Christus

De gnostici en de Grieken kenden het woord chrestos dat vertaald moet worden als het goede of het juiste. Die betekenis sluit nauw aan bij Plato's opvatting dat de idee van het goede de hoogste idee is, in welk opzicht het goede geen normatieve betekenis heeft. De ideeŽn worden immers geschouwd en gaan daarmee boven elk begrip en normering uit. Het woord 'volmaakt' is daarom misschien een betere vertaling van het woord chrestos. Het Griekse daarvan afgeleide woord Christos kunnen we opvatten als de goddelijke kern in de mens, welk woord in Rome veranderde in Christus. De combinatie van de woorden Chrestos en Christos wijst er zodoende op dat ze van toepassing waren op iedereen die kon schouwen en daarmee "goddelijk" bewust ofwel volmaakt was geworden. Paulus, de grondlegger van het christendom wist dat nog heel goed. Want in 1Cor.2:6-8 zei hij van die kennis: "Wij spreken wijsheid die niet van deze eeuw is. En geen van de beheersers dezer eeuw heeft van haar geweten". Desondanks had hij geen notie meer van de essentie van het echte schouwen. Hij had een ingrijpende ervaring gehad en dacht toen dat hij met Christus was verbonden en sprak daar veelvuldig over. Daarover zei hij in Gal.2:20: "Met Christus ben ik gekruisigd (ingewijd), en toch leef ik niet meer in en door mijn lagere ik, maar het Christusbewustzijn leeft in mij." De latere christenen begrepen dat niet meer en verbonden het woord Christus exclusief met de mens Jezus die daardoor DE enige Christus werd. Zij waren er toen van overtuigd dat Paulus de met de Vader verenigde Jezus-Christus had gezien.