordt gesuggereerd dat hij daarvoor al bestond, terwijl zij ‘van boven’ de ontwikkeling bestuurden.
 
De echte reuzen
Van de cyclopische wezens uit de oertijd wordt gezegd, dat zij een terugwijkend voorhoofd, een zware vooruitstekende kaak en één dof, somber en afstotelijk oog hadden. Dat cyclopische middenoog zag meer omvang dan details, in de fase dat die mens nog niet op de stof was gericht. Deze cyclopen die ook wel enghoofdigen werden genoemd, zijn in alle oude werken beschreven. Dat waren bijvoorbeeld de Titanen die na de schepping in de Griekse wateren dartelden, of de Oudnoorse goede reuzen en slechte demonen die voortdurend met elkaar in oorlog waren. In de bijbel wordt zelfs 17 keer over reuzen gesproken. In Numeri 13:33 staat bijvoorbeeld: “Ook zagen wij daar reuzen, Enakieten, die tot de reuzen behoren en wij waren als sprinkhanen in onze ogen en ook in hun ogen.” En in Deuteronomium 9:1-2 lezen we: “Hoor, Israël! Gij zult heden over de Jordaan trekken om het gebied in bezit te gaan nemen van volkeren die groter en machtiger zijn dan gij, grote steden, hemelhoog versterkt- een groot en rijzig volk, Enakieten, die gij wel kent en waarvan gij hebt horen zeggen.” Ook hieruit blijkt dat de eerste vijf bijbelboeken heel oud zijn, wat het begrijpelijk maakt dat een joodse sage spreekt van schepsels die één oog hadden midden in het voorhoofd.
 
Met betrekking tot deze reusachtige wezens verwijs ik in Afghanistan naar de stad Bamiyan ten noordwesten van Kaboel, waar ruim 12.000 woonruimtes in de rotsen zijn uitgehakt. Daar waren vóór 1 mei 2001 nog enkele standbeelden, ook in rotsen uitgehakt, die in gepleisterde vorm de mens Boeddha zouden voorstellen. De gezichten waren echter onherkenbaar veranderd, doordat het voorhoofd, de neus, de ogen en de lippen waren verdwenen. Volgens Blavatsky waren die beelden van oorsprong de weergaven van de afnemende hoogte der rassen. Het eerste ras was 58 meter, het tweede 40 meter, de mens van hout was gemiddeld 20 meter, de cyclopen waren aanvankelijk 9 meter, terwijl de huidige mens maar 2 meter is. Hoe oud die beelden waren, weet niemand. Maar in eerste instantie hebben dweperige monniken de beelden bewerkt in Boeddhabeelden. En toen brak op 1 mei 2001 het moment aan dat de Talibanstrijders deze beelden kapot schoten in hun godsdienstige haat tegen de Hazara, de bevolkingsgroep in deze streek. De westerse mens denkt dat er “alleen” een historisch monument verloren is vergaan. Maar als Blavatsky het bij het juiste eind had, is daarmee een oeroud monument verdwenen, waarvan de waarde niet te schatten is.
 
Van één naar twee ogen
De ramp die 65 miljoen jaar de aarde zodanig veranderde dat het secondaire tijdperk daarmee overging in het tertiaire tijdperk, vernietigde de dinosauriërs en deed ook die reusachtige mensen bijna uitsterven. Pas veel later daarna kwam de tweeogige Atlantische mens uit dit derde ofwel Lemurische ras tot ontwikkeling. Zoals gezegd verhalen alle mythen en de bijbel van deze reuzen die na verloop van tijd één oog verloren. Links zien we een treffende afbeelding van de reus Goliath die geveld werd, doordat David hem met een slingersteen in het (midden van zijn) voorhoofd trof (1 Samuel:17). Hiernaast zien we de reus Polyphemos wiens ene oog door Odysseus met een gepunte paal werd doorboord. Want alleen op die manier kon hij met zijn makkers ontsnappen uit de donkere grot waarin de reus ze gevangen hield. Dat hij zichzelf “Niemand” had genoemd, was een list. Want toen hij ontsnapte, riep Polyphemos tegen de andere reuzen dat zij Niemand moesten pakken. In feite verwees deze list naar het feit dat de mensen uit die tijd nog geen zelfbewustzijn hadden ontwikkeld. De bijbel (Gen.11:1-4) beschrijft dat zelfbewustwordingsproces in de torenbouw van Babel, waar geschreven staat: “De gehele aarde was één van taal en spraak (innerlijk), waarna de mensen zich naam gingen maken” (van zichzelf bewust werden).
 
De beide overgangen van niet-stoffelijk naar stoffelijk, en eenogig naar tweeogig, zijn uitgebreid beschreven in de Germaans-Noordse mythologie, waarin de IJslandse Edda een belangrijke plaats heeft. In die mythen is Odin, ofwel Wodan waarnaar de woensdag is genoemd, de oppergod. Zijn voorvader was de reus Ymir, wiens naam zoiets betekent als tweeling, tussenwezen of hermafrodiet (tweeslachtig). Dat laatste kan alleen begrepen worden binnen de esoterische opvatting, dat de nog niet stoffelijke Lemuriër in eerste instantie tweeslachtig was. Ymir heette daarnaast Aurgelmir, wat vertaald kan worden als oertijdreus of waterreus. Die naam vertelt dat de nog onzichtbare mens in de lucht (de wateren boven) leefde (zweefde).
 
Uit deze Ymir ontstonden de reuzen Borr (mannelijk) en Bestla (vrouwelijk), wier huwelijk de geslachtelijk stoffelijk wordende mens symboliseerde. Samen schiepen Ymir, Borr en Bestal de Midgard, de (stoffelijke) wereld waarin de (Lemurische) mens zou gaan leven. Als materiaal daarvoor gebruikten zij het lichaam van Ymir, dat daartoe werd geworpen in de Ginungagap, een gapende leegte. Deze vermelding geeft aan dat het stoffelijk lichaam was ontstaan uit de onzichtbare mens, die daarna in de afgrond van het “niets’ verdween.
 
In het midden van Midgard bevond zich de wereldboom Ygdrassil, welke boom symbool staat voor het leven dat op aarde tot ontwikkeling kwam. Daarom draagt de wereldboom in het bijbelse paradijs de naam levensboom. Adam en Eva mochten van de vrucht daarvan niet eten. En nadat zij dat toch hadden gedaan, bracht God ze in slaap, waarna ze tot leven kwamen in de stoffelijke werkelijkheid, alwaar zij goddelijke kennis kregen (Gen.3:22). De bijbelse zondeval in het paradijs vertelt daarmee dat de Lemurische mens verstoffelijkte, welk proces overeenkomt met de geboorte van de goddelijke Odin uit het huwelijk van Borr en Bestal. De naam Odin duidt op de extase van het hoogste bewustzijn, in welk verband Mimir, de Mijmeraar, een functie heeft. Deze Mimir leefde bij de bron van wijsheid die onder de wereldboom lag. En Odin die steeds in extase op zoek was naar die kennis, mocht van die bron drinken, maar moest daarvoor wel zijn oog afstaan. Vergelijk dat met de mythen van Polyphemos en Goliath.
 
Deze Odin of Wodan had een achtbenig paard Sleipnir dat door de lucht kon vliegen. In de tijd dat de eerste zendelingen zoals Willibrordus en Bonifatius aan de Friese “heidenen” in ons land wilden bewijzen dat hun God  machtiger was dan de Germaanse goden, werd Wodan eerst ingelijfd en daarna vervangen door de god van de christenen. Uiteindelijk werd de patroon van de handel, St. Nicolaas, even machtig als Wodan. Daardoor beschikte Sinterklaas na verloop van tijd over het witte paard van Odin, waarmee hij over de daken kon springen, terwijl ook alle “bovenmenselijke” en andere eigenschappen zoals zijn wijsheid, alwetendheid en ouderdom. Zelfs de datum van zijn verjaardag is aan Odin ontleend.
 
Toen de mens sterfelijk werd, kwam de hemelwereld van Odin tot ontwikkeling, waar hij in het walhalla de gesneuvelde moedige strijders ontving. In dat verband lezen we tussen de regels door, dat de mens met het ene oog nog het geestelijke binnenlicht zag, maar daarna zijn aandacht ging richten op de verduisterde stoffelijke wereld. Dat proces wordt weergegeven door Balder, de zoon van Odin en Frigga, die in een paleis woonde dat licht over de aarde verspreidde zo lang hij leefde. Balder staat daarmee symbool voor het geestelijke licht dat de Inuits volgens de mythe in die fase nog in hun huizen hadden. Hodr was een andere zoon van Odin. Zijn blindheid symboliseerde de mens die dat geestelijke licht niet meer kon zien en evenals Odin zijn innerlijke oog had verloren. Door een sluwe list van de onruststoker Loki vermoordde de blinde Hodr zijn broer Baldr, die in feite onkwetsbaar was (dat menstype kon nog niet sterven). Hodr beschoot zijn broer daartoe met een pijl die gemaakt was van de maretak, waarna die wel kon sterven. Vergelijk dit met de Odyssee, waarin Achilles door een pijl van Paris werd gedood, toen die hem in zijn hiel schoot. Beide mythen verwijzen vermoedelijk naar de mens die voor het eerst “leerde” sterven.
 
Toen Balder stierf, verloor de mens het geestelijke licht, welke ondergang Ragnarok werd genoemd. Daarbij werd gezegd dat Balder en Hodr uiteindelijk broederlijk zullen herrijzen in een nieuwe wereld, die overeen lijkt te komen met het Nieuwe Jeruzalem van de bijbel. Maar zover was het toen nog lang niet. Nadat Odin bij Rind zijn derde zoon Vali had verwekt, moest hij de dood van Baldr wreken door Hodr te doden. Vali groeide toen in één dag tijd op van zuigeling tot volwassene, waarna hij Hodr op dezelfde wijze raakte met een pijl die gemaakt was de maretak. Daarna overleefde hij Ragnarok, waarmee Vali symbool staat voor de ontwikkelende mensheid. In dat verband is het opmerkelijk dat Rind aanvankelijk een reuzin was, maar later werd gezien als een gewone menselijke prinses in het oosten.
 
 
RAMP EN VERDUISTERING
Men weet niet wat de oorzaak is geweest van die grote ramp. Toch vond ik een enkele aanwijzing in het boek ‘Dokter uit Lhasa’ van Lobsang Rampa. Hoewel er vraagtekens zijn omtrent de betrouwbaarheid van die Engelsman, vermoedelijk een loodgieter die een reeks gelijksoortige boeken heeft geschreven, vond ik in dit boek iets wat klopt met de helderziende waarneming van mijn vrouw. Verder bevestigt één van de leraren van Blavatsky het bestaan van een geheime gang in Lhasa, welke gang ook in dat boek wordt beschreven. In Dokter in Lhasa beschrijft die Engelsman zijn vorige leven, een monnik in het klooster dat door de huidige Dalai Lama in 1959 werd verlaten. Op een dag dat die monnik (Lobsang Rampa) in geestelijk opzicht geacht werd daaraan toe te zijn, werd hem toegestaan in die gangen af te dalen. Hij liep toen met zijn gids Mingyar Dondup in de tempel van Lhasa vele trappen af, totdat ze diep in de duisternis van de berg in een kleine kamer kwamen.
 
Daar pakten we een boterlamp en liepen door de gang steeds verder omlaag. In een bergruimte waar de (vorige) Dalai Lama allerlei geschenken bewaarde, drukte mijn gids op een knobbel in de pleisterkalk, waarna er een gerommel van vallende stenen weerklonk. Daar betraden we een wereld die slechts weinigen hadden gezien. Een stoffig pad liep de bergruimte in en verdween in de helse duisternis. We liepen door, waarna een heel paneel van vast gesteente verschoof en de ingang weer afsloot. Na een kilometer afgelegd te hebben, zag ik ineens een grote grot en gaf een schreeuw van verbazing. Van het dak en de zijwanden kwamen talloze speldenpunten van goudkleurig licht dat weerkaatste van onze boterlampen. De grot bleek van enorme afmeting te zijn.” Daar stond een grote bus die werd aangestoken en een heldere geelwitte vlam verspreidde zich, terwijl er een zacht sissend geluid te horen was. Ze trokken de bus als een slee met zich mee, totdat Lobsang meende zo ongeveer in de ingewanden van de aarde terecht te zijn gekomen. Ze stopten bij een zwarte muur waarop een gouden paneel te zien was met duizenden inkepingen, inscripties van mensen, dieren die we niet meer kennen en een hemelkaart die niet bij de huidige tijd hoort.
 
Lobsang, let op wat ik zeg. Ik heb deze taal geleerd en kan dit begrijpen. Je zult deze grotten moeten bestuderen, want er zijn er velen en ze strekken zich kilometers ver onder ons uit. De atoombom is geen nieuwe ontdekking, maar werd duizenden jaren geleden ontdekt en bracht de aarde een ramp zoals hij ook nu zal doen als de mens in zijn dwaasheid geen halt wordt toegeroepen. In zeer lang vervlogen dagen was de aarde een heel ander oord. Ze draaide veel dichter om de zon in tegenovergestelde richting en een andere tweelingplaneet van de aarde bevond er zich vlakbij. De dagen waren korter en de mens scheen honderden jaren te leven. Het klimaat was warmer, en de flora was weelderig en tropisch. Er leefden op aarde zeer grote wezens van een ander stelsel die hier toezicht hielden. De aarde was als het ware een soort kolonie die les kreeg van een vriendelijke leraar. De mens, de arme onwetende mens wiens verstand zich nog maar net aan het ontwikkelen was, begreep er geen snars van, want zijn intellect stelde niet veel meer voor dan het verstand van de apen. Mensen konden zich met elkaar onderhouden met behulp van telepathie. Toen kregen de superintellectuelen die zoveel groter waren dan de aardse mens ruzie en voerden oorlog. Op een dag vond een enorme explosie plaats, waardoor de aarde van koers veranderde. Geelbruine vlammen schoten door de lucht en de aarde was in rook gehuld. Na vele maanden waren er in de hemel vreemde tekenen te zien, waarna een planeet zichtbaar werd die snel groter werd. Naarmate die dichterbij kwam, ontstonden er kolossale vloedgolven die alles overstroomden. Bergen verrezen en met hen kwam de zeebodem omhoog. De mensen vluchtten in doodsangst. Volgens de optekeningen stond de zon gedurende vele dagen stil. De aarde schudde en huiverde, en de mens verloor alle besef van tijd. De maan is het overblijfsel van die botsing. In de dagen daarop werden de dagen langer waarna de aarde zijn nieuwe baan ging beschrijven”.
 
Deze ramp moet 65 miljoen jaar geleden hebben plaatsgegrepen, omdat de lama aan Lobsang vertelde dat de grote dieren zoals de brontosaurus toen uitstierven. Dit gegeven is overigens niet nieuw, ook de bijbel vermeldt dat de zon en de maan op een dag bleven stilstaan (Joz.10:13). Volgens de waarneming van mijn vrouw was de hiervoor genoemde tweelingplaneet de vorige aarde en daarmee de echte maan. Door de ramp die door buitenaardsen werd veroorzaakt, botste die maan op de aarde, terwijl een ander hemellichaam werd ingevangen, wat nu de huidige maan is. In zeker opzicht sluit dit aan bij een vondst die in 1997 in Mexico werd gedaan. Dichtbij de Chicxulubkrater in Mexico troffen wetenschappers een ongemengde bodemlaag aan, waarin resten werden gevonden van een meteoriet met daarboven een kleilaag die geen enkel fossiel bevatte. Daaruit werd geconcludeerd dat deze dieren massaal werden uitgeroeid door een meteorietinslag van ongekende omvang.
 
In eerste instantie moeten de omstandigheden na die ramp verschrikkelijk zijn geweest. In de Germaans-Noordse mythologie lezen we namelijk dat Ragnarok werd voorafgegaan door Fimbulvetr, de drie jaar durende winter waarin alle eden der mensen verbroken werden. Uit die lange winter zouden we kunnen afleiden dat de lucht zo verduisterd was, dat de zon lange tijd verdwenen was. En toen die weer zichtbaar werd, bleek dat het leven en daarmee het voedsel van deze vegetariërs voor een groot deel vernietigd was. Daarom zegt de mythe dat de familiebanden hun betekenis verloren, dat dochters hun moeders beschimpten, dat eerlijke mensen gingen liegen en broers elkaar in talloze oorlogen doodden. Alle moraliteit verdween. Uiteindelijk kwam de sneeuw van alle kanten binnenvallen. Maar daarmee wordt reeds verwezen naar de ijstijden die pas veel later ontstonden. We zijn dan al zoveel verder in de tijd, dat we de gebeur­tenissen daartussen moeten uitvergroten, ten einde de ontwikkeling van Atlantis in een duidelijker perspectief te kunnen plaatsen.
 
De atlantiërs
 
EEN TIJDREKENING OM GEK VAN TE WORDEN
 
Bij de bespreking van Atlantis volg ik voortdurend de indeling van de theosofie, aangezien die zonder mankeren aansluit bij de oudste overleveringen zoals die over de hele wereld zijn verspreid. Het enige probleem daarbij is, dat alle gebeurtenissen en rampen nauwelijks zijn te dateren. De data die door de theosofie worden verstrekt, wijken namelijk zo ver af van de wetenschappelijke tijdrekening, dat het bijna onmogelijk is om de esoterische tijdrekening daarbij aan te passen. Drie vergelijkingen maken dat duidelijk. De esoterie zegt dat de aarde in totaal bijna 4½ miljard jaar zal bestaan, terwijl de aarde nu al zo oud is volgens de huidige berekeningen. Ten tweede zou Lemurië zo’n 5 miljoen jaar geleden (theosofie) zijn overgegaan in Atlantis, terwijl die overgang naar alle waarschijnlijkheid gemarkeerd wordt door de ramp die 65 miljoen jaar geleden (wetenschap) de dinosauriërs deed uitsterven. Ten derde zou de eerste grote ramp in dat Atlantische tijdperk 800.000 jaar geleden de aarde hebben veranderd, waarbij er wordt gesproken van het Mioceen. En dat tijdperk plaatst de wetenschap tussen de 53 en 23 miljoen jaar geleden. Dat betekent dat sommige esoterische getallen met de factor 13 tot 30 moeten worden vermenigvuldigd.
 
Omdat ik de informatie uit de GL niet wil vervormen, geef ik de data van de grote Atlantische rampen weer zoals ze in de GL worden vermeld. Daarbij kan de lezer zelf een vertaalslag maken in de richting van de huidige tijdrekening. Kaart 1 uit het boek ‘Atlantis’ van Scott Elliott laat zien hoe de aarde er na de grote ramp uit zou hebben gezien toen Lemurië verging en Atlantis tot ontwikkeling kwam. Kaart 2 is de situatie na de zondvloed van 800.000 jaar geleden, bij welke ramp de grootste Atlantische beschaving ten onder ging.
 
AtlAntis is veel meer dan het eiland van Plato
 
Een en ander betekent dat het Atlantis van de oudheid veel groter en ouder is geweest dan het eiland van Plato, dat 11.500 jaar geleden verging. Dat getal dat hij in Egypte had vernomen klopt wel nauwkeurig, waarmee dat eilandje in de Atlantische Oceaan slechts het allerlaatste overblijfsel was van een voorbije beschaving. Daar staat echter iets anders tegenover. Want wie Plato’s verhaal leest door een esoterische bril, ziet onmiskenbaar dat zijn visie volledig overeenkomt met de esoterie. Ook hij plaatste het begin van die beschaving onnaspeurbaar ver terug. In de Kritias schrijft hij namelijk dat de god Poseidonis in eerste instantie de leiding kreeg over het (ei)land dat hij in 10 stukken verdeelde. Daarbij ging het niet om een eiland, maar om de hele wereld, zie kaart 1, in welke tijd de goden nog op de aarde leefden. De bijbel bevestigt dat in Genesis 6, het huwelijk van de zonen Gods. Daarna kwam de zondvloed van Noach die kaart 1 in kaart 2 veranderde, in welke tijd de mensen nog reusachtig waren en vele honderden jaren oud werden. Weer later werd de toren van Babel gebouwd (Gen.11). Dat symbolische verhaal vertelt ons dat de mensen vóór die tijd nog één waren van taal en spraak, waarmee werd bedoeld dat ze alleen telepathisch communiceerden. Daarna verstrooide de Here de mensen over de hele aarde, waarna de verschillende talen tot ontwikkeling kwamen. Plato beschreef na de goddelijke stichting van Atlantis een stad die volgens de theosofie de hoofdstad was van de belangrijkste Atlantische beschaving; zie het zwarte blokje op kaart 1. Daarna brak de zondvloed aan die Zeus veroorzaakte toen de mensen slechter werden. Plato beschrijft dat aan het einde van zijn Kritias en zegt daarbij dat Zeus een straf wil uitvoeren, waarna het verhaal echter stopt. In andere mythen wordt de straf van Zeus echter wel benoemd. Ook beschreef hij een veel latere oorlog, waarbij de Atlantische veroveringsdrift door de inwoners van Athene een halt werd toegeroepen. Zij kwamen van het grote eiland dat op kaart 2 met een zwart blokje is weergegeven. Die hele ontwikkeling besloot hij met de vrij recente onder­gang van het laatste eiland dat 11.500 jaar geleden verzonk. Dat eiland was alleen nog belangrijk omdat daar de laatste nazaten woonden van de ten onder gegane Atlantische beschaving.
 
Het gebied
Dat Atlantische gebied wordt in de oud-Indiase geschriften Kusha genoemd, terwijl de Indiase purâna’s spreken van één groot vasteland dat uiteenviel in zeven schiereilanden. Een zekere Marcellus sprak in de Grieks-Romeinse tijd van zeven eilanden die volgens de overleveringen door één groot eiland werden gedomineerd; zie kaart 2. Dit komt misschien ongeloofwaardig over, in welk verband we kunnen denken aan de beroemde kaart van de Turkse admiraal Piri Reis. Deze in 1513 in Constantinopel op gazellehuid geschilderde kaart die in 1929 werd ontdekt, geeft de westkust van Afrika aan, de oostkust van Amerika en de noordkust van Antarctica. Verder zijn de Amazone en de Falkland eilanden daarop getekend in een tijd dat Amerika nog niet was ontdekt. Ook zien we daarop de zuidpool die voor het eerst werd bezocht in 1818, terwijl er bergketens op staan die pas in 1952 zijn ontdekt. Daar komt nog bij dat de kust van Queen Maud Land niet na 4000 v.C. in kaart gebracht kan zijn, omdat het gebied daarna onder ijs werd bedekt. Het ijsvrije deel van Antarctica bevond zich toen nog ongeveer 3000 km noordwaarts buiten de poolcirkel, terwijl boringen in het ijs van de Zuidpool laten zien dat het op de kaart aangegeven land al 400.000 jaar met ijs is bedekt.
 
Omdat elke kaart door zijn platte vorm een vertekende weer­gave is van de bolvormige aarde, bleek het mogelijk te zijn de plaats te reconstrueren waar die kaart werd getekend. Op de landkaarten die we op onze scholen gebruiken, wordt de juiste vorm van de werelddelen zo goed mogelijk weergegeven. Maar als gevolg daarvan zijn de polen aan de boven- en onderkant zo belachelijk ver uitgerekt, dat ze altijd worden weggelaten. Deze kaart was echter optisch juist, zodat die getekend moest zijn op een vaste plaats op aarde. Op dat punt in het midden van de kaart is alles juist weergegeven, maar aan de randen zijn de vertekeningen het grootst. Men heeft berekend dat die kaart geprojecteerd moet zijn in Egypte, waardoor het oude astronomische observatorium van Syene die plaats geweest kan zijn. Dan moeten we echter concluderen dat men in de oudheid in staat was de aarde te bekijken vanuit zeer grote hoogte.
 
Uit alles blijkt dat deze kaart van Piri Reis heel oud moet zijn, waardoor het denkbaar is dat er op sommige plaatsen in de wereld nog meer kaarten uit de oudheid zijn bewaard. De kaarten van Scott-Elliott zijn naar zijn zeggen daarvan een voorbeeld. De hierna volgende kaart geeft de wereldkaart aan, na de tweede Atlantische ramp die 200.000 jaar geleden plaatsgreep. Het centrale eiland in de Atlantische Oceaan viel toen in twee delen uiteen, die volgens de Indiase overleveringen Ruta en Daitya heetten. Ruta was het grootste eiland tussen Noord-Amerika en Europa, terwijl Daitya het kleinste eiland daarbeneden is, tussen Zuid-Amerika en Afrika. De een na laatste ramp deed zich 80.000 jaar geleden voor waarbij Daitya verdween en Ruta werd gehalveerd, zie kaart 4. Na die ramp was de wereld vrijwel gelijk aan tegenwoordig, alleen de Sahara was een binnenzee. Tijdens de laatste ramp die 11.500 jaar geleden plaatsvond, verzonk Ruta, waarna er niets meer overbleef van de oude beschaving. Op grote schaal was die ramp verwaarloosbaar, maar viel wel samen met (maakte een einde aan) de laatste ijstijd.
 
Mythe of werkelijkheid
 
Daarmee zijn we toe aan de bespreking van Atlantis, welke beschaving vele miljoenen jaren heeft geduurd. We zouden het begin van dit Atlantische tijdperk samen kunnen laten vallen met het begin van het Tertiaire tijdperk. Maar beter lijkt het mij om tussen Lemurië en Atlantis een langdurige overgangsperiode te denken, waarna de Atlantische beschaving zich gaat ontwikkelen. Dat maakt het dus onmogelijk om Atlantis op het eiland te plaatsen dat Plato heeft genoemd. Zoals gezegd hechten wetenschappers geen objectieve waarde aan de overleveringen uit de oudheid, waardoor velen aannemen dat Plato een verhaaltje had verzonnen over Atlantis. Toen men in 1967 op Thera (Santorini) in de Egeïsche Zee een Minoïsche stad ontdekte die bijna 3500 jaar geleden in zijn bloeitijd had verkeerd, was dat dus vrijwel zeker het eiland waarop Plato gezinspeeld had, waaruit bleek dat de mededelingen van Plato aan de fantasie ontsproten waren (Winkler Prins). Mensen die het met die conclusie niet eens waren, hebben Atlantis elders gezocht en dat gebied naar hun inzicht soms ook gevonden. Men kwam daarbij terecht in Troje, onder het zand van de Sahara woestijn, de Libanese stad Baalbek, Sri Lanka, India, Groenland, het noorden van Zweden, de Noordzee bij de monding van de Schelde, Maas en Rijn of Midden-Amerika. Maar dat is allemaal veel te beperkt. Atlantis was niet ergens, maar het was de menselijke beschaving gedurende miljoenen jaren.
 
De vraag waarom Plato op sommige punten niet veel duidelijker was, is door Blavatsky beantwoord. Zij schreef daarover in  de GL: “Al het voorafgaande was aan Plato en aan veel anderen bekend. Maar omdat geen ingewijde het recht had alles wat hij wist te openbaren en te verkondigen, kreeg het nageslacht alleen toespelingen. Omdat het doel van zijn onderricht meer de ethiek dan de geografie en de etnologie of de geschiedenis betrof, versmolt de Griekse filosoof de geschiedenis van Atlantis, die miljoenen jaren omvatte, tot één gebeurtenis, die hij liet plaatsvinden op een betrekkelijk klein eiland”. En elders schreef zij: “De mythe van (de god) Atlas is een allegorie die gemakkelijk is te begrijpen. Atlas stelt de oude continenten Lemurië en Atlantis voor, verenigd en verpersoonlijkt in één symbool. De dichters schrijven aan Atlas, een hoge wijsheid en een universele kennis toe, en vooral een grondige bekendheid met de diepten van de oceaan, omdat beide continenten rassen droegen die door goddelijke meesters waren onderwezen, en omdat beide waren verzonken naar de bodem van de zeeën, waar zij nu sluimeren tot hun volgende herrijzing boven de wateren. De Atlas was in de tijd van Lemurië een ontoegankelijke eilandpiek, toen het Afrikaanse continent nog niet uit zee was verrezen. Het is het enige westerse overblijfsel dat is blijven bestaan, onafhankelijk van het continent waarop het derde Ras werd geboren, zich ontwikkelde en ten val kwam, want Australië vormt nu een deel van het oostelijke continent. Nadat de trotse Atlas volgens de esoterische overlevering voor een derde van de omvang in de wateren was verzonken, bleven twee derden als erfdeel van Atlantis over. Ook dit was bekend aan de priesters van Egypte en aan Plato zelf, en alleen de plechtige eed van geheimhouding, die zich zelfs uitstrekte tot de mysteriën van het neoplatonisme, verhinderde dat de hele waarheid werd geopenbaard. Zo geheim was inderdaad de kennis van de laatste eilanden van Atlantis – wegens de bovenmenselijke vermogens van zijn bewoners, de laatste rechtstreekse afstammelingen van de goden of goddelijke koningen, zoals men dacht – dat het openbaren van de ligging en van het bestaan ervan met de dood werd gestraft.
 
De mensen werden kleiner
 
De kapot geschoten beelden bij de stad Bamiyan laten zien dat de mens steeds kleiner werd. Waren de cyclopen evenals de dieren uit die tijd nog echte reuzen, de Atlantiërs waren al veel kleiner. Wat dat betreft schreef Lobsang Rampa nadat hij eindeloos lang was afgedaald het volgende. “Ik zag uiteindelijk drie stenen sarcofagen voorzien van eigenaardige inscripties. Ik keek erin, en toen ik zag wat daar lag snakte ik naar adem. "Mijn zoon", riep de eerste abt, "dit waren de goden in ons land voor de bergen kwamen. Kijk goed, want alleen ingewijden mogen ze zien. Drie gouden naaktfiguren lagen voor me. Twee mannen en een vrouw. Zelfs de kleinste details waren in het goud tot uitdrukking gebracht. De vrouwenfiguur was zeker drie meter lang, de langste van de twee mannen was niet minder dan viereneenhalve meter. Hun hoofden waren groot en de schedel liep enigszins puntig toe. Ik zag een deksel naast de sarcofaag staan waarop een hemelkaart was afgebeeld. Door mijn astrologische studie was ik bekend met de stand van de sterren. Maar hier zag ik allerlei beelden die ik niet kende.”
 
In verband hiermee is er een vraagstuk dat al evenmin is opgelost. Enerzijds verkondigt de Popol Vuh dat de apen van de mens afstammen, anderzijds kent men in Tibet de yeti's. Deze zijn als volgt door Lobsang Rampa beschreven. “Nadat wij drie dagen hadden rondgesjokt over de Tibetaanse ijskoude hoogvlakte werd de mist ineens ijler. Dertig hartkloppingen eerder hadden we nog gehuiverd van de koude, nu vielen we ineens flauw van de warmte. De plantengroei was hier zeer weelderig. Het was een vulkanisch gebied waar overal bronnen uit de bodem opborrelden. Ik was bezig kruiden te verzamelen toen een instinct me deed opkijken. Op geen zes meter van me af stond het dier waarover ik zoveel gehoord had. In Tibet dreigen de ouders ondeugende kinderen vaak met: "Pas op anders komt de yeti je halen". Ik vond het geen plezierig idee. We keken elkaar aan, allebei roerloos van schrik. Het vreemde dier wees naar me en maakte een zonderling miauwend geluid als van een jong poesje. Het had bijna geen voorhoofd boven de bijzonder dikke wenkbrauwen. De kin week terug en het wezen had opvallend grote tanden. Maar afgezien daarvan vertoonde het sterke overeenkomst met de moderne mens. Ik merkte op dat het wezen op de buitenkant van de voeten liep wat apen niet doen. Toen slaakte de yeti een gil en sprong weg, de poten een voor een verzettend zoals de mensen doen. Ik verbrak gelijktijdig alle hardlooprecords de andere kant op. De volgende dag zagen we in de verte nog een paar yeti's. De lama Mingyar Dondup vertelde me dat deze yeti's een atavistische variëteit op de mens waren die zich anders had geëvolueerd. Ze konden zich slechts in de meest afgelegen gebieden handhaven. Later zag ik nog hun geraamten. Daaruit bleek dat sommigen zes tot negen meter hoog geweest moeten zijn.
 
In het tijdschrift X-factor nr. 23 werd er een heel artikel gewijd aan deze beestmensen. Daarin staan foto's van voetafdrukken en zelfs hun hele lichaam. Deze beestmensen schijnen buiten het Himalayagebergte zelfs ook voor te komen in Noord-Amerika. De Tibetaanse lama Dorje Lopu beweerde in 1953 dat hij in verschillende kloosters twee gemummificeerde exemplaren van de reuzenyeti had onderzocht. Toen Tibet in 1959 onder de voet werd gelopen, werden alle kloosters geplunderd en veelal vernietigd. Helaas is er daarna niets meer van deze mummies vernomen.
 
De Nepalezen onderscheiden echter drie soorten. De kleinste is een meter groot en lijkt op een primitieve vorm van de menselijke pygmeeën. Dit wezen heeft een rode vacht en kleine voeten en houdt zich op in de betrekkelijk warme Himalaya-valleien, dat wil zeggen reeds op drieduizend meter hoogte. De meest bekende yeti in Nepal en Tibet is een schuw wezen met een manshoog postuur, een kegelvormige kop en een roodbruine vacht. Op de sneeuwvlakten laat het de beroemde afdrukken met twee tenen achter. De grootste van allemaal is drie meter lang, een donkere vacht en zeer grote voeten. Hij wordt alleen gesignaleerd in de meest onbegaanbare gebieden van Tibet, Bangladesh tot aan Noord-Vietnam toe. In Tibet komt hij niet beneden de zesduizend meter. Zij zijn het gevaarlijkst, want heel veel ongelukken in de bergen zijn aan deze wezens te wijten.
 
In het Tibetaanse dorp Thang zijn eens een groot aantal yeti’s verschalkt door een list van de bewoners. Zij hadden enkele yak-koeien gestolen, maar lieten zich overdag niet in het dorp zien. Het dorpshoofd ging ervan uit dat ze nieuwsgierig waren en vanuit de hoogte toekeken wat er in het dorp zou gebeuren. De dorpelingen zetten toen grote kommen thee neer en hielden vlak onder de rots waarboven ze zich schuilhielden een schijngevecht met stokken en sloegen er zogenaamd flink op los, terwijl ze luidruchtige vreugdekreten slaakten. Zodra de duisternis viel, vulden de dorpsbewoners de potten echter met arak en legden scherpe messen en korte zwaarden neer. 's Nachts kwamen de yeti’s terug en raakten totaal beneveld van de sterke drank. Daardoor werden ze vechtlustig en sloegen erop los met de scherpe wapenen, met als gevolg dat er doden en gewonden vielen. Verschrikt maakten de overlevenden zich uit de voeten en kwamen nooit meer terug.
 
Dit verhaal werd verteld door de Nepalese vertegenwoordiger van de vorige Dalai Lama. Voor zo ver hem bekend was, heeft er ooit een bloedmenging plaatsgevonden tussen de yeti’s en de mensen. Een klein meisje raakte ooit spoorloos en kwam pas jaren later terug in het dorp. Zij stootte slechts vreemde klanken uit en was zwanger. De geboorte van haar zoon kostte haar het leven, want de baby was erg lang en bleek later zelfs achterlijk te zijn. Toen deze jongen was opgegroeid waren zijn kinderen reusachtig groot en zo harig, dat de dorpelingen er zich voor geneerden. Ze verborgen die kinderen voor de Tibetaanse buitenwereld, omdat die mensen dan zouden kunnen denken dat ze zich hadden afgegeven met de yeti’s. “Maar”, zo zei de lama, “wij houden ons van de domme en vertellen het niet aan de westerlingen. Die zouden dan weer met hun expedities onze rust komen verstoren en daar zijn we niet op gesteld.” Zijn dit dezelfde “apen” die volgens de Popol Vuh van de mens afstammen?
 
Atlantische onderrassen
 
Zeven rassen
 
De theosofie verdeelt de Atlantische beschaving in zeven rassen, te weten het Rmoahalische, Tlavatlische, Tolteekse, Turanische, Semitische, Akkadische en het Mongoolse ras. De zwarte mensen zouden van de laatste Lemurische rassen afstammen, de rode mensen van de eerste drie Atlantische rassen, de gele mensen van de laatste vier, en de blanke van de Arische beschaving. Hierover is zo vaak iets geschreven dat in deze tijd tendeert naar rassendiscriminatie, dat het spreken hierover besmet terrein is geworden. Toch zie ik in deze bespreking geen problemen, mits we hierbij geen normen hanteren in termen van hoger- of lagerontwikkeld. Van deze rassen bespreek ik alleen het derde ras van de Tolteken. Want hoewel elk ras op zijn eigen manier belangrijk is geweest, heeft de beschaving van het derde ras zo’n grote invloed gehad, dat veel overleveringen naar die tijd teruggaan. Daarbij gaat het uiteraard niet om de Tolteken uit de recente geschiedenis, maar om hun verre vóórvaderen uit Atlantis. Volgens de theosofie ging dat ras ten onder als gevolg van de grote zondvloed 800.000 jaar geleden, wat in de moderne opvatting dus miljoenen jaren is.
 
De Atlantische Tolteken
 
De Spanjaard Hernando Cortez reisde in het jaar 1504 af naar Haïti, waarna hij in 1519 naar Mexico werd gestuurd met vijfhonderd soldaten en ruim honderd zeelieden. Aan de Golf van Mexico stichtte hij de stad Veracruz, van waaruit hij optrok naar de Azteekse hoofdstad Tenochtitlan, de plaats waar nu Mexico-stad ligt. Aanvankelijk werd Cortez door de bevolking beschouwd als de wedergekeerde blanke gebaarde god Quetzalcoatl. Volgens overlevering was die ooit uit het oosten gekomen, had daarna in dit deel van Amerika de beschaving gebracht, en was toen weer vertrokken na beloofd te hebben dat hij zou terugkeren. Die gebeurtenis in een ver verleden had zo’n grote indruk achtergelaten, dat de Azteken en andere stammen aanvankelijk vol eerbied waren voor de blanke Spanjaarden die zoveel op de blanke Quetzalcoatl leken.
 
De esoterie verbindt deze overlevering met de wonderlijke situatie dat de Azteken voor een groot deel dezelfde ceremoniën hadden als de katholieke Spanjaarden. Deze Indianen vereerden het Egyptische kruis en pasten de doop toe door met gewijd water op het voorhoofd en de borst een kruis te slaan. Ze kenden de biecht, absolutie, het celibaat, kloosters, het vasten en de priesterlijke huwelijksinwijding. En tijdens een religieus feest dat op het laatste Avondmaal leek, werden bijzonder toebereide koeken uitgedeeld die als het vlees van God werden beschouwd. Zij vereerden zelfs de moeder Maagd, het heilige symbool van de ark des verbonds, terwijl hun schepper Teo heette, wat wel heel erg veel lijkt op Deo (god) of Theo. Denk daarbij bij voorbeeld aan de theosofie, de leer van het goddelijke.
 
Naast deze Azteken waren er in Mexico volkeren zoals de Tolteken, de Olmeken, de Maya’s en de Inca’s. Het is in dat verband opmerkelijk dat 13 tekens van het Maya-schrift overeenkomen met de Egyptische hiëroglyfen. Ook valt op dat de taal der Chiapensecs, een der oudste Maya-takken, enigszins overeenkomt met het oud-Hebreeuws. En last but not least lijkt het Baskisch dusdanig veel op één der Maya-talen, dat deze mensen elkaar enigszins konden verstaan. Dit alles betekent dat er in de oudheid contact geweest moet zijn tussen Europa/Afrika/Azië en Amerika. Wie de Egyptische annalen erop na slaat, kan dan tot de conclusie komen dat Quetzalcoatl destijds uit Egypte was gekomen. Die annalen kunnen we namelijk zodanig interpreteren, dat de “Amerikaanse” Tolteken Egypte in de oudheid hebben gekoloniseerd, waarbij twee van de drie piramiden van Gizeh zijn gebouwd vlak voordat er een zondvloed kwam. De Egyptenaren op hun beurt hebben veel later in Midden-Amerika, waarschijnlijk na een ramp, de verloren gegane beschaving aldaar hersteld.
 
De hoofdstad van de Azteken (denk aan het verdwenen paradijs Aztlan) was in de 16de eeuw een enorme stad met tweehonderdduizend inwoners. Tenochtitlan lag toen op een eiland in het midden van een meer, waaromheen een kanalennet was aangelegd dat naar een reeks kunstmatige eilanden leidde, waar allerlei gewassen geteeld werden. In het midden bevond zich het tempelcomplex met gebouwen die de vorm hadden van een trappiramide. Omdat Cortez de Azteken als kannibalen beschouwde, liet hij de stad met de grond gelijkmaken. Daar ligt nu de stad Mexico-City.
 
Het lijkt er verdacht veel op dat de bouw van deze stad een herinnering was aan het grote Atlantische eiland waarover Plato heeft geschreven. Vrij vertaald staat er in de Kritias namelijk het volgende. Toen de god Poseidonis (de beschikking over) Atlantis kreeg, lag er in het midden van dat eiland een heuvel, die hij afgroef. Daar omheen legde hij gordels aan, beurtelings van aarde en water. Sommige wat breder, andere wat smaller. Twee van water, drie van aarde, op gelijke afstanden rondom het centrum. Daarna liet hij een warme en een koude bron opwellen, waarna hij allerlei voedsel deed ontspruiten.
 
Tekenaars hebben daarvan de volgende tekening gemaakt. Waarschijnlijk heeft Plato met een bepaald doel over deze stad en de Maya’s geschreven. Want meerdere herinneringen aan een oude stad komen daarmee overeen, waarbij het gaat om de stad der waterwerken die ook wel de stad der gouden poorten wordt genoemd. Zo hadden de Tolteken hun stad, Tula of Tollan, waarbij we de letter ‘o’ weg kunnen laten en dan tlan krijgen, net als aztlan. De Azteken hadden hun heilige stad Tenochtitlan, in welke naam de stukjes ‘teo’ en tlan’ verborgen gaan. Titlan schijnt dan zoiets als stad betekend te hebben. En zo lijkt het erop dat alle overleveringen uit Atlantis naar die stad, die cultuur en die tijd verwijzen. Toen bisschop Landa, de Spaanse vernietiger die Cortez bij zijn plunderingen begeleidde, de inheemsen vroeg wie de oude ruïnes in Mexico gebouwd hadden, antwoorden zij hem “Toltecs”, wat zoiets bekent als ‘kunstzinnige bouwers, vandaar de naam die Blavatsky aan die meest oorspronkelijke beschaving heeft gegeven. Dat deze Atlantiërs niet meer reusachtig waren, maar toch groter dan wij, blijkt wel uit deze drie beelden die nog in de restanten van de oude stad Tenochtitlan staan. Het valt op dat hun grootte overeen komt met de drie gouden naaktfiguren die door Lobsang Rampa zijn beschreven. Hierna beschrijf ik wat de theosofie ons leert van die tijd, waarbij ik volledigheidshalve opmerk dat mijn vrouw van mening is dat die beschrijvingen gekleurd zijn door de wijze waarop wij in deze tijd in het leven staan.
 
Aanvankelijk was deze Tolteekse beschaving verdeeld in een groot aantal elkaar bestrijdende rijkjes. Maar een miljoen jaar (?!?) geleden ontstond er na een reeks grote oorlogen een federatie met één keizer aan het hoofd, wiens nazaten gedurende vele duizenden jaren vanuit de hoofdstad het vasteland van Atlantis hebben bestuurd. Die keizers werden geadviseerd door een groep hogerontwikkelde mensen die nu niet meer op aarde leven. Toen misschien ook al niet meer, want de GL zegt dat de priesters uit die tijd nog met de goden konden communiceren. Die taal, Senzar geheten, bestond niet uit woorden, maar was een combinatie van klanken, getallen en figuren, hetgeen uiteraard een telepathische afstemming op zeer hoog niveau vereiste. De huidige mantra’s stammen daarvan af, met name het heilige “Aum”.
 
In dat tijdperk werd de erfelijke opvolging ingesteld, waarbij de vader zijn zoon voorbereidde op de zware taak die voor hem lag. Die stad lag op ongeveer 14o NB en 40o WL en was gebouwd op de hellingen van een 150 hoge heuvel, terwijl een bergketen een 900 meter hoog liggend meer vulde in het westen van de stad. Dat meer zorgde voor de watertoevoer van de stad. De hoofdaanvoerleiding die een doorsnede had van 15 bij 20 meter en door de rotsen omlaag stroomde, kwam uit in een geweldig reservoir, diep onder het paleis van de keizer, dat op de top van de heuvel lag. In het midden der paleistuinen welde een grote waterstroom op die door vier kanalen naar een omringende gracht liep. Drie kanalen leidden van daaruit het water door de stad naar even zoveel watervallen die een stelsel van drie concentrische kanalen vulden. Het vierde en laagste kanaal voerde het overtollige water af naar zee. Dit stelsel had een lengte van 16 bij 20 km. waarbinnen de talrijke inwoners van water werden voorzien.
 
De vrij grote huizen die niet op elkaar gepakt stonden, bestonden uit vier blokken rondom een centrale hof waar weer een fontein spoot. Een bijzonder kenmerk was de toren die aan een der hoeken of uit het midden van een der blokken omhoog rees. Een spiraalvormige trap die aan de buitenzijde was gebouwd, leidde naar een bovenverdieping waar een toren eindigde in een puntige kap. Dit bovengedeelte werd algemeen als waarnemingstoren gebruikt. De huizen waren fel gekleurd, terwijl de vensters waren gemaakt van een stof die iets minder doorschijnend was dan glas. Het meubilair was weinig verzorgd. De tempels waren enorme zalen die te vergelijken waren met de Egyptische tempels, waarbij de zuilen niet rond maar vierkant waren. Omdat deze Atlantiërs een goed gevoel hadden voor kleuren, versierden zij hun huizen met schitterende tinten. De schilderkunst stelde echter betrekkelijk weinig voor, evenals de kwaliteit van de muziek. De beeldhouwkunst floreerde daarentegen wel.
 
In het “communistische” systeem werd de opbrengst van het land verdeeld onder de bewoners, welk systeem werd volgehouden tot de Incabeschaving. Er waren in die tijd geen winkels, want alles werd op een vastgestelde tijd particulier verkocht op een soort marktplaats in de stad. Er was veel goud en zilver, maar als betalingsmiddel gebruikte men gestempelde stukjes metaal of leer met een aangegeven waarde. Ze werden in het midden doorboord en zo aaneengeregen. Niemand maakte meer aan dan de tegenwaarde aan goederen waarover men beschikte. Doordat een bepaalde mate van helderziendheid nog normaal was, fraudeerde niemand. Vee werd in kudden gehouden, maar die dieren waren nog half wild. De leeuw was nog niet ver genoeg ontwikkeld als huis- en trekdier, waardoor hij later verwilderde. De huisdieren leken op een soort waterzwijnen die alles opvraten wat er op hun weg kwam. Ook waren er katachtige en wolfachtige dieren in de omgeving. De ruwe Tolteekse wagens met hun schijfwielen werden getrokken door ongure dieren die leken op kleine kamelen. De Peruaanse lama's zijn daar vermoedelijk afstammelingen van.
 
In dit derde onderras incarneerden enkele grote wijzen. Als voorbeeld geldt Asûramâyâ die de mensheid de kennis geleerd zou hebben van de astrologie. Hij schonk die leer aan de inwoners van Ruta, van wie het later overging op de oude Egyptenaren. In het begin bloeide de wetenschap nog weldadig. De landbouw werd geperfectioneerd in die zin dat nieuwe graansoorten werden geteeld en andere vruchtbomen werden gekweekt. Zo werd de zaadloze banaan in duizenden jaren tijd gekweekt uit een meloenachtige plant met veel zaden. De landbouwgronden werden vruchtbaarder gemaakt, licht werd toegepast bij de groei van dieren en planten, en ziektekiemen werden uitgeroeid. Ook werden er betere diersoorten gefokt. Door de bloei der wetenschappen kreeg men veel inzicht in de wetten van de natuur en haar verborgen krachten. Artsen waren er nog niet, maar iedereen wist wat van geneeskunde omdat de occulte eigenschappen van metalen, stenen en planten bestudeerd werden. Zelfs het vermogen regen te maken was in die tijd niet ongewoon.
 
Na zo'n 100.000 jaren van bloei, trokken de goddelijke leiders zich terug, ziende dat de tijd was aangebroken dat de mensheid moest leren alles zelf te doen. Een lange reeks van zelfstandig opererende koningen brak toen aan, waarna enkele groepen steeds ik-gerichter werden, als gevolg waarvan het contact met de hogere bronnen verbroken werd. De psychische vermogens ontwikkelden zich daardoor in negatieve zin, waardoor de zwarte magie tot bloei kwam. Dat leidde uiteindelijk tot een scheiding, waarbij het contact werd verbroken tussen een zich terugtrekkende groep die dat hogere contact nog wel in stand hield en die nieuwe groepen. Uiteindelijk proclameerden de laatsten een tegenkeizer, waarna de witte keizer zich vestigde in een Tlavatlische stad die de residentie was geworden van een Tolteekse koning. De keizer was er welkom, maar raakte al gauw geïsoleerd omdat ook de verbonden koningen in die streken steeds meer hun eigen belang nastreefden.
 
In de laatste periode voor de grote zondvloed nam de zwarte magie hand over hand toe. De leiders in de stad maakten misbruik van hun bovennatuurlijke vermogens, oefenden een waar schrikbewind uit en maakten zichzelf tot voorwerp van goddelijke verering. De krachten die zij ontwikkelden, zijn te ongeloofwaardig en walgelijk om hier te bespreken, maar leidden uiteindelijk tot een veldslag die volgens de waarneming van mijn vrouw gebaseerd waren op het misbruik van de verborgen krachten van het geluid. De ramp van 800.000(?!?) jaar geleden vernietigde de verworden stad. En hoewel de witte keizer van de komende ramp op de hoogte was en maatregelen kon nemen, was dit toch het einde van de Tolteekse beschaving.
 
De roodhuiden zijn in deze tijd de beste vertegenwoordigers van deze Tolteken. Het is daarom opvallend dat de Apache-Indianen, toen zij een foto zagen van de Incastad Machu Picchu in de buurt van Cuzco, daarover het volgende verhaal vertelden. “Wij leefden toen in het oude land van het rode vuur. Lang vóór de zondvloed was de toegang tot onze stad zodanig, dat men heel gemakkelijk kon verdwalen. In die tijd was ons land het hart van de wereld, want alle volkeren kwamen erheen voor de rechtspleging. De hoofdstad was geweldig groot en de schepen voeren bij de havenmond vaak verkeerd, wanneer de juiste weg niet goed gewezen werd. Het land zelf was niet zo groot, maar de bergen waren de hoogste van de toenmalige wereld. In hun ingewanden huisde de god van het vuur die met zijn woede het land vernietigde door vuur en dood te slingeren naar de mensen die van schrik waanzinnig werden. Zij vluchtten en kwamen over zee naar het westen. Daarna trok de zee zich weer terug en wij zagen de zee niet meer; wij die ten tijde van de bloei de wateren der ganse wereld beheersten.”
 
Latere beschavingen van hetzelfde ras waren van een geheel andere orde. Enige tijd vóór de tweede ramp [200.000 (?!?) jaar geleden] construeerden zij de grote gebouwen in Mexico en Peru, waardoor zij de kunstzinnige bouwers (toltecs) werden genoemd. In diezelfde tijd vestigde een groep wijze mensen zich in Egypte, waar twee van de drie piramiden uit Gizeh werden gebouwd. In de wetenschap dat Egypte spoedig overspoeld zou raken, zie de derde kaart, werd alle kennis van die tijd in de bouw van de grote piramide tot uitdrukking gebracht. Hierbij werd men bijgestaan door de technische vaardigheden van een buitenaardse beschaving. Met betrekking tot deze eerste Egyptische beschaving lezen we in de Hitat: “De eerste Hermes die in zijn hoedanigheid als profeet, koning en wijze de drievoudige werd genoemd, las in de sterren dat de zondvloed zou komen. Daarom liet hij de piramide bouwen.”
 
Op Ruta, het noordelijke en grootste eiland, zie weer de derde kaart, kwam er na die ramp opnieuw een Tolteekse beschaving aan de macht die het grootste deel van dat eiland beheerste, in welke tijd alle latere rassen al tot ontwikkeling waren gekomen. Het lijkt erop, dat de door Plato beschreven oorlog tussen Athene en Atlantis naar die tijd verwijst. “Wat was dat voor verhaal Kritias?” vroeg Amunandros. “Het ging over de grootste en meest roemruchte daad die deze stad (Athene) terecht op haar naam heeft staan, maar door het verstrijken van de tijd en het uitsterven van de betrokkenen is het verhaal niet op de huidige dag bekend gebleven.” Kritias vertelt daarna wat de priester daarover aan Solon heeft gezegd. “De geschiedenis vertelt dat uw stad op een keer een geweldige troepenmacht tot staan heeft gebracht die, komend uit de richting van de Atlantische Oceaan, met veel bravoure tegen heel Europa en Klein-Azië optrok. Op het eiland Atlantis bestond een machtig en indrukwekkend verbond van koningen die heersten over het hele eiland. Bovendien voerden zij nog de heerschappij over Libië tot aan Egypte. Op een gegeven moment maakte de hele troepenmacht, in één leger verzameld, zich op om het hele gebied bij u en bij ons en alles wat binnen de zeestraat ligt in één klap te onderwerpen. Toen heeft de hele wereld kunnen zien tot wat voor moed en kracht uw stad in staat was, want qua moreel en krijgskunde overtrof zij alle volkeren. Eerst als aanvoerder van de Grieken en later, toen zij alleen kwam te staan omdat anderen haar in de steek lieten, heeft zij de grootste gevaren getrotseerd, de binnendringers overmeesterd en gezegevierd. Ons allen die aan deze kant van de zuilen van Hercules wonen heeft zij in één groots gebaar bevrijd.
 
In die tijd namen in onze stad zowel de vrouwen als de mannen aan de strijd deel. Het aantal van 20.000 hield men goed in de gaten, want nooit waren er meer. De bevolking was in die tijd verdeeld in drie groepen, de krijgers, de handswerklieden en de boeren. Niemand had persoonlijk bezit, want alles was gemeenschappelijk. Doordat ons land zo vruchtbaar was, terwijl het grotere oogsten opbracht, waren wij in staat een machtig leger te onderhouden. De Akropolis van Athene zag er toen anders uit. De kale rots van nu is het gevolg van één nacht uitzonderlijke regenval die haar aardlaag wegspoelde. De heuvel van de Akropolis strekte zich daarvoor veel verder uit en was van boven vrijwel geheel vlak. Aan de voet ervan woonden de ambachtslieden en boeren die het land bebouwden. Op de top woonden alleen de strijders die rondom het heiligdom van Athena leefden. Om hun woonplaatsen hadden zij een enkele muur gebouwd. Bij de Akropolis was er destijds een grote bron die iedereen voldoende water verschafte, terwijl er nu nog maar enkele kleine stroompjes zijn.”
 
Plato beschreef daarmee de grootsheid van het toenmalige Athene, terwijl de zwarte magie bloeide in Amerika en culmineerde tot aan de ramp, die [80.000 (?!?) jaar geleden] de aarde opnieuw reinigde, zie de laatste kaart. Het restant van de Atlantische beschaving was daarna alleen nog te vinden op Daitya, het door Plato beschreven eiland dat 11.500 jaar geleden ten onder ging. Met name dat eiland wordt in deze tijd Atlantis genoemd, terwijl de theosofie leert dat alle rassen van de huidige Arische beschaving op dat moment al lang geleden tot volledige ontwikkeling waren gekomen. Daardoor bestond het ware Atlantis ten tijde van de ondergang van dat eiland in feite al heel lang niet meer.
 
het Arische tijdperk
 
De vijf Arische rassen
 
Als we de indeling van de theosofie volgen, hebben de in India en Amerika beschreven oorlogen uit de oudheid niet plaatsgegrepen in Atlantis, maar in het Arische ofwel na-Atlantische tijdperk. Blavatsky die haar kennis van Tibetaanse geleerden had gekregen, kwam met een visie die alleen in de vorige eeuw nog werd onderschreven door de geleerdste brahmanen. Omdat die opvatting geenszins overeenstemt met de inzichten van de moderne wetenschap, vermeld ik de volgende tekst uit het boek ‘Dokter uit Lhasa’. “Ik riep me voor mijn geest hoe ik in die tijd een zeer jonge monnik in opleiding was. De alleringewijdste, de Dalai Lama, had gebruik gemaakt van mijn diensten als helderziende en me als beloning het recht verleend me overal vrij te mogen bewegen.” Op een keer zei de gids die hem overal rondleidde: “Lobsang let op wat ik zeg. Ik wil je iets vertellen over de oorsprong van Tibet. Wanneer je weggaat uit ons land zul je mensen tegenkomen die ons niet kennen en die zeggen dat Tibetanen ongeletterde wilden zijn die duivels aanbidden. Maar Lobsang, wij hebben een cultuur die veel ouder is dan enige cultuur uit het westen.” Enige tijd later liep de schrijver met zijn gids op de Tsjang Tang hoogvlakte die ook Shamballah werd genoemd. Wekenlang hadden ze gereisd naar het bevroren noorden en naderden op een bitter koude dag de plaats waar zij bepaalde kruiden zouden gaan zoeken. Nadat ze door een mistveld gingen werd het ineens veel warmer en plotseling stuitten ze op een vlakte van ongeveer acht kilometer doorsnee. Aan de overkant zagen ze een immense ijsmuur en aan de andere kant daarvan konden ze een stad zien, intact, zoals ze er nog nooit een hadden gezien. Uit de gletsjer staken gebouwen. Sommigen waren door de zuivere droge lucht van Tibet volledig in tact gebleven. De gids verbrak de stilte: Mijn broeders, een half miljoen jaar geleden was dit een aangename zeeplaats waar wetenschappers van een ander ras en type leefden. Zij veroorzaakten met hun experimenten een ramp waardoor de zee steeg en bevroor. Deze stad werd overstroomd en bevroor daarna.” Dit alles speelde zich af in de Arische tijd, omdat het Atlantische tijdperk in de theosofische indeling toen al heel lang voorbij was.
 
Als we vervolgens proberen de Arische rassen in kaart te brengen, worden de door Blavatsky genoemde jaartallen opnieuw omringd met grote vraagtekens. Zij plaatste de eerste vorming van het Arische ras 200.000 jaar voor de  Pliocene ramp van 800.000 jaar geleden, dat wil zeggen een miljoen jaar terug. Maar in de huidige schaal begon het Plioceen niet 1 maar ruim 5 miljoen jaar geleden. Het is niet aan mij om dit probleem op te lossen. Het zij zo.
 
1          Het eerste Arische onderras vond een miljoen (?!?) jaar geleden zijn oorsprong aan de oevers van de centrale Aziatische zee, nu de Gobi-woestijn. De esoterie leert dat het bijna 200.000 (?!?) jaar duurde voordat er een ras tot ontwikkeling was gebracht dat de basis kon worden van het vijfde ofwel Arische ras. De eerste emigratie in de richting van Noord-India vond 850.000 (?!?) jaar geleden plaats. Men nam toen het Senzar mee, de ingewijde priestertaal die over de gehele wereld bekend was aan de hoogste ingewijden. Omdat in die tijd de grote ramp had plaatsgevonden die de Tolteekse beschaving ten onder deed gaan, ging veel kennis verloren. Daarom schrijft de GL: “De wijzen van het vijfde ras, het geslacht dat werd gered en gespaard bij de laatste wereldramp en het verschuiven van de continenten, hadden vele levens doorgebracht met leren, niet met onderwijzen. Op elk gebied van de natuur werden eeuwenlang de oude tradities getoetst, onderzocht en gecontroleerd op basis van onafhankelijke helderziende waarnemingen van grote adepten (meesters). Daarbij werd geen visioen aanvaard voordat het was gecontroleerd en bevestigd door de visioenen van andere adepten, zodanig dat zij als bewijzen konden dienen.” Hieruit blijkt dat de kennis van het vijfde ras op basis van oude overleveringen geheel opnieuw moest worden opgebouwd. Van dit eerste ras is de hindoebevolking een overblijfsel.
 
2          Het tweede Arische onderras bestond uit de Chaldeeuwse, Babylonische en Assyrische volkeren. Ook daarvan weten we vrijwel niets af buiten de aantekeningen van Berosus (blz.23/24). Dat volk trok van Centraal-Azië naar Afghanistan, Syrië en Arabië en onderwierp de daar levende stammen. De Feniciërs, de oude Grieken en Egyptenaren kwamen voort uit een vermenging van dit onderras met één der latere Atlantische onderrassen. De beroemde Amerikaanse helderziende Edgar Cayce schreef over die tijd: “De mens bewoonde toen de Sahara en de gebieden rond de bovenloop van de Nijl; de wateren van de Nijl stroomden eerder de huidige Atlantische Oceaan in, dan dat ze naar het noorden stroomden. De wateren in de Tibetaanse en Kaukasische gebieden stroomden de Noordzee in.” Op geen enkele kaart is dat terug te vinden.
 
3          Het derde Arische ras is vrijwel alleen in de brokstukken van de Zend-Avesta van de oude Perzen tot ons gekomen. Het werd geleid door Zoroaster (Zarathoestra), die het spoor van het vorige ras volgde en zich daarna vestigde in Afghanistan en Perzië waar hij bleef wonen. Hij is een der oudste figuren uit de Arische geschiedenis. De Perzen plaatsten zijn leven een paar honderdduizend jaar terug. Aristoteles dacht reeds aan 6500 v.C. en nu wordt Zoroaster geacht een tijdgenoot te zijn van de oudere Grieken die rond 700 v.C. leefden.
 
4          Het vierde ras dat eindigde bij de Griekse en Romeinse volkeren wordt in geen enkel verslag vermeld. Dat volk had wel een legende die zei dat een deel van hun land zich eenmaal in de Atlantische Oceaan had uitgestrekt en toen vernietigd werd. En in Wales circuleerde de overlevering dat er drie aardrampen zijn geweest.
 
5          Het vijfde en huidige ras heeft reeds vele volkeren ontwikkeld, maar is nog lang niet tot zijn recht gekomen. Onze beschaving heeft dus nog enige tijd te gaan. We zouden verwachten dat dit vijfde ras reeds voorbij de helft is van de Arische beschaving, maar de GL schrijft dat het midden van het vijfde ras bijna is bereikt. De omkering moet daarom nog komen, zie mijn boek de ‘UG, eerste hoofdstuk.
 
Verwijzing naar de tijden van weleer
Dat de techniek in die tijden een grote hoogte bereikt moet hebben, lijkt wel vast te staan. Misschien heeft de strijd tussen Râmachandra en de Râkshasa's die in de Indiase bhagavad gîtâ wordt weergegeven gedeeltelijk een religieuze achtergrond. Maar de Samsaptakabadha maakt ondubbelzinnig melding van luchtschepen die door hemelse krachten werden voortgedreven. Zij veroorzaakten een ontploffing die een gloed doet ontstaan van 10.000 zonnen. De goden riepen uit: “Leg niet de gehele wereld in as”. In de Mahâbhârata vertelt Râmâyana over een reis aan boord van zijn voertuig richting Sri Lanka, waarbij de bergen en rivieren in het noorden en het einde van de reis staat beschreven. In datzelfde werk wordt ook gesproken van vliegtuigen en verwoestende bommen die op de steden werden gegooid. In de Madhava van Bhâvabhûti uit de 8e eeuw staat: “Een luchtwagen, de pushpaka, brengt vele mensen naar de oude hoofdstad Avodyâ.” In de Veda's worden vier soorten voertuigen onderscheiden: de vuurwagen, de olifanten-, meeuwen- en de ibiswagen. De in het Sanskriet geschreven Mausola Purva vermeldt een onbekend wapen, een ijzeren bliksemstraal, een reusachtige doodsengel die de rassen van de Vrishnis en Anhakas in de as legde en uitroeide. De verteerde lijken waren onherkenbaar, haren en nagels waren uitgevallen, aardewerk brak spontaan en de vogels werden wit. Al het voedsel was besmet. Als bewijs hiervan werd in India een menselijk skelet gevonden dat vijftig maal meer radioactief was dan normaal. De zigoerrat Borsippa die geïdentificeerd wordt met de toren van Babel was zodanig verkoold, dat alleen een reusachtige bliksemstraal of een atoombom dat kan hebben veroorzaakt. Gaf Albert Einstein vlak voor zijn dood om al deze redenen soms de mening te kennen dat de atoomkracht alleen maar was herontdekt? Omdat men dacht dat de oude man zijn verstand had verloren werd dat echter nimmer gepubliceerd. Ook mijn vrouw is dan seniel, want ook zij zegt dat er nog niets wezenlijk nieuws is uitgevonden.
 
In het boek ‘Hopi’ lezen we over enigszins vergelijkbare gebeurtenissen in Amerika. “Toen al het overige leven was vernietigd, ging het ijs smelten. Maar nadat vele generaties voorbij waren gegaan, kwam het kwaad weer terug onder de mensen. Naarmate de technische kennis groter werd, verergerde met gelijke tred het kwaad. In die tijd, zegt men, leerden de mensen steden te bouwen en zelfs te vliegen. Voor dat vliegen werd gebruik gemaakt van de páduwvoda, een van huiden gemaakt schild. Men kon daarop zitten en door het aanwenden van kwade krachten verhief dit schild zich van de grond en was bestuurbaar in de lucht. Steden werden door hele eskadrons overvallen en veroverd. Vernietiging heerste alom op aarde.” Het lijkt me niet toevallig dat ook de Hopi’s drie grote rampen kennen. Als dat dezelfde drie zijn van de theosofie, vond deze ontwikkeling plaats tussen 200.000 (?!?) en 80.000 (?!?) jaar geleden.
 
De theosofie vermeldt van die oeroude beschaving dat het rijk reeds vliegtuigen bezat. Meestal konden er twee passagiers in, alleen de grootste herbergden zes personen. Na het gouden tijdperk werden die groter, waarna ze zelfs als slagschepen werden gebruikt. Uit deze tijd stammen de grote oorlogen en luchtgevechten die in zoveel oude werken worden beschreven. Men ontwikkelde toen houten en metalen luchtwaardige slagschepen die tot honderd krijgers konden vervoeren. Het hout werd zodanig geïmpregneerd dat het taai en buigzaam werd. Over het ruwe geraamte van de luchtboot werden platen van metaal getrokken die met elektriciteit aaneengesmeed werden. In de oudste tijden werden die voertuigen nog met de wil bestuurd, maar later ontwikkelde men een ons niet bekende kracht die op mechanische wijze werd opgewekt. Een sterke zware kist stond als krachtvoortbrenger in het midden van de boot. Die was aangesloten op twee horizontale stuwpijpen voor- en achteruit en acht verticale pijpen die ofwel omhoog of omlaag spoten. De maximumsnelheid was 150km/uur, terwijl de vlucht in golven ging, hoger en lager, maar nooit kwamen ze hoger dan 300 meter. Met de luchtstroom uit deze pijpen bevochten deze schepen elkaar. Ook kende men in deze tijd reeds ontploffingsmiddelen, waarbij een gas kon vrijkomen dat de mensen deed sterven. En met deze opsomming hebben we de basis gelegd voor al die onbegrijpelijke technische vaardigheden waarmee deze les begon.
 
Amar
Naar mijn informatie zou er vlak voor de laatste ramp een beschaving zijn geweest die Amar heette. Buiten Amar speelden de vrouwen bijna overal de hoofdrol. Ze werden door de veel zwakkere mannen vereerd, wat een overblijfsel was van de aanbidding van het vrouwelijke aspect der natuur. De vrouwen uit die tijd namen het voortouw, omdat de mannen de verantwoording voor de dagelijkse gang van zaken niet konden dragen. Onderdanig als ze waren, deden ze alleen wat ze moesten doen en keken niet verder dan een enkele dag vooruit. Eten en drinken was hun primaire behoefte. In Amar speelden de mannen al wel een hoofdrol. Maar die maatschappij was niet harder dan de culturen waarin de vrouwen dominant waren, want ook de Amariaanse mannen waren vrij passief. Men leefde in groepen van ongeveer 500 mensen en woonde in stenen huizen waarvan de stenen in de zon gebakken werden. De klei die we nu niet meer kennen, leek op leem. Deze werd uit rivieren gegraven en daarna met een grondstof gemengd die uit de vulkaan werd gehaald. Van die klei werden blokken gemaakt die op elkaar gestapeld huizen van zeer goede kwaliteit opleverden. Men paste zelfs glas toe in die huizen, want er waren metalen "machines" om glas te maken. Tot zover is alles redelijk verklaarbaar, maar door mijn gebrek aan technologische kennis kan ik het volgende niet oplossen. Op sommige plaatsen stonden metalen kubussen opgesteld, met de punt naar beneden. Onderaan de kubus liep een koperen leiding naar een apparaat waarin “zonnewarmte werd vermeerderd door splitsing van datgene dat opgevangen werd.” Deze formulering zegt mij niets, maar ik vond het opvallend bij Cayce te lezen, dat de Atlantisbewoners het geheim kenden van het opvangen van zonne-energie. Volgens hem wisten zij deze te concentreren in een steen met magnetische eigenschappen, zodat deze meer energie uitzond dan werd opgevangen. De zonne-energie, zo werd mij medegedeeld, werd gebruikt om de pompen aan te drijven waarmee het drinkwater uit de grond werd gehaald. Omdat de zon altijd scheen was er genoeg.
 
De laatste ramp
 
Plato is niet de enige die spreekt van een legendarisch land dat ten onder ging door een verschrikkelijke ramp, ruim 9000 jaar vóór zijn tijd. Ook Midden-Amerika kent zo’n verhaal. De Franse natuurkundige Le Plongeon vond in het begin van de 20e eeuw in Mexico de Troana Codex waarin stond dat er in de Grote Oceaan ooit een continent was dat Mu heette. In het jaar 6 Kan op de 11e Muluc van de maand Zac begon een vreselijke aardbeving die tot de 13e Chuen duurde. Het land van de modderheuvels Mu werd vernietigd nadat het tweemaal omhooggeheven was. Het verdween toen plotseling gedurende de nacht, terwijl het gevormde bassin voortdurend door vulkanische krachten bewogen werd. Daar zij zich beperkten tot een bepaalde plaats, waren zij oorzaak dat het land op verscheidene tijdstippen!!! en op verschillende plaatsen zonk en weer omhoog geheven werd. Ten slotte viel de oppervlakte weg en tien stammen werden van elkaar gerukt en verspreid. Niet in staat de kracht van de bevingen te weerstaan verzonken zij met hun 64 miljoen inwoners. Ter vergelijking halen we de tekst van Plato er bij. “Daarom is de zee daar ontoegankelijk. Er ligt een geweldige hoop modder in de weg. Die wierp het eiland op toen het verzonk.” Hierbij aansluitend is het vermeldenswaardig dat het eerste jaar van de Zoroastrische kalender, de jaartelling van de Parsen, begint in 9600 v.C. Toen hun tijd begon te tellen, had de laatste ramp zich blijkbaar net voltrokken.
 
De toestand vóór die ramp zien we op de vierde kaart. In die tijd kwam er zo’n plotselinge klimaatverandering dat duizenden mammoeten op slag in het huidige Siberië werden ingevroren. Volgens de berekeningen van prof. Much greep die plaats in het jaar 8496 v.C. In die tijd zou er een gigantische planetoïde met een doorsnede van 10 km zijn ingeslagen. Siberië dat in de laatste ijstijd veel warmer was dan nu, veranderde op slag in een ijsvlakte, waardoor de mammoeten bij verrassing massaal werden ingevroren. Zelf nog in deze tijd vindt men slagtanden of complete dieren. Een deel van de zuidpool dat in de laatste ijstijd nog ijsvrij was, werd daarna onder een dikke ijskap verborgen. Zou er geen verband zijn?
 
Verder is het alleszins denkbaar dat de Europese paling om die reden ten zuiden van de Bermuda eilanden in de Sargassozee wordt geboren. De jonge glasaaltjes steken eerst de Atlantische Oceaan over naar Europa ten einde daar uit te groeien. Aan het eind van hun leven zwemmen zij vervolgens volgevreten terug tegen de stroming in om te paaien, waarna ze in de Sargassozee sterven. Twee trektochten van continent naar continent is het doodvermoeiende lot van elke West-Europese paling. In het licht van die ramp wordt die trek wellicht wat begrijpelijker. Het dier dat vroeger van Amerika naar de kust van Atlantis zwom om daar in het rivierwater te paaien en op te groeien, moest na de ondergang van dat eiland doorzwemmen tot de kusten van Europa om zoet water te vinden.
 
Opmerkelijk is in dat verband de geschiedenis van de stad Akakor die 14.000 jaar geleden werd gesticht in een hooggelegen dal in de bergen langs de grens van Peru en Brazilië. Dit alles lezen we in het boek ‘De kroniek van Akakor’. Aan drie kanten beschermd door de rotsen, loopt het oosten langzaam af tot het grote bosgebied, waardoor de stad goed te beveiligen was. Hun beschaving was opgezet door mensen die uit Schwerta kwamen, een plaats ergens in het heelal. Ineens verdwenen zij, waarna de wonderlijkste tekenen aan de hemel kwamen. De sterren glansden mat, vuur hing in de bomen, de zon verdween, vloeibaar hars droop uit de hemel, onbekende voorwerpen trokken voorbij, de bloedtijd begon. Er was in die tijd namelijk een ander godenvolk dat in vijandschap leefde met het volk dat de Ugha Mongulala verlaten had. Die roodachtige mensen waren dichtbehaard en hadden geen zes vingers en tenen zoals hun helpers, maar vijf. Met wapens zo heet als de zon, verbrandden zij de wereld en probeerden de macht over te nemen. De planetarische oorlog die daarvan het gevolg was, deed de Ugha Mongulala in 10.481 v.C. bijna ten onder gaan, maar de onderaardse steden en gangen redden hun leven in die ramp die dezelfde geweest moet zijn als door de Maya’s en Plato is beschreven. De catastrofe was verschrikkelijk, want zelfs de onderaardse schuilplaatsen begonnen te wankelen. Eerst waaide er een verschrikkelijk koude wind over de aarde en daarna was het vreselijk heet. Lange tijd regende het, waarna de aarde heel geleidelijk tot rust kwam. Hoge heuvels waren ontstaan waar voorheen geen bergen waren. Daarna ging de Amazone één kant uitstromen, terwijl er enorme wouden ontstonden aan zijn oevers. Alle bovengrondse steden inclusief Tiahuanaco waren grondig vernietigd. De ondergrondse steden waren nog wel in tact, maar vele gangen waren ingestort. Ook het geheimzinnige licht dat overal geschenen had, was verdwenen.
 
Los hiervan is er onderzoek gedaan bij de stad Tiahuanaco zelf. De fundamenten bewezen duidelijk dat het oorspronkelijk een havenstad is geweest die door een formidabele ramp tegelijk met de kusten van Zuid-Amerika bijna vierduizend meter omhoog was getild. Archeologen ontdekten dat de indrukwekkende piramidevormige tempel die de stad beheerste niet door de ramp was verwoest, maar onvoltooid was gebleven. Experts van het Astronomisch Observatorium berekenden onmiddellijk dat men daaraan niet later dan tot 9.000 tot 10.000 v.C. had kunnen werken. De Niagarawaterval, vanaf de monding van de rivier tot aan de waterval, is 12.500 jaar oud. Dat gebied moet dus door diezelfde ramp zijn opgeheven.
 
EINDCONCLUSIE
 
Gezien de overweldigende en steeds toenemende hoeveelheid vondsten, die niet door de moderne wetenschap verklaard kunnen worden, is het onvermijdelijk dat de traditionele visie op het verleden stap voor stap zal moeten worden bijgesteld en worden aangepast aan de werkelijkheid. Omdat er echter geen eenstemmigheid bestaat over wat Atlantis is geweest, hebben allerlei helderzienden de ruimte gekregen om hun visie daarover te laten schijnen. Sommigen zoals Cayce zullen in die visie serieus genomen moeten worden. Maar veel moderne helderzienden verdienen de naam helder-ziend niet, en maken met de meest onzinnige beschrijvingen dit onderzoeksterrein soms meer dan belachelijk. Dat neemt echter niet weg, dat de ware aard van het verleden al bijna niet te bevatten is.
 
Grofweg zijn er twee ingangen. Veel mensen volgen de tekst van Plato letterlijk en denken bij Atlantis aan een enkel eiland dat wel heel bijzonder geweest moet zijn. Op basis van dat uitgangspunt zoeken sommigen naar de plaats van dat eiland, terwijl anderen onderzoeken of ze daar soms hebben geleefd. In veel gevallen denken zij die Atlantiërs de hoogste wijsheid toe. De tweede groep voegt de naam Lemurië toe en verbindt de namen Lemurië en Atlantis met een bepaald tijdperk, waarin iedereen volgens de reïncarnatieleer meerdere malen heeft geleefd. Dat is mijn benadering. In dat opzicht geeft alleen de esoterie een duidelijke opbouw en indeling, die in alle opzichten aansluit bij de overleveringen uit de oudheid over de hele aarde verspreid. Persoonlijk ben ik gesterkt in de globale juistheid van de theosofische visie door de helderziende waarnemingen van mijn vrouw. Zij heeft nooit enig werk van de theosofie gelezen, maar corrigeert bepaalde door mij geschreven teksten zodanig, dat als ik de GL erop nasla, ik onmiddellijk mijn foute weergave ontdek. Evenzeer geeft zij mij aan waar de theosofie naar haar inzicht te vaag of zelfs niet volledig correct is. Zij is echter niet in staat om de juistheid van de gegeven jaartallen te beoordelen, omdat ze beelden krijgt en geen schematische indelingen in de tijd. Gezien het feit dat Blavatsky stelde dat de door haar gegeven jaartallen overeenkomen met de brahmaanse indeling die ooit door de grootste wijzen uit de oudheid is opgesteld, blijft er weinig anders over dan te proberen die indeling aan te passen aan de indeling van de wetenschap. Ik heb dat geprobeerd, maar moest daarin vager blijven dan wenselijk was.
 
waren de goden kosmonauten?
 
In het jaar 1969 verscheen het boek “Waren de Goden kosmonauten” van Erich von Däniken. Kernpunt van zijn theorie zijn allerlei afbeeldingen en iconen van oude volkeren die op verschillende manieren suggereren dat er in de oudheid sprake was van contacten met buitenaardse beschavingen. Talrijke verwijzingen zijn daarbij zo eensluidend, dat die niet gemakkelijk kunnen worden afgedaan als toeval. De opvatting van von Däniken sluit aan bij de onze, hoewel er enkele kleine verschillen zijn. In onze visie zijn er twee verschillende soorten goden, terwijl de evolutie op aarde wel is beïnvloed maar niet gemanipuleerd door wezens die van andere stelsels komen.
 
De goden uit de begintijd waarnaar de bijbel en andere geschriften verwijzen, leefden gelijktijdig met de eerste mensen, in welke fase de mensheid nog niet volledig verstoffelijkt was. In de tijden daarna dat er nog hogerontwikkelde mensen waren, zijn die “aardlingen” nooit met de techniek in verband gebracht. In het kader van de evolutie hadden zij alleen een scheppende functie. In veel latere tijden toen de mensheid langzamerhand tot ontwikkeling kwam, waren er nog wel enkele hogerontwikkelde mensen overgebleven. En die stonden op een natuurlijke wijze in contact met enkele buitenaardse beschavingen. Volgens een aantal overleveringen hebben die wezens bepaalde beschavingen tot grote hoogte gebracht, terwijl ze meerdere malen een oorlog op aarde hebben uitgevochten. Alle overleveringen die verwijzen naar wapens en hogerontwikkelde technieken verwijzen naar dergelijke beschavingen. Zo lezen we in de Arabische Hitat dat Hermes of Saurid de piramide liet bouwen met magische krachten, wat een verwijzing is naar de samenwerking met een buitenaardse beschaving. De bedoeling daarvan was alle kennis van die tijd (in steen) vast te leggen.
 
In sommige geschriften is de aanwezigheid van dergelijke wezens duidelijk beschreven, in andere werken lezen we al gauw over een enkele aanwijzing heen, waarvan een voorbeeld. De god Quetzalcoatl die de Azteken hun schrift en tijdrekenkunde had gegeven, werd door de Quiché-Maya’s Cucumatz genoemd, terwijl hij in Chichen Itza de stad van de Yucatan-Maya’s Kukulhan heette. Hij kwam uit het oosten en wordt beschreven als een blanke man met een lange golvende baard, terwijl de Indianen uit Amerika baardeloos zijn. Toen zijn heerschappij werd vernietigd door Tezcatlipoca, moest hij Mexico verlaten, waarna hij terugvoer in een boot die bedekt was met slangevellen. In de stad Coatzecoalcos (heiligdom der slangen) beloofde hij terug te zullen keren om de heerschappij van Tezcatlipoca omver te werpen. Zijn naam moet vertaald worden als rokende spiegel, wat niet voor misverstand vatbaar is. Schrijnend is dat de Azteken geloofden dat met de komst van de Spanjaarden de oude voorspelling uitkwam. Maar met hun rokende geweten en Europese ziekten vernietigden ze dat volk bijna. In dit werkje is meerdere keren verwezen naar dergelijke contacten en rampen die dergelijke wezens veroorzaakt hebben. In deze tijd lijkt het er meer op dat zij ons waarschuwen niet dezelfde fouten te maken.
    
 
 
   Overzichtspagina