In 197 v.Chr. kwam Palestina onder Syrisch bestuur in welke tijd de SadduceeŽn (de rechtvaardigen) een belangrijke politiek-religieuze groepering vormden. Zij vervulden de functie van hogepriester, of stonden in nauw contact met die kringen en de regering. Evenals de Samaritanen die enkele eeuwen daarvoor vanuit AssyriŽ (Noord-Irak) waren overgeplaatst, wezen ze andere geschriften dan hun eigen thora af, wat onder anderen tot gevolg had dat zij niet geloofden in engelen en de opstanding na de dood. De persoonlijke ziel was voor hun dus niet eeuwig. (Dat wil overigens niet zeggen dat ze niet in de wedergeboorte geloofden. De UG werkt bijvoorbeeld de gedachte uit dat de persoonlijkheid reÔncarneert, terwijl het zelfbewustzijn na de dood oplost. Dat verdwijnt niet, maar transformeert naar een hoger niveau en schouwt dan als het ware in de hemelwereld). De Chassidim die naast de thora wel de andere boeken van het O.T. aanvaardden, waren veel minder streng in de leer. En uit die groepering kwamen waarschijnlijk de FarizeeŽn voort. Toen zij de leidende groep vormden in het joodse leven van Judea, stond het volk voor het grootste deel achter deze schriftgeleerden. Tegen een zekere Nicodťmus, de overste der joden, zei Jezus: "Gij zijt de leraar van IsraŽl en deze dingen (het proces van de wedergeboorte) verstaat gij niet?" (Joh.3:10). Door hun invloed ontstond de Tenach en werd het bestaan van de engelen algemeen aanvaard. Al die mensen die nu engelen "zien" of alleen maar in engelen geloven, hebben dat aan de ontwikkelingen in die tijd te danken.