C7

 

Goed bedacht, maar ik zal het wat duidelijker maken.

Wij kennen de woorden absoluut en betrekkelijk. Het woord betrekkelijk zegt dat er in onze wereld altijd betrekkingen zijn. Iets is niet goed maar slecht, terwijl het ook een beetje slecht kan zijn. Dan is het een beetje goed en een beetje slecht. Dat is een betrekking.

De zon schijnt soms wel en soms niet, terwijl de zon ook een beetje kan schijnen. Dan is de zon te zwak om te zeggen dat de zon schijnt, terwijl die te sterk is om te zeggen dat de zon niet schijnt. Ook dat is een betrekking.

Nu zijn er ook tegenstellingen zoals de noordpool en de zuidpool waar niets tussen zit. Er is immers niet iets dat een beetje noordpool is en een beetje zuidpool. En als het een kind betreft, is dat een jongen of en meisje. Maar ook in dat soort gevallen is er sprake van een betrekking, want zonder noordpool is er geen zuidpool. En zonder meisjes zijn er geen jongens.

Deze tegenstellingen vind je overal in het universum, maar niet bij God omdat God geen eigenschappen heeft. God is zodoende absoluut en niet betrekkelijk.

De consequentie daarvan is de volgende:

Je kunt het absolute (God) niet met het betrekkelijke (de wereld) vergelijken, omdat het absolute geen tegenstellingen kent.

Dat betekent in feite dat je in de meest absolute zin niets kunt zeggen van het absolute. En als je dan toch iets wilt zeggen van God, kan dat alleen met behulp van een absolute tegenstelling.

Wie zegt dat God NIETS is, moet dat onmiddellijk aanvullen met de uitspraak dat God ALLES is.

En dat schijnt men in deze tijd maar niet te begrijpen. En dat kan ik maar niet begrijpen, maar het gaat nu niet om mij. Begrijp jij nu waarom ik er zo lang op heb gehamerd dat God niet almachtig is?

[Picture]  Volgende pagina

[Picture]  Vorige pagina

[Picture]  Terug naar keuzemenu C   

[Picture]  Overzichtspagina