B66

samenvatting deel B

Aangezien dit universum niet eeuwig kan bestaan, moet het uit iets tot ontwikkeling zijn gekomen, terwijl dat 'iets'  niet gelijk is aan het universum zelf. Het ligt dan voor de hand om van God te spreken, wat voor niemand een probleem kan zijn als we God ontdoen van alle menselijke of bovenmenselijke eigenschappen. We mogen ons dan bijvoorbeeld niet afvragen wat God deed voor de schepping, want doen en denken zijn menselijke eigenschappen. Daardoor mogen we alleen gebruik maken van de naam God als we er vanuit gaan dat God niet denkt en niets doet.

De vraag of God en de schepping gelijk zijn, moet negatief worden beantwoord, waardoor God in niets gelijk kan zijn aan iets uit de schepping. In dat opzicht is God geen liefde, is God niet groter of machtiger dan alles, heeft God geen kennis, is God geen energie en kan God zelfs geen schepper zijn. Kortom, God heeft geen enkele oneindige kwaliteit of vermogen.

Als we daarvan uitgaan, vragen we ons af wat er voor dit heelal was. Toen was er niets, geen tijd en geen ruimte. Dat betekent dat er "toen" ook geen voorstellingen, gevoelens en gedachten waren, waardoor God "toen" dus ook geen voorstellingen, gevoelens en gedachten had. En omdat God eeuwig en steeds dezelfde moet zijn, kan God in dat opzicht niet zijn veranderd. Het is dan niet logisch om er vanuit te gaan dat God nu wel voorstellingen, gevoelens en gedachten heeft. Er is zodoende maar een oplossing. God is voor ons helemaal Niets, omdat wij van God geen enkele voorstelling kunnen maken.

Alleen de dingen die bestaan veranderen. En omdat God niet verandert, bestaat God dus niet, in die zin dat het woord bestaan weer een menselijk begrip is. En zo dwingt de logica ons om te accepteren dat dit universum uit God tot bestaan is gekomen, terwijl God Zelf niet Bestaat. Maar hoe logisch deze conclusie ook mag zijn, het is en blijft de vraag of we dit wel willen accepteren. Voor de UG is het echter duidelijk. Deze theorie neemt op strikt logische gronden afstand van een ieder die niet bereid of in staat is om de uitgangspunten van alle godsdiensten en de wetenschap te relativeren.

[Picture]  Deel C

[Picture]  Vorige pagina

[Picture]  Terug naar keuzemenu B   

[Picture]  Overzichtspagina