Het woord esoterie betekent geheim. Daarbij denken we in de westerse wereld aan een drietal bewegingen, de theosofie (1), de antroposofie (2) en de rozenkruisers (3). Daarnaast kennen we binnen het geloofsgebied van de islam nog de soefie-beweging (4). De theosofie (1) wordt ook wel esoterisch boeddhisme genoemd, omdat haar leerstellingen uit Tibet kwamen, maar na het leven van Boeddha nooit aan het volk zijn openbaard. Daarvoor waren die leringen veel te diepzinnig. Die esoterische tak van het boeddhisme werd aan het einde van de 19e eeuw door de Russin Blavatsky in de vorm van de theosofie (de wijsheid van het goddelijke) naar het westen gebracht, waarna die beweging grote invloed kreeg in Amerika en Europa. Enige tijd daarna brak de Oostenrijkse theosoof Rudolf Steiner met die beweging en stichtte geheel zelfstandig de antroposofie (2) die veel meer op de figuur Jezus was gericht. De rozenkruisersleer als derde beweging (3) stamt uit het oude Egypte en het middeleeuwse Europa waar het al evenzeer geheim was. In dat opzicht was die leer in zekere zin verwant aan de alchemie. De rozenkruisersbeweging was in het begin van de 20e eeuw bijna ter ziele en werd toen nieuw leven ingeblazen door de antroposofie. Deze samenhang verklaart het feit dat de leringen van deze drie bewegingen in de kern met elkaar overeenkomen en als zodanig afkomstig zijn van mensen die in hoge mate helderziend waren.

In dat verband spreekt men wel van het schouwen in de akashakronieken, welke vorm van helderziendheid in deze tijd niet meer bekend is. Verschillende helderzienden claimen dat zij dat wel kunnen, terwijl de UG een fundamenteel onderscheid maakt tussen de gewone helderziendheid en het zeer uitzonderlijke schouwen. Dat is pas mogelijk, als men in geen enkel opzicht meer vlucht, voor welke bewuste of onbewuste angst dan ook.