A40

samenvatting deel A

In dit eerste gedeelte hebben we de vraag onderzocht of het universum eeuwig kan bestaan. Als dat zo is, kunnen wij er gewoon van uitgaan dat dit universum er altijd al was en er ook altijd zal zijn. En omdat het dan niet op een bepaald moment is ontstaan, hoeven we ons niet af te vragen uit welke bron dit universum tot ontwikkeling is gekomen. Dit heelal is in dat geval niet uit het niets ontstaan, het is ook niet door God geschapen, want het is uit een vorig heelal voortgekomen. Vanuit dat perspectief heeft het geen enkele zin om over het goddelijke na te denken, waarmee allerlei problemen al bij voorbaat zijn opgelost. In ieder geval hebben het materialisme en het athe´sme daarmee veel meer bestaansrecht dan al die godsdiensten die over een schepping spreken.

Toen we dat vraagstuk onderzochten, bleek dat de eeuwigheid op logische gronden niet kan bestaan. Er zijn geen halve en dubbele eeuwigheden, waardoor de eeuwigheid niet verbonden kan worden met de stromende tijd die verdeeld wordt in verleden, heden en toekomst. De eeuwigheid duurt daardoor niet eeuwig, maar is iets anders dan de eeuwig stromende tijd.

Daar komt nog bij dat de eeuwigdurende tijd in alle opzichten oneindig is, waardoor elke denkbare mogelijkheid al oneindig vaak heeft bestaan in oneindig veel variaties en oneindig kleine verschillen. In dat perspectief gaat de eeuwig stromende tijd gepaard aan een oneindige herhaling en daarmee aan een oneindige mate van zinloosheid.

Dit betekent dat de tijd per definitie een begin heeft en een eind, terwijl dat ook geldt voor de ruimte en dus dit hele heelal. Daarmee zijn alle problemen dus niet opgelost, want het universum moet dan uit de niet-tijd en de niet-ruimte tot ontwikkeling zijn gekomen. Voor de materialist en de athe´st is dat een gruwel, voor de denker met een open blik kan dat een uitdaging zijn zonder weerga.

[Picture]   Deel B

[Picture]   Vorige pagina

[Picture]   Terug naar keuzemenu deel A

[Picture]   Overzichtspagina