D70

samenvatting Deel D

Nadat we hebben vastgesteld dat de bron van dit universum twee aanzichten heeft, de eeuwig zijnde volmaakte eigenschaploze GOD en God die het universum is geworden, ontstond de vraag hoe dit universum uit God (de bron) tot wording is gekomen. Dat kan alleen als er een tegenstelling is ontstaan, waarbij de beide tegengestelde factoren elkaar opheffen als ze worden verbonden. We hebben dat heel eenvoudig voorgesteld met het sluiten van een lening, waarna er een even groot bezit is als schuld. Samen is het niets, maar met dat bezit kan er van alles worden gedaan.

Daarna ontstond de vraag wat die tegenstelling in werkelijkheid is geweest, want niemand gelooft dat God de schepping in gang heeft gezet door geld te creŽren. Op zoek naar die tegenstelling, denken we eraan dat de eerste splitsing een absolute ofwel niets-alles tegenstelling heeft opgeleverd die kan worden opgevat als een Niets-pool en een Alles-pool. Vervolgens probeert de UG die beide polen te beschrijven als de tweevoudige bron waaruit het universum tot ontwikkeling is gekomen.

Als we dan gebruik maken van de oudste teksten die er zijn, merken we dat het altijd ging om de factoren geest en stof, waarbij er in die oudste teksten geen duidelijk verschil werd gemaakt tussen de geest en het bewustzijn. Toch wordt er in de esoterie altijd gesproken van geest, ziel en stof, of van geest, ziel en lichaam, waarbij het niet duidelijk is wat het verschil is tussen de geest en de ziel.  De UG lost dat probleem op door dit drietal te vergelijken met het middelpunt, de straal en de cirkel. Daaruit kunnen we afleiden dat de ziel een mengvorm is van stof en geest. In die vergelijking heeft de ziel vorm en is de ziel bewust, terwijl de geest het pure bewustzijn is zonder vorm. Dat maakt de ziel kenbaar, terwijl de geest als tegenpool van de stof absoluut onkenbaar is.  

We kunnen dat probleem ook iets anders benaderen en de nadruk leggen op de eerste splitsing stof-geest. Dan concluderen we dat er nooit iets was ontstaan, wanneer het bij deze absolute splitsing was gebleven. De wiskundige vergelijking met de elementen van de bol zegt ons dan dat die beide factoren werden verbonden in de straal ofwel de ziel, waardoor we er in eerste instantie vanuit gaan dat de drie-eenheid geest-ziel-stof uit de goddelijke bron tot ontwikkeling is gekomen. In de oudheid werd dat drietal naar het volk toe weergegeven in de vorm van drie of vier goden. De triade (drie goden) vergelijken we met het middelpunt, de straal en de omtrek van de bol, terwijl het viertal kan worden vergeleken met het middelpunt, de straal, de middellijn en de omtrek van de bol.

Dat verschil tussen het 3-tal en het 4-tal werd veroorzaakt doordat de ingewijde priesters wisten dat de ziel een tweeledige functie heeft, in die zin dat de ziel de stof en de geest scheidt en verbindt. In de geheimtaal van de oudheid werd dat geconcretiseerd in de vier elementen. De stof werd aarde genoemd en de geest werd met vuur vergeleken ofwel het licht van de zon. De ziel als de middelste factor werd als lucht en water omschreven. De volgorde is dan: vuur (geest), lucht en water (ziel) en stof (aarde). De astrologie leert ons echter dat de polen stof en geest in die wetenschap naast elkaar werden gezet (vuur en aarde), waarna de ziel polair werd onderverdeeld in lucht en water. De volgorde is dan vuur, aarde, lucht en water. Aarde verwijst dan naar de scheidende functie van de ziel, lucht verwijst naar de verbindende functie.

Enerzijds gaan we er nu vanuit dat de eerste splitsing leidde tot de polariteit Niets- Alles, anderzijds gaan we uit van het 3-tal stof, ziel en geest. Als dat juist is, moet er een verband zijn tussen de stof en Niets, terwijl dat ook geldt voor de geest en Alles. Nu blijkt dat de stof in de kern ook werkelijk Niets is, terwijl de geest in de kern ook werkelijk Alles is. Wat de stof betreft, kunnen we de materie steeds verder onderverdelen, waarbij de vormen steeds kleiner en kleiner worden. Uiteindelijk ontstaat er dan een oneindigheidsituatie waarin er oneindig veel oneindig kleine golfdeeltjes zijn. Dat heeft tot gevolg dat de ruimte op datzelfde niveau oneindig leeg en dus groot is. Dat maakte het aannemelijk dat er een verband is tussen het middelpunt dat geen ruimte inneemt en de stof. In omgekeerde zin moet er dan een verband zijn tussen de bolomtrek, de ruimte en de geest, waarbij we ons realiseren dat de ruimte alles omvat en zonder de materie geen vorm heeft. En omdat de ruimte geen vorm heeft, is er niets dat in staat is om de ruimte te begrenzen. Ook de stof kan dat niet, omdat de stof alleen de stof kan begrenzen. In dat opzicht is de geest dus alles. Dit betekent overigens niet dat de geest en de ruimte gelijk zijn. Het is wel zo, dat de geest in stoffelijk opzicht door de ruimte wordt gerepresenteerd. Dit is echter nog niet besproken.

[Picture]  Deel E

[Picture]  Vorige pagina

[Picture]  Terug naar keuzemenu D   

[Picture]  Startpagina